Dit is een e-boek geschikte download.
Ga voor de online versie met de illustraties en links naar:
http://vahini.org/nedramakatha/ramakathaned.html
- RAMAKATHA RASAVAHINI
Het verhaal van Râma, een stroom van heilige nectar
Deel 1Over dit boek door N. Kasturi
De diepere betekenis door Sathya Sai BabaHoofdstuk 1: Rama - prins en principe
Hoofdstuk 2: Het keizerlijk geslacht
Hoofdstuk 3: Geen vaderschap voor Dasaratha
Hoofdstuk 4: De zonen
Hoofdstuk 5: De goeroe en de leerlingen
Hoofdstuk 6a: De oproep en de eerste overwinning
Hoofdstuk 6b: De oproep en de eerste overwinning
Hoofdstuk 7a: Het veroveren van Sita
Hoofdstuk 7b: Het veroveren van Sita
Hoofdstuk 7c: Het veroveren van Sita
Hoofdstuk 7d: Het veroveren van Sita
Hoofdstuk 8: Nogmaals een uitdaging
Hoofdstuk 9: Voorbereidingen tot de kroning
Hoofdstuk 10a: De twee gunsten
Hoofdstuk 10b: De twee gunsten
Hoofdstuk 10c: De twee gunsten
Hoofdstuk 11a: Ook Lakshmana
Hoofdstuk 11b: Ook Lakshmana
Hoofdstuk 12: Sita houdt vol en bereikt haar doel
Hoofdstuk 13: In ballingschap gaan
Hoofdstuk 14a: Naar het woud
Hoofdstuk 14b: Naar het woud
Hoofdstuk 15: Bij de kluizenaars
Hoofdstuk 16a: Droefheid in Ayodhya
Hoofdstuk 16b: Droefheid in Ayodhya
Hoofdstuk 17a: De broers ontmoeten elkaar
Hoofdstuk 17b: De broers ontmoeten elkaar
Hoofdstuk 17c: De broers ontmoeten elkaar
Hoofdstuk 18: De sandalen op de troon
Voorwoord door N. Kasturi - Over dit boek
Reeds eeuwenlang is de Ramayana een stroom van heilige nectar (Ramakatha Rasavahini) voor miljoenen mannen, vrouwen en kinderen, een nooit opdrogende bron van vertroosting bij verdriet, van bezieling als zij door weifeling werden overvallen, van klaarheid als zij in verwarring verkeerden en van inspiratie in ogenblikken van neerslachtigheid. Het was hun gids in benarde situaties. Het is een intens menselijk drama, waarin God de rol van mens op zich neemt en op het onmetelijke wereldtoneel ons om zich heen schaart, of wij nu volmaakt of onvolmaakt zijn, menselijk of minder dan menselijk, of wij beest zijn of demon, om ons door zijn leringen en zijn voorbeeld de gave van opperste wijsheid te schenken. Het is een verhaal dat met zijn zachte vingers de snaren van onze ziel beroert, de klare, vloeiende akkoorden oproepend van pathos, medelijden, verrukking, aanbidding, extase en overgave, die ons omvormen van het dierlijke en menselijke tot het Goddelijke, dat de kern van ons wezen is.
Er is niet één verhaal in de geschiedenis der mensheid dat zulke diepe sporen heeft nagelaten in de menselijke geest. Het reikt uit boven de mijlpalen van geschiedenis en de grenzen van aardrijkskunde. Het heeft de levenshouding en de gewoonten van generaties gevormd en op een hoger plan gebracht. De Ramayana, het verhaal van Rama, is in een groot deel van de wereld geworden als een geneeskrachtige cel in de bloedsomloop van de mensheid. Het heeft wortel geschoten in het geweten van volkeren en ze geprikkeld en voortgedreven langs het pad van waarheid, rechtschapenheid, vrede en liefde.
Door mythen en legenden, wiegeliederen en vertellingen, dans, toneel en muziek, door schilder- en beeldhouwkunst, en door rituelen, symbolen en gedichten, werd Rama de adem, de gelukzaligheid en de schat van talrijke zoekers en spirituele aspiranten. De figuren in het verhaal van Rama hebben hen genood tot navolging en tot hun eigen verheffing. Met hun roemrijke daden en hun avonturen zijn zij een schitterend voorbeeld geweest; zij hebben de wankelmoedigen gewaarschuwd tegen ondeugd en geweld, tegen hoogmoed en kleinzieligheid en hen aangemoedigd door hun voorbeeld van trouw en standvastigheid. Aan elke taal en elk dialect dat de menselijke tong heeft aangewend om aan zijn hogere verlangens uiting te geven, heeft het verhaal van Rama een unieke, verrijkende liefelijkheid toegevoegd.
Sai (Isa, God) wiens gedachte het universum is en wiens wil daarvan de geschiedenis bepaalt, is de auteur, regisseur, acteur, getuige en waardebepaler van het drama dat zich voortdurend ontvouwt in tijd en ruimte. Hij heeft zich nu verwaardigd om zelf het verhaal te vertellen van dit ene epische bedrijf uit het drama, waarin Hij de rol van Rama op zich heeft genomen. Als Rama heeft Sai zijn tijdgenoten in het treta-tijdperk onderwezen, geÔnspireerd en kracht gegeven, gecorrigeerd, getroost en bemoedigd. Als Sai Rama werkt Hij nu aan diezelfde taak. Het merendeel van wat de lezers van Sanathana Sarathi de laatste jaren maandelijks met ijver en welgevallen hebben bestudeerd - als afleveringen van de Ramakatha Rasavahini - moet hun daarom zijn voorgekomen als 'gebeurtenissen en ervaringen van deze tijd' en 'tot henzelf gerichte goede raad die betrekking heeft op hun huidige vraagstukken en moeilijkheden'. Bij het lezen van deze bladzijden zullen de lezers dikwijls verrast zijn dat de Rama van dit verhaal identiek is aan de Sai Rama van wie zij nu getuige zijn.
De natuurwetenschappen hebben deze aarde gemaakt tot iets wat samengeperst is als de capsule van een ruimteschip waarin de mensheid haar lot moet ondergaan. De Sai-wetenschap (Sai-ence) is, zoals wij weten, dit ruimteschip met grote vaart aan het omvormen tot een gelukkig tehuis van liefde. Dit boek moet door Sai zijn gewild als een 'wondermiddel' van de hoogste orde, ter verwijdering van alle kwaad dat deze universele liefde in de weg staat. Het kwaad dat zich manifesteert als de morbide zucht naar sensueel genot, het stijgende gebrek aan eerbied voor ouders, onderwijzers, ouderen, geestelijke leiders en voorgangers, de rampzalige lichtzinnigheid en luchthartigheid in maatschappelijke, huwelijks- en familierelaties, het demonisch vertrouwen in geweld als middel tot het bereiken van een immoreel doel, het gemak waarmee men kiest voor terreur en marteling teneinde voordeel te behalen, als individu of groep, en zoveel meer vormen van kwaad.
In dit boek heeft Sai Rama, in zijn eigen eenvoudige, zoetvloeiende en bezielende bewoordingen, zijn goddelijke loopbaan samengevat, als Rama! Wat een groot geluk dat deze goddelijke vertelling ons in handen gegeven is, opdat zij haar stempel op onze gedachten zou drukken en haar in onze harten zou prenten! Moge de bestudering van dit boek ons tot doelmatige en enthousiaste werktuigen maken die zijn missie, het omvormen van de mensheid tot één grote familie, zullen voltooien; moge eenieder van ons tevens beseffen dat Sai Rama werkelijkheid is, de enige werkelijkheid die bestaat. Sai heeft verkondigd dat Hij dezelfde, wedergekomen Rama is, en dat Hij zoekt naar zijn vroegere metgezellen en werkers (bantu, zoals Hij ze noemde in Telugu), om hun een rol toe te wijzen in zijn huidige missie van wederopwekking tot rechtschapenheid en het leiden van de mens naar de veilige haven van vrede. Laat ons bidden, terwijl wij de eerste helft van dit verhaal overdenken, dat ook ons een rol toebedeeld zal worden en dat Hij ons ter beloning een visioen van die haven moge schenken.
N. Kasturi
Redacteur Sanathana Sarathi.De diepere betekenis door Sathya Sai Baba
Rama is de inwoner van ieder lichaam. Hij is de Atma-Rama, de bron van gelukzaligheid in elk individu. Zijn zegeningen kunnen, als zij opwellen uit die innerlijke bron, vrede en gelukzaligheid schenken. Hij is de waarachtige belichaming van de rechtschapenheid, van alle morele wetten die de mensheid in liefde samenbinden tot eenheid. De Ramayana, het verhaal van Rama, leert ons twee lessen: de waarde van onthechting en de noodzaak tot bewustwording van het Goddelijke in ieder wezen. Geloof in God en onthechting van stoffelijk bezit zijn de sleutels tot de bevrijding der mensheid. Geef zintuiglijke gerichtheid op en je zult Rama gewinnen. Sita gaf de wereld van Ayodhya op en kon daarom, in de jaren van Rama's ballingschap, bij Hem zijn. Toen zij verlangende blikken op het gouden hert wierp en zij er zich onweerstaanbaar toe aangetrokken voelde, verloor zij de aanwezigheid van Rama. Het afzien van wereldse verlangens brengt vreugde; gehechtheid doet lijden. Wees in, maar niet van de wereld. De broeders, kameraden, metgezellen en medewerkers van Rama, zij allen zijn een voorbeeld van mensen die vervuld zijn van dharma, de rechtschapenheid die van alle tijden is. Dasharatha vertegenwoordigt het louter lichamelijke, het gebied van de zintuigen. De drie guna's die het menselijk gedrag bepalen - harmonie (sattva), hartstocht (rajas) en passiviteit (tamas) - zijn de drie koninginnen. De vier levensdoelen - de purushartha's - zijn de vier zonen: Lakshmana is het intellect, Sugriva het onderscheidingsvermogen (viveka), Vali is de wanhoop en Hanuman de belichaming van moed. De brug is gebouwd over de oceaan van de zinsbegoocheling. De drie rakshasa-aanvoerders (demonen) zijn de verpersoonlijking van rajasische (Ravana), tamasische (Kumbhakarna) en sattvische eigenschappen (Vibhishana). Sita is de Brahmajnana, of het bewustzijn van het universele Absolute, dat het individu moet verwerven en zich opnieuw eigen maken, terwijl hij de vuurproef van het leven ondergaat. Maak je hart zuiver en sterk door diep na te denken over de grootsheid van de Ramayana. Wees onwankelbaar in het geloof dat Rama de werkelijkheid vertegenwoordigt van je bestaan.
-BABA-
Hoofdstuk 1: Rama - prins en principe
De naam 'Rama' is de essentie van de Veda's [de oudste heilige Geschriften van de hindoes]; het verhaal van Rama is een oceaan van melk, zuiver en krachtig. Tot op de dag van vandaag heeft er stellig nooit enig gedicht het licht gezien, in welke taal of waar ter wereld ook, dat met dit epos kan wedijveren in grootsheid en schoonheid; maar het heeft gesproken tot de verbeelding van dichters in elke taal en van elk land. Het is de grootste schat die iedere Indiër zo fortuinlijk was te erven.
Rama is de beschermende Godheid van de hindoes; de lichamen waarin zij huizen en de gebouwen waarin deze lichamen wonen, dragen zijn naam. Men kan gerust zeggen dat er geen Indiër bestaat die nog nooit de nectar van Ramakatha, het verhaal van Rama, heeft gedronken.
De Ramayana, het epos dat de geschiedenis van de Rama-incarnatie beschrijft, is een heilige tekst die eerbiedig geciteerd wordt door mensen van allerlei gesteldheid, door de geleerde zowel als door de eenvoudige ziel, door de miljonair even goed als door de arme. De naam die in de Ramayana verheerlijkt wordt, zuivert van alle kwaad; hij bekeert de zondaar. Hij openbaart ons de gestalte die deze naam draagt, een vorm die zo bekoorlijk is als de naam zelf.
Zoals de zee de bron van alle wateren op aarde is, zo zijn alle schepselen uit Rama geboren. Een zee zonder water is onbestaanbaar en geen schepsel kan zonder Rama ooit bestaan. De azuren oceaan heeft veel gemeen met de Almachtige.
De oceaan is de verblijfplaats van de Almachtige, zoals de mythen en legenden ons verkondigen; daarin wordt Hij beschreven als rustend op de oceaan van melk. Dit is de reden dat Valmiki (zoon van Prachetas), de grote dichter die het epos geschreven heeft, ieder canto ' kanda' genoemd heeft. Kanda betekent water - een uitgestrektheid van water.
Het betekent ook 'suikerriet'. Hoe krom het ook is, op welk deel ervan je ook kauwt, de zoetheid blijft onaangetast en gelijkmatig verdeeld. De stroom van Rama's verhaal baant zich een weg door vele bochten en kronkelingen - niettemin houdt de zoetheid van het teder mededogen (karuna) onverminderd stand door de hele vertelling heen. De rivier stroomt en wendt zich door droefheid, verwondering, spot, ontzag, angst, liefde, wanhoop en dialectiek, maar de voornaamste onderstroom is de liefde tot de rechtschapenheid (dharma) en het mededogen (karuna) dat erdoor gevoed wordt.
De nectar in het Rama-verhaal is als de rivier de Sarayu, die stil langs de stad Ayodhya stroomt, de stad waar Rama geboren werd en waar hij regeerde. De Sarayu ontspringt in de Manasa-Sarovar in de Himalaya, zoals dit verhaal ontstond in de manasa-sarovar; het meer van de geest. De Ramastroom draagt de zoetheid van karuna; de stroom van Lakshmana, zijn broer en toegewijde metgezel, heeft de liefelijkheid van devotie (bhakti); zoals de Sarayu samenvloeit met de Ganges en de wateren zich vermengen, zo vermengen zich ook de stromen van teder mededogen en devotie (het levensverhaal van Rama en dat van Lakshmana) in de Ramayana. Mededogen (karuna) en liefde (prema) maken samen het beeld van Rama's heerlijkheid volledig. Dat beeld vervult voor iedere Indiër het diepste hartsverlangen en ieder spiritueel streven is erop gericht dat te bereiken.
De inspanningen van het individu reiken slechts tot halverwege zijn doel; de andere helft van de weg daarheen legt hij af bij de gratie Gods. De mens komt tot verwerkelijking door zijn eigen prestaties zowel als door goddelijke zegeningen; zijn zelfverwerkelijking voert hem over de oceaan van dualisme tot het innerlijke en transcendente Zelf.
Niet als het verslag van een menselijke levensweg moet de Ramayana worden gelezen, maar als de vertelling van de nederdaling en de verrichtingen van een Avatar - een goddelijke incarnatie. De mens moet er vastbesloten naar streven om de idealen die in dat verhaal geopenbaard worden door zijn eigen ervaringen te verwezenlijken. God is alwetend, aldoordringend en almachtig. De woorden die Hij spreekt in zijn menselijke verschijningsvorm, de daden die Hij zich verwaardigt te verrichten tijdens zijn verblijf op aarde, zij zijn ondoorgrondelijk en van buitengewone betekenis. De kostbare bronnen van zijn boodschap helpen de mensheid voort op het pad van de verlossing. Beschouw Rama niet als een telg uit de Zonnedynastie, of als de vorst van het keizerrijk Ayodhya, noch als de zoon van keizer Dasharatha. Deze betrekkingen zijn slechts ondergeschikt en toevallig. De lezer van deze tijd maakt gewoonlijk de fout dat hij slechts aandacht besteedt aan de onderlinge verhoudingen en de bloedverwantschap tussen figuren uit het verhaal over wie hij leest, in plaats van dieper in te gaan op de waarden die zij vertegenwoordigen en die zij laten zien.
Om een aantal voorbeelden te geven van deze verkeerde benadering: de vader van Rama had drie vrouwen, van wie de eerste zus en zo was, de tweede dat en dat karakter had en de derde die en die eigenschappen bezat! Haar kameniers waren van die lelijke creaturen.... De oorlogen die gevoerd werden door de vader, Dasharatha, werden gekenmerkt door die en die merkwaardigheden en bijzonderheden. Op die manier brengt de verbeelding de mens op een dwaalspoor, zodat hij de onbeduidende en kleurige buitenkant ziet en de kostbare inhoud verwaarloost. Mensen beseffen niet dat de bestudering der geschiedenis het leven moet verrijken en er een diepere betekenis en waarde aan moet geven, en geen zucht naar armzalige feiten en onbetekenende ideeën moet bevredigen. De geldigheid en de waarde van de gebeurtenissen liggen diep onder de oppervlakkige feiten verborgen, waar zij stromen als een vruchtbaar makende ondergrondse rivier. Kijk door de bril van eerbiedige overgave (bhakti) en standvastige toewijding (shraddha), dan zullen de ogen die zuivere wijsheid aanschouwen die bevrijdt en eeuwige gelukzaligheid schenkt.
Zoals de mens het sap uit het suikerriet perst en slechts het zoete vocht drinkt, zoals de bij de honing uit een bloem zuigt, ongeacht haar symmetrie en kleur, zoals de mot naar het licht van de vlam vliegt en geen acht slaat op de hitte en het onheil dat onvermijdelijk is, zo zou de spirituele zoeker (sadhaka) er naar moeten verlangen de tederheid te ervaren, het medelijden en het mededogen (karunarasa), waar de Ramayana zo van doortrokken is, zonder acht te slaan op andere elementen van het verhaal. Als wij een vrucht opgegeten hebben, gooien wij de schil, de pitten en de vezels weg. Dat vruchten deze bestanddelen hebben, ligt in de aard van moeder natuur! Niettemin zal niemand ze toch maar opeten omdat hij er immers voor betaald heeft. Geen mens kan de pitten doorslikken en verteren; ook zal er niemand op de buitenste harde schil gaan kauwen. In deze Rama-vrucht die Ramayana heet, vormen de vertelsels van rakshasa's - demonen, lagere wezens - de schil en zijn de goddeloze daden van deze slechte mensen de harde, onverteerbare pitten. De zintuiglijke en wereldse beschrijvingen en gebeurtenissen vormen de weinig smakelijke, vezelachtige substantie, het omhulsel van het sappige voedsel.
Zij die zoeken naar de karunarasa in de Rama-vrucht moeten zich meer op de kern van het verhaal concentreren dan op de verfraaiende of soms hinderlijke, toegevoegde details. In die geest naar de Ramayana luisteren is de beste vorm van shravana - het proces van spiritueel luisteren.
Op zekere dag wierp keizer Parikshit zich aan de voeten van de wijze Suka en vroeg deze hem inzicht te verschaffen in een kwestie die tot diepe twijfel geleid had. 'Meester! Er is een raadsel dat mij al jaren kwelt. Ik weet dat u en niemand anders dit voor mij kunt oplossen. Ik heb geluisterd naar de levensgeschiedenissen van mijn voorvaderen, van die van de eerste, de grote Manu, tot die van mijn grootvader en vader aan toe. Ik heb deze verhalen zorgvuldig bestudeerd. Ik constateer dat in de geschiedenis van ieder van hen sprake is van wijzen (rishi's), die in nauwe betrekking staan tot de vorst, enkele geleerde, heilige mannen die verbonden zijn aan het hof, zittingen van de regeringsraad bijwonen en deelgenoot zijn van regeringszaken! Wat is de werkelijke betekenis van deze verrassende verbinding van geleerden ( die alle gehechtheden en verlangens hebben laten varen, die beseft hebben dat de wereld een schaduw en een valstrik is en dat de Ene de enige werkelijkheid is) met keizers en koningen, die een ondergeschikte rol spelen en zich door deze wijzen laten adviseren? Ik weet dat deze vereerde voorgangers zich nooit met iets zullen bezighouden zonder voldoende, grondige redenen en dat hun gedrag altijd zuiver en onbezoedeld zal zijn. Toch neemt dit mijn onzekerheid niet weg. Wees zo goed mij dit alles uit te leggen.'
Suka lachte om die vraag. Hij antwoordde: 'Dat is inderdaad een mooie vraag die u zojuist gesteld hebt. Luister! De grote wijzen en heilige geleerden zullen er altijd hevig naar verlangen hun medemens deelgenoot te maken van de waarheid die zij hebben verstaan en van de heiligende gebeurtenissen die zij hebben ervaren, van de verheffende daden die zij het voorrecht hadden te verrichten en de goddelijke genade die zij als uitverkorenen ontvingen. Zij zoeken het gezelschap van diegenen die het land besturen en van degenen die bedreven zijn in het regeren van volkeren, met de bedoeling hen te gebruiken als instrumenten die vrede en voorspoed op aarde tot stand brengen en deze kunnen waarborgen. Zij bezielen hen met hoge idealen en met een geheiligde leefwijze waarin zij deze kunnen verwezenlijken; zij sporen hen aan tot het verrichten van goede daden die in overeenstemming zijn met rechtvaardige wetten. De vorsten van hun kant juichen hun aanwezigheid toe en nodigen de wijzen uit, zoeken de geleerden op en verzoeken dan dringend of zij naar hun hof willen komen, om van deze mannen de kunst van het regeren te leren en naar hun raadgevingen te handelen. In die tijd was de vorst de meester en de beschermer van zijn volk; daarom brachten de wijzen hun dagen met hem door in hun loffelijk streven om via de vorst hun hartsverlangen te verwezenlijken: Lokasamastah sukhino bhavantu - Moge alle werelden gelukkig zijn. Zij verlangden er vurig naar dat geluk en vrede zich over de hele wereld zouden verspreiden. Daarom trachtten zij de koningen toe te rusten met alle deugden, hun een grondige kennis bij te brengen van alle morele wetten van discipline, hen te wapenen met alle takken van wetenschap, opdat zij doeltreffend en met wijsheid over hun rijk zouden heersen, tot heil van henzelf en van hun onderdanen.
Er waren ook nog andere redenen. Luister! Wetend dat Hij die de mensheid vreugde schenkt, die de raadsman van menselijke zeden, de heerser van de Zonnedynastie en de bewoner van de hemel der eeuwige gelukzaligheid is, geboren zou worden in een koningshuis, verschaften de wijzen, die met hun vooruitziende blik deze gebeurtenissen voorzagen, zich toegang tot de Hoven van regerende vorsten, om de gelukzalige nabijheid van de goddelijke incarnatie te ervaren, zodra deze zou verschijnen. Zij vreesden dat het later moeilijker zou worden Hem zo dicht te naderen en dat hun de gelukzaligheid waarop zij zo vurig hoopten, zou kunnen ontgaan. Dus deden zij hun voordeel met hun toekomstvisioen en vestigden zich in de koninklijke hoofdstad, te midden van de gemeenschap en verlangend naar advent.
Tot deze eerbiedwaardige groep behoorden Vasishtha, Vishvamitra, Garga, Agastya en andere wijzen (rishi's). Zij kenden geen verlangens, maar waren meesters in zelfverloochening, die nooit iets van anderen vroegen. Zij waren immer tevreden. Zij verschenen in de audiëntiezalen van de keizers uit die tijd, niet voor polemiek of voor ijdel vertoon van geleerdheid, ook niet om de kostbare geschenken te vergaren die dergelijke redenaars en gasten werden aangeboden. Evenmin wensten zij zich te laten vereren met zwaarwichtige titels, zoals die door beschermheren werden verleend aan personen die hun voorkeur hadden. Zij smachtten veeleer naar een visioen van de Heer (darshan) en naar een kans om dharma hoog te houden in alle menselijke aangelegenheden. Dat was hun enige doel.
Ook de koningen uit die dagen waren verdiept in goddelijke gedachten! Zij benaderden de heremieten en wijzen, daar waar dezen afgezonderd van de wereld leefden, om van hen te leren hoe zij hun onderdanen gelukkig en tevreden konden maken; menigmaal nodigden zij hen uit (ten paleize) en raadpleegden hen over de juiste wijze van regeren. Het was een tijd waarin er rishi's waren zonder gehechtheid aan het ego en geleerden zonder begeerte naar macht; dat waren de mannen die de koning van advies dienden. Het resultaat was dat de bevolking van het koninkrijk voldoende voedsel, kleding en huisvesting had en in goede gezondheid verkeerde. Elke dag was een feestdag en alle deuren waren versierd met groene slingers. De vorst beschouwde het als zijn heiligste plicht het welzijn van zijn volk te bevorderen. De onderdanen wisten ook dat de regeerder het hart van de staat was. Zij leefden in het volle vertrouwen dat hij even dierbaar was als hun eigen hart; zoveel betekende hij in hun leven. Zij vereerden hem en in hun dankbaarheid betuigden zij hem hun hulde.'
Aan het grote gezelschap dat zich rondom hem verzameld had zette Suka in heldere en eenvoudige bewoordingen uiteen welke rol de wijzen aan de koningshoven vervulden.
Hebt u iets bijzonders opgemerkt? Wat de groten der aarde ook doen, welk gezelschap zij ook verkiezen, zij zullen altijd het pad der rechtvaardigheid volgen, het goddelijke pad en hun daden zullen het welzijn van de hele wereld bevorderen! Dus als de Ramayana of andere goddelijke vertellingen worden voorgedragen of gelezen, moet men alle aandacht vestigen op Gods majesteit en Gods mysterie, op de waarheid en de onomwondenheid die aan die verhalen eigen zijn en moet men zich richten op de manier waarop deze kwaliteiten in het dagelijks leven in praktijk worden gebracht. Men moet geen waarde hechten aan bijkomstigheden, want de belangrijkste les die men moet leren is met welke middelen en op welke wijze men zijn plichten vervult.
Als God in menselijke vorm verschijnt voor het beschermen van dharma, gedraagt Hij zich op menselijke wijze. Hij k·n niet anders! Want Hij moet de mens het volmaakte leven voorhouden en Hij moet alle mensen een ervaring schenken van vreugde en vrede. Zijn gangen en zijn werken (lila's) mogen sommigen gewoon en alledaags toeschijnen. Maar elke daad die Hij verricht is altijd een uiting van schoonheid, waarheid, goedheid, vreugde en verheffing. Elke verrichting verovert de wereld met haar bekoorlijkheid en het hart dat eraan denkt wordt gezuiverd. Elke handeling verdrijft alle onrust uit de geest en de sluier van illusie (maya) wordt er door verscheurd. Zijn daden vullen het bewustzijn met zoetheid. Er is niets 'gewoons' of 'alledaags' aan het leven van een Avatar. Wat men ziet en als zodanig opvat, is in werkelijkheid 'bovenmenselijk' en 'bovennatuurlijk' en verdient de grootste eerbied!
Het verhaal van Rama is niet het relaas van een individu, maar de geschiedenis van het universum! Rama is de verpersoonlijking van het fundamentele, universele element in alles wat leeft. Hij is in alles, voor eeuwig, in alle werelden. Het verhaal behandelt niet een voorbije periode, maar het heden en een toekomst zonder einde, de beginloze eeuwigheid.
Geen mier kan bijten zonder Rama's wil. Geen blad valt van de tak zonder Rama's aansporing. Ether, wind, vuur, water en aarde - de vijf elementen die samen het universum vormen - gedragen zich zoals ze dat doen uit ontzag voor Hem en in harmonie met zijn bevelen! Rama is het principe dat de ongelijke elementen in de natuur aantrekt en zich door die aantrekkingskracht bemind maakt. Het is de aantrekkingskracht die het ene element op het andere uitoefent; dat is waardoor het heelal kan bestaan en functioneren.
Dat is het Rama-principe; zonder dit principe wordt de kosmos een chaos. Vandaar het axioma: Was er geen Rama, dan zou er geen panorama, of heelal, zijn.
Hoofdstuk 2: Het keizerlijk geslacht
In de smetteloos zuivere Zonnedynastie werd Khatvanga geboren, de zeer machtige, alom vermaarde, invloedrijke, de intens beminde en vereerde heerser. Zijn heerschappij deed opperste gelukzaligheid neerdalen op de onmetelijke bevolkingen waarover hij regeerde en bracht ze ertoe hem eer te bewijzen alsof hij God zelf was. Khatvanga had maar één zoon, Dilipa genaamd. De zoon groeide op en blonk uit in kennis en deugd; evenals zijn vader vond hij het een vreugde en een voorrecht de onderdanen tot beschermer en gids te zijn. Hij bewoog zich onder de mensen en verlangde te weten wat hun vreugde verschafte of verdriet deed, hoe hij het beste hun pijn en ellende kon verlichten en hij beijverde zich voor hun welzijn en voorspoed. De vader zag zijn zoon opgroeien tot een man die recht was van lijf en leden, krachtig, deugdzaam en wijs. Hij zocht een bruid voor Dilipa, zodat deze na zijn huwelijk een deel van de lasten der kroon op zijn schouders zou kunnen nemen. Khatvanga zocht die bruid in alle koningshuizen in de wijde omtrek, want zij moest een waardige gezellin van de prins zijn. Uiteindelijk viel zijn keuze op Sudakshina, een prinses uit Magadha. De bruiloft werd gevierd met onovertroffen pracht en praal, onder het vreugdegejuich van volk en hof.
Sudakshina was in ruime mate gezegend met alle vrouwelijke deugden. Zij was vroom en eenvoudig en haar echtgenoot oprecht toegedaan. Zij diende haar heer en overstelpte hem met liefde, alsof hij haar adem zelf was. Zij dacht en handelde volkomen in navolging van haar echtgenoot en week nimmer af van het pad der rechtschapenheid.
Ook Dilipa was de rechtschapenheid zelf en hij zag er dan ook op toe dat geen verlangen of teleurstelling hem ook maar enigszins kon raken. In de wijze waarop hij het keizerrijk bestuurde bleef hij trouw aan de idealen en gebruiken van zijn vader en zo kon het gebeuren dat hij langzamerhand en zonder de harmonie te verstoren, de volle verantwoordelijkheid voor het bestuur op zich kon nemen. Aldus kon hij zijn vader op diens oude dag een rustig leven bieden. Khatvanga was van vreugde vervuld als hij de grote kwaliteiten van zijn zoon overdacht en zag hoe bekwaam en efficint hij was en blijk gaf van praktische wijsheid. Zo verstreken er enige jaren. Toen gaf Khatvanga de hof-astrologen opdracht een gunstige dag en het juiste tijdstip voor de kroning van Dilipa te bepalen. Op de dag die zij voorgesteld hadden installeerde hij Dilipa als vorst van het rijk.
Vanaf die dag toonde Dilipa zich in alle luister als de heer en souverein van het keizerrijk, dat zich uitstrekte van zee tot zee en de zeven eilanden van de oceaan omsloot. Zijn heerschappij was zo rechtvaardig en vol mededogen en zodanig in overeenstemming met de geboden die in de heilige geschriften vervat waren, dat de regenval precies naar behoefte was en de oogst rijk en overvloedig. Het gehele keizerrijk was groen en vruchtbaar en bood een feestelijke en welvarende aanblik. Het land weerklonk van het heilige geluid van de Veda's, die in elk dorp werden voorgedragen en van het zuiverende ritme van de mantra's die gezongen werden tijdens de vedische plechtigheden die door het gehele land werden gehouden. Iedere gemeenschap leefde in vrede en harmonie met alle andere.
Toch werd de maharadja blijkbaar gekweld door een of andere geheimzinnige bezorgdheid, waardoor de stralende uitdrukking op zijn gelaat verloren ging. Met het verstrijken der jaren trad er geen verbetering op. De wanhoop trok groeven in zijn voorhoofd die steeds dieper werden. Op zekere dag onthulde hij de oorzaak van zijn somberheid aan zijn gemalin, Sudakshina: 'Lieveling! We hebben geen kinderen en daardoor ben ik door droefheid overmand. Het raakt mij des te dieper als ik bedenk dat ik de laatste telg van deze Ikshvaku-dynastie zal zijn. Deze ramp moet wel veroorzaakt zijn door een zonde die ik begaan heb. Ik ben niet bij machte om zelf te bepalen hoe ik aan dit noodlot kan ontkomen. Ik zou zo graag van de leermeester van onze familie, de wijze Vasishtha, willen vernemen hoe ik de genade Gods kan gewinnen en het kwaad dat ik heb bedreven weer goed kan maken. Mijn smart maakt mij zeer onrustig. Wat denk jij dat ik moet doen om Gods genade waardig te worden?'
Sudakshina bedacht zich geen moment en antwoordde: 'Heer! Dezelfde angstige gedachten zijn ook bij mij opgekomen en hebben mij diep ongelukkig gemaakt. Ik heb die gedachten niet uitgesproken, maar heb ze onderdrukt, want ik weet, mijn Heer, dat ik mijn angst niet kenbaar kan maken als u er mij niet naar vraagt. Ik ben altijd graag bereid u onvoorwaardelijk te steunen en u te helpen een uitweg uit ons verdriet te vinden die u het meest geschikt acht. Waarom zouden wij nog langer wachten, laten wij onverwijld de geëerde Vasishtha raadplegen', sprak Sudakshina. Dilipa liet de wagen inspannen om op bedevaart te gaan naar de hermitage van de leermeester. Hij liet weten die dag geen begeleiding van hovelingen of enig ander escorte nodig te hebben. Hij mende dan ook zelf de wagen en bereikte de eenvoudige hut van zijn geestelijke leidsman.
Toen de kluizenaars, die zich net buiten de ashram ophielden, de wagen hoorden aankomen, spoedden zij zich naar de hut en lieten hun meester weten dat de heerser van het keizerrijk in aantocht was. Zodra de keizer aan de deur verscheen, zegende Vasishtha hem en informeerde liefdevol naar zijn gezondheid en naar het welzijn van zijn onderdanen, zijn familie en zijn verdere verwanten.
Sudakshina wierp zich aan de voeten van Vasishtha's gade, Arundhati, die alle deugden der edelste vrouwen in zich verenigde. Arundhati trok haar naar zich toe en omarmde haar vol genegenheid, waarna zij haar allerlei vragen stelde omtrent haar welzijn en haar toen naar binnen leidde.
Zoals het een vorst betaamt, informeerde Dilipa bij Vasishtha of de offerplechtigheden (yajna's en yaga's) die de asceten moesten uitvoeren als onderdeel van de culturele traditie, wel ongehinderd konden plaatsvinden en of zij voldoende voedsel konden bemachtigen. Ook wilde hij weten of zij zich onbelemmerd aan hun studie en aan hun geestelijke oefeningen konden wijden en of zij in hun bosrijke omgeving door wilde dieren geplaagd werden. Het lag hem na aan het hart, zo sprak Dilipa, dat zij goede vorderingen zouden maken in hun spirituele ontwikkeling, zonder te worden afgeleid door ongunstige invloeden van welke aard ook.
Bij hun binnenkomst hadden de keizer en zijn gemalin plaatsgenomen tussen de reeds aanwezige wijzen en hun leerlingen. Vasishtha stelde nu voor dat de laatsten zich weer naar hun eigen hut zouden begeven. Daarop vroeg hij Dilipa waarom deze naar hem toe gekomen was, samen met Sudakshina, zonder enige begeleiding. De keizer sprak over de oorzaak van zijn innige verdriet en smeekte om de enige remedie die zijn smart zou kunnen wegnemen, de genade van Vasishtha.
Terwijl hij naar deze bede luisterde, was Vasishtha in diepe overpeinzing verzonken. Er heerste volkomen stilte. De keizer die in de lotushouding op de kale vloer zat, ging met zijn gedachten op in God en ook zijn gemalin had zich innerlijk op God gericht.
Eindelijk opende Vasishtha de ogen en sprak: 'Majesteit! Geen mens kan Gods wil dwarsbomen, hoe machtig hij ook is. Het ligt niet in mijn vermogen een goddelijk besluit te herroepen. Mijn genade reikt niet ver genoeg om u te zegenen met de zoon die u zich wenst. U hebt een vloek over uzelf afgeroepen. Op een dag toen u op weg was naar huis en de hoofdstad naderde, passeerde u Kamadhenu, de heilige koe, die lag te rusten in de koele schaduw van de heilige boom Kalpataru! U zag haar wel, maar u was zo verstrikt in het warnet van wereldse genoegens dat u haar negeerde en hooghartig uw weg naar het paleis vervolgde. Het bedroefde Kamadhenu dat u haar veronachtzaamde en zij voelde zich gekrenkt omdat u haar geen eer bewees. Als de vorst zelf zijn plicht in dit opzicht verzaakte, zouden wellicht ook zijn onderdanen haar niet langer eren, zo dacht zij. Als heersers, die verzuimen eerbied te tonen voor de Veda's of voor de Brahmins die deze Veda's bestuderen en in praktijk brengen, of die de koe verwaarlozen die de mens voedsel verschaft, vrijelijk kunnen blijven regeren, zo redeneerde zij, dan zal er geen dharma in het land zijn.
Kamadhenu sprak die dag de vervloeking uit dat u geen zoon zou krijgen om u op te volgen; zij verklaarde echter dat, mocht u naar de raad van uw goeroe luisteren en weer in nederigheid en eerbied de koe verzorgen en haar met dankbaarheid aanbidden zult, de vloek zal worden opgeheven en u met een zoon en erfgenaam zult worden beloond.
Vereer daarom, met uw gemalin, vanaf dit ogenblik de koe, zoals dat is voorgeschreven in de heilige geschriften en dan zal u zeker een zoon geschonken worden. Het uur waarop de koe van de wei naar huis terugkeert, is bijna aangebroken. Mijn geliefde, heilige koe Nandini nadert reeds de hermitage. Ga er heen en bewijs haar eer met toewijding en met een onwankelbaar geloof. Geef haar op de vaste tijden voer en drinken, was de koe en breng haar de wei in en zie erop toe dat haar niets overkomt terwijl zij aan het grazen is.'
Toen werden Dilipa en Sudakshina ingewijd in de rituelen van de eredienst voor de koe, de Dhenuvrata, waarna Vasishtha hen naar de koestal zond met gewijd water en offers voor de eredienst. Zelf wandelde hij naar de rivier om zich te wassen en zijn avondgebed te doen.
Op zekere dag, toen Nandini tevreden aan het grazen was in het oerwoud, werd zij ontdekt door een leeuw die in haar een goede prooi zag waarmee hij zijn lege maag kon vullen. Dilipa zag het gevaar en probeerde uit alle macht te verhinderen dat de leeuw zich op de koe zou werpen; hij besloot zijn eigen lichaam te offeren in ruil voor de koe. Hoewel de leeuw, naar zijn aard, een woest, verscheurend dier was, hield hij zich strikt aan de goddelijke wetten van dharma. Toen hij zag dat de vorst bereid was zichzelf op te offeren om de koe die hij vereerde te redden, kreeg de leeuw medelijden, liet de koe en de keizer los en ging zijns weegs.
Nandini was vervuld van een onuitsprekelijk gevoel van dankbaarheid en vreugde door dit gebaar van zelfopoffering van Dilipa. Zij sprak: 'Majesteit! Nu is de vloek die op u rustte opgeheven! U zult een zoon krijgen die de hele wereld onderwerpen zal, die de beginselen en de naleving van dharma zal hooghouden en bevorderen, die roem zal vergaren op aarde en in de hemel, die de faam van de dynastie zal verspreiden en die bovenal het Ikshvaku-geslacht zal voortzetten. Uit dit geslacht zal op zekere dag Narayana, de Heer zelf, geboren worden! Moge deze zoon spoedig ter wereld komen.' Nandini zegende de vorst en begeleid door de keizer keerde het heilige dier naar Vasishtha's ashram terug.
Het was niet nodig Vasishtha te vertellen wat er gebeurd was, hij wist alles reeds! Zodra hij de gezichten van de keizer en de keizerin zag, vermoedde hij dat hun wens vervuld was, dus zegende hij hen en gaf hun toestemming om naar de stad terug te keren. Toen wierpen Dilipa en Sudakshina zich ter aarde voor de wijze, waarna zij zich op weg naar het paleis begaven, vol vreugde over de gelukkige wending die in hun leven plaatsgevonden had.
Het kind groeide in de moederschoot, zoals in de zegen was beloofd. Toen de negen maanden verstreken waren, werd de zoon onder een gunstig gesternte geboren. Zodra de blijde mare zich over de stad en het rijk verspreid had, verzamelden zich duizenden opgetogen mensen om het paleis; de straten die met vlaggen en groene bladeren versierd waren, vulden zich met vrolijk dansende groepen mensen, die iedereen uitnodigden om in de feestvreugde te delen. Overal zag men kamfervlammen oplichten en hoorde men de grote menigten op weg naar het paleis 'Jai, Jai' roepen.
Dilipa beval dat de eerste minister zelf de geboorte van de troonopvolger moest aankondigen aan de mensenmassa die zich in de uitgestrekte paleistuinen verzameld had. Zodra hij dit had gedaan, rees uit de menigte het vreugdegejubel hemelhoog op. Er werd luid en langdurig geklapt en het Jai-geroep weerklonk van straat tot straat. Het duurde vele uren voordat de menigte uiteenging om weer naar huis te gaan.
Op de tiende dag nodigde de keizer de goeroe uit om de namakaranam te vieren, de plechtigheid bij de naamgeving van de nieuwgeborene. Raghu was de naam die gekozen werd, vanwege het sterrenbeeld waaronder hij geboren was. De kleine verrukte eenieder met zijn kinderlijk gebabbel en zijn spel; allen mochten de opgroeiende jongen met zijn heldere verstand en zijn charme even graag lijden: Eenmaal volwassen werd hij een dappere, resolute en efficiënte steun voor zijn vader!
Op zekere avond, tijdens een gesprek met zijn gemalin, uitte de vorst gevoelens waarvan niemand het bestaan had kunnen vermoeden en hij sprak tot haar: 'Sudakshina! Ik heb vele overwinningen behaald: Menigmaal heb ik grote rituele offers opgedragen. In menige grimmige veldslag heb ik tegen machtige invallers gestreden, maar ik heb over allen gezegevierd, zelfs over menseneters en titanen! Wij zijn gezegend met een juweel van een zoon. Er blijft niets te wensen over. Laten we de rest van ons leven doorbrengen met het aanbidden van God. Raghu bezit alle deugden en is in elk opzicht geschikt om de verantwoordelijkheid over het keizerrijk op zich te nemen. Laten we hem het rijk toevertrouwen; wij zullen ons terugtrekken in de stilte van het woud en leven van wortels en vruchten. We zullen dienstbaar zijn aan de wijzen die een sober leven leiden, die vervuld zijn van goddelijke gedachten en van een godgericht streven. Wij zullen ieder ogenblik van ons leven heiligen door te luisteren naar de heilige leringen (shravana), door te mediteren over hun diepere betekenis (manana) en wij zullen ons oefenen op het voorgeschreven pad te blijven (nididhyasana). Geen ogenblik zullen wij toegeven aan luiheid en passiviteit die kenmerkend zijn voor de tamo-guna.'
Bij het aanbreken van de nieuwe dag ontbood de keizer zijn eerste minister, die hij opdracht gaf om voorbereidingen te treffen voor de kroning en het huwelijk van de prins. Dilipa, die vervuld was van de geest der onthechting, vroeg Sudakshina naar haar plannen. Met tranen van dankbaarheid en blijdschap sprak zij: 'Er is niets dat mij gelukkiger zou kunnen maken. Uw wens is mijn bevel; ga voort met uw plannen.' Haar geestdrift en gewillige aanvaarding sterkten de keizer in zijn voornemen.
Dilipa riep zijn ministers, geleerden en wijze raadslieden bijeen en bracht hen op de hoogte van de voorgenomen kroning en het huwelijk van zijn zoon; zij stemden van ganser harte met hem in en zo werden de beide plechtigheden met veel pracht en praal gevierd. De vader gaf de prins goede raad aangaande zijn regeringstaken. Hij vertelde hem met nadruk hoe noodzakelijk het was om de studie van de Veda's te bevorderen, om nauwe betrekkingen te onderhouden met de geleerden die zich op de vedische kennis hadden toegelegd en om wetten uit te vaardigen die zouden bijdragen tot het welzijn van zijn volk. Hierna trok hij met zijn gemalin het woud in, vastbesloten de genade Gods te verwerven.
Vanaf die dag regeerde keizer Raghu het rijk overeenkomstig de aanwijzingen van de geleerden en met twee doelstellingen voor allen: het geluk van zijn onderdanen en het bevorderen van de rechtschapenheid onder de mensen. Hij geloofde heilig in deze idealen en achtte ze van levensbelang. Ook van zijn ministers verlangde hij dat zij het pad van dharma zouden volgen. Hoewel Raghu nog jong was, waren zijn deugden talrijk. Hoe moeilijk een probleem ook mocht zijn, hij doorzag het snel en vond er de juiste oplossing voor; hij maakte zijn onderdanen gelukkig en tevreden. Hij trad streng op tegen slechte koningen en gaf hun menige geduchte les. Toch slaagde hij erin deze vorsten voor zich te winnen door zijn verzoenende benadering en zijn intelligente, diplomatieke optreden. Zonodig trok hij tegen hen ten strijde met een klein leger, of hij brak openlijk met hen en versloeg hen vervolgens op het slagveld.
Raghu hield zich bezig met alles wat heilzaam was voor zijn volk en wat kon bijdragen aan de instandhouding van het heilige vedische erfgoed. Onderdanen van alle rangen en standen prezen zijn heerschappij, ongeacht hun leeftijd, hun economische status of hun kundigheid. Zij beschouwden hem als de meerdere van zijn vader in fysieke kracht, in moed, in moreel gedrag en in mededogen. Iedereen zei dat zijn naam in de geschiedenis zou voortleven.
Raghu besteedde er speciale aandacht aan dat de kluizenaars, die in de bossen hun ascetisch leven leidden, werden voorzien van wat zij nodig hadden. Hij zag erop toe dat zij met rust gelaten werden en dat het nodige gedaan werd om hun bescherming en aanmoediging te verzekeren. Zodoende ontving hij rijkelijk hun zegeningen en hun genade.
Op zekere dag kwam Kautsu, de leerling-heremiet en discipel van Varathanthu, die juist zijn studie voltooid had, naar het hof. Hij verzocht de keizer om een bijdrage voor het dankoffer dat hij van zijn leraar moest brengen. Raghu gaf hem het verlangde bedrag. Kautsu was verheugd dat de gift die hij ontvangen had, zuiver was, omdat het volk waarvan het afkomstig was, het van harte en dankbaar had betaald. Want nooit verlangde Raghu ook maar een paisa meer dan absoluut nodig was, omdat hij immer Gods toorn vreesde. Bovendien werd het geld met zoveel liefde en welwillendheid overhandigd, dat zijn hart vervuld werd van vreugde en dankbaarheid. Kautsu sprak liefdevol tot de keizer: 'Moge u spoedig met een zoon gezegend worden die over de hele wereld roem zal oogsten.' Met deze zegewens verliet hij de vorst.
De woorden van Kautsu werden tien maanden later bewaarheid, toen Raghu gezegend werd met een prachtige zoon. De riten van doop en naamgeving werden door de priesters van het paleis volvoerd waarbij de zoon de naam Aja ontving. Hij was een allerbekoorlijkste baby. Hij groeide op tot een levendige, leergierige knaap, die zeer bedreven was in alle kunsten en wetenschappen. Zijn reputatie van groot geleerde en talentvolle jongeman drong overal in het land door.
Na verloop van tijd voelde Raghu dezelfde behoefte als zijn vader vÛÛr hem, om de scepter aan zijn zoon over te dragen en zich in het woud terug te trekken om zich aan de bespiegeling van God te wijden. Op zijn beurt verzocht hij nu zijn minister maatregelen te treffen voor de gezagsoverdracht door middel van de kroningsplechtigheid, die zou moeten samenvallen met Aja's huwelijk met een passende bruid. Indumathi, de zuster van Bhojaraja, de vorst van Magadha, was de bruid die als levensgezellin voor Aja gekozen werd. Nadat Aja op de troon geÔnstalleerd was, vertrokken Raghu en zijn gemalin naar hun hermitage in het bos.
Aja, met de keizerin aan zijn zijde, verkreeg door zijn wijsheid en medeleven de loyaliteit van zijn onderdanen. Zij volgden nauwgezet Raghu's raadgevingen op met betrekking tot het landsbestuur. Aja had liefde en eerbied voor de wereld en haar bewoners en beschouwde hen als een afspiegeling van Indumathi, de vrouw die hij zo innig liefhad; daarom was hij een gelukkig man. Zij brachten samen dagen en soms weken in landelijke afzondering door, genietend van de schoonheid en grootsheid van de natuur.
Toen de keizerin een zoon ter wereld bracht, waren de ouders overgelukkig met deze blijde gebeurtenis. Zij lieten het nieuws aan hun geëerde Vasishtha overbrengen en verzochten hem de ceremonile handelingen te verrichten voor de nieuwgeborene, die de naam Dasharatha kreeg.
Dasharatha was werkelijk de lieveling van ieder die hem zag en het voorrecht had in zijn nabijheid te zijn en hem te liefkozen. Het kind spartelde zo vrolijk en levendig met armen en benen dat het scheen alsof het met ananda gevoed werd en slechts leefde om deze ananda aan iedereen door te geven.
Op zekere dag begaven Aja en Indumathi zich zoals gewoonlijk naar het bos, om zich in de schoot van moeder natuur te verpozen. De stilte en de verhevenheid van die dag hadden een nog grotere aantrekkingskracht dan anders. Zij zaten in de schaduw van een boom vriendelijk met elkaar te praten, toen er een hevige wind opstak, die een onbeschrijfelijk zoete geur en de betoverende klanken van goddelijke muziek met zich meevoerde. Zij stonden op en speurden in het rond naar de oorzaak van deze geheimzinnige gaven. Hoog boven hun hoofd, tussen de wolken aan de hemel, zagen zij Narada, de geestelijke zoon (manasaputra) van Brahma die zich ergens heen spoedde. Terwijl zij hem gadesloegen, raakte er een bloem los uit de krans die Narada in het haar droeg en door een windvlaag belandde deze precies op het hoofd van Indumathi. Het incident verbaasde Aja, maar zijn verbazing sloeg om in ontzetting toen hij zag dat zijn gemalin bezwijmd ter aarde gestort was en haar ogen voorgoed gesloten had!
De dood van de vrouw die hij liefhad als het leven zelf deed de vorst wanhopig veel verdriet. Zijn geweeklaag deed het bos trillen van zoom tot zoom. De aarde beefde uit medegevoel en de bomen stonden roerloos, als aan de grond genageld, bij de smart die het hart van de keizer deed overvloeien.
Narada hoorde de klacht van de vorst, die zich snikkend en kreunend over het ontzielde lichaam van zijn geliefde gebogen had. Hij daalde af naar de keizer om hem in zijn zielenpijn te troosten. 'Majesteit!', sprak hij, 'als de dood toeslaat, is verdriet vruchteloos, want het lichaam is onderworpen aan geboorte en dood en dat wat het één teweegbrengt, veroorzaakt ook het ander. Het waarom daarvan willen weten leidt tot niets. Gods handelingen staan boven de eindeloze reeksen van oorzaak en gevolg. Het is het gewone mensenverstand niet gegeven ze te interpreteren en naar de redenen kan men slechts gissen met de beperkte geestelijke middelen die men heeft. Hoe zou het verstand iets kunnen vatten dat zozeer buiten zijn domein ligt? De dood is een onvermijdelijk gegeven voor elk schepsel dat geÔncarneerd is. Aangezien Indumathi's dood echter zo vreemd en onverklaarbaar lijkt, moet ik u de reden ervan vertellen', sprak Narada. Hij trok Aja naar zich toe en zei: 'Luister! In het verleden leefde de wijze Thrnabindu in uiterst strenge ascese en Indra - de koning der goden - besloot zijn mate van onthechting en gelijkmoedigheid te toetsen. Hij stuurde één van zijn hemelse verleidsters, Harini genaamd, om hem in de wereld der zinnelijkheid terug te lokken. Maar de wijze was immuun voor haar verlokkingen en bleef onberoerd. Hij opende zijn ogen en sprak: "U bent blijkbaar geen gewone vrouw! Misschien bent u zelfs wel een goddelijk wezen. Maar, wie u ook bent, u zult de straf niet ontgaan voor het meewerken aan de verwezenlijking van zo'n slecht, gemeen plan. U zult als een menselijk wezen geboren worden dat uit de hemel verdreven is. Ondervind dan wat het zeggen wil een sterfelijk mens te zijn." Na deze vervloeking sloot de wijze zijn ogen weer en verzonk in meditatie.
Harini trilde van angst en stortte bittere tranen van berouw; zij bad om vergeving en smeekte dat haar verbanning uit de hemel ongedaan gemaakt mocht worden en de vloek opgeheven. Dit alles vertederde de wijze een weinig en hij sprak: "0, zwak schepsel! Ik kan mijn woorden niet herroepen. Maar ik zal u zeggen wanneer u van de vloek verlost zult worden. Luister! Op het moment dat van hierboven een bloem op uw hoofd valt, zult u uw menselijk lichaam verlaten en naar de hemel terugkeren." Dit goddelijk schepsel was Indumathi en vandaag is zij bevrijd. Toen een bloem die ik droeg op haar viel, ontsnapte zij aan de vervloeking. Waarom zou u hierover treuren? Het zal u niet baten. 'Narada sprak over de plichten en de verantwoordelijkheid van een vorst en het goede voorbeeld dat hij aan iedereen moet geven; hij sprak over de vergankelijkheid van het leven en over het mysterie van de dood, het uiteindelijk lot van allen die geboren worden. Hierna begaf Narada zich op weg naar zijn hemelse verblijf.
Daar hij onmachtig was om zijn geliefde te redden, volvoerde Aja de dodenriten en keerde toen naar de hoofdstad terug. Zijn hart was zwaar van verdriet en prins Dasharatha was de enige die hem enigszins kon troosten en hem zijn wil om verder te leven kon teruggeven. Aja bracht zijn dagen door in wrok en treurnis. Daar Dasharatha inmiddels volwassen geworden was, kon Aja de regering aan hem overdragen, waarna hij zich aan de oever van de rivier de Sarayu zette, vastbesloten de belofte van anashana, van het weigeren van alle voedsel, na te komen. Doordat hij zich geheel van eten onthield, ebde zijn leven langzaam uit hem weg.
Zodra Dasharatha het nieuws hoorde, spoedde hij zich naar de Sarayu-oever en beweende het verlies van zijn geliefde vader. Hij trof meteen voorbereidingen voor de dodenriten met de troostende gedachte dat zijn vader afstand van zijn leven gedaan had door middel van een religieuze gelofte. Daar putte hij kracht uit en hij hervatte zijn regeringstaken, in het volle bezit van zijn vele geestelijke vermogens.
In korte tijd verlichtte Dasharatha's roem alle landstreken, als de stralen van de rijzende zon. Hij had de onverschrokkenheid en de behendigheid van tien wagenmenners in zich verenigd en deed dus zijn naam Dasharatha, hetgeen de 'tien-wagen-held' betekent, alle eer aan. Niemand hield stand tegen de stormloop van zijn machtige strijdwagen! Iedere heerser uit die dagen zag bevreesd naar hem op en betuigde hulde aan zijn heerschappij. De wereld prees hem als de held die zijns gelijke niet had, als een toonbeeld van deugd en als een staatsman van de hoogste orde.
Hoofdstuk 3: Geen vaderschap voor Dasaratha
Toen Dasharatha's naam en faam Ravana, de demonenkoning van Lanka, ter ore kwamen, werd hij zo van afgunst vervuld dat hij besloot om, hoe dan ook, Dasharatha ten val te brengen. Ravana zocht naar een voorwendsel om Dasharatha tot een gevecht uit te dagen. Op zekere dag liet hij Dasharatha door een boodschapper weten dat, als deze hem geen hulde wilde bewijzen, hij hem, Ravana, op het slagveld tegenover zich zou vinden, waar hij maar moest bewijzen dat hij in de strijd zijn meerdere was. Deze oproep druiste in tegen alle internationale zedelijke beginselen, maar wanneer had een demon (rakshasa) ooit enige morele wetten gerespecteerd?
Toen Dasharatha de woorden van de boodschapper hoorde, begon hij onmiddellijk spottend te lachen. Waar de bode bij stond, schoot Dasharatha scherpe, dodelijke pijlen af, die helemaal in het verre Lanka doel troffen en de poorten van de stad hermetisch afsloten.
Daarna wendde Dasharatha zich tot de gezanten en sprak: 'Zo, heren! Ik heb zojuist de poorten van uw vestingstad afgesloten en het zal uw meester niet gelukken ze open te krijgen, hoe hij ook zijn best doet; dat is mijn huldebetoon aan uw onbeschaamde heer.' Bij hun terugkeer brachten de gezanten verslag uit aan Ravana, die verbijsterd reageerde toen hij alle deuren onwrikbaar gesloten vond. De wanhopige pogingen van Ravana en al zijn mannen liepen op niets uit - zij konden de poorten niet open krijgen. Toen Ravana echter door plotselinge schaamte bevangen werd, keerden de pijlen vreemd genoeg naar Ayodhya terug en vlogen de poorten open.
Ravana had zich echter voorgenomen alle heersers van de wereld aan zich te onderwerpen en, in het besef dat hij hierin alleen zou slagen als hij Gods genade kon verwerven, begaf hij zich diep in het woud, waar hij een gunstige plek uitzocht om in ascese te leven.
Ravana beoefende de ascese op een dermate intense en overtuigende wijze, dat de God Brahma wel voor hem moest verschijnen en gedwongen werd hem elke gunst te verlenen die hij zou verlangen. 'Ravana! Vraag me wat je maar wilt! Ik zal je hartewens vervullen', sprak Brahma. Ravana overdacht hoe Dasharatha hem beledigd had en overwoog de kans dat Dasharatha misschien zelfs nÛg machtiger zonen zou krijgen, van wie hij nog meer zou moeten verdragen, dus vroeg hij: 'Heer! Zegen mij met deze gave van uw genade: laat er geen kind uit Dasharatha's lendenen geboren worden.' Hierop sprak Brahma: 'Het zij zo', en verdween terstond, uit vrees dat Ravana een tweede boosaardig verzoek zou kunnen bedenken als Hij in zijn nabijheid bleef. Ravana stapte parmantig rond, hoogmoedig en onbevreesd en met een gevoel van triomf over zijn eigen dapperheid en zijn succes.
Intussen kwam er een volgend plan bij hem op! Hij dacht bij zichzelf: 'Dasharatha is nu een jongeling op huwbare leeftijd; als ik iets kan bedenken waardoor hij helemaal niet trouwt, ben ik dubbel zo veilig.' Met de geestelijke vermogens die hij als koning der Rakshaka's bezat, zag hij dat Dasharatha naar alle waarschijnlijkheid de dochter van de koning van Kosala zou huwen. Dus besloot hij deze prinses te doden! Als de mens zelf met de ondergang bedreigd wordt, wijkt zijn verstand van het rechte pad! Heimelijk drong hij in vermomming het koninkrijk van Kosala binnen en ontvoerde de prinses. Hij legde haar in een houten kist en gaf deze prijs aan de golven der zee.
De waarheid dat niets ooit kan geschieden buiten Gods wil, ontging Ravana. Brahma beschikte anders: de golven wierpen de kist terug op het strand. De plek waar de kist belandde, was een gebied dat rijk was aan natuurschoon. De volgende dag bezocht Sumanthra, Dasharatha's eerste minister, toevallig deze plaats voor een korte vakantie waarin hij in alle rust staatsproblemen kon overdenken. Toen zijn oog op de kist viel, bracht hij deze in veiligheid en opende hem. Tot zijn verbazing trof hij daarin een bekoorlijk meisje aan, met mooie glanzende ogen en omgeven met een stralenkrans van goddelijke pracht. Sumanthra werd overstelpt door medelijden en sprak zacht en liefdevol tot het meisje: 'Kleine meid! Hoe ben je in deze kist terechtgekomen?' Zij antwoordde: 'Grote heer, ik ben de prinses van Kosala, mijn naam is Kausalya. Ik weet niet hoe ik in deze kist terechtgekomen ben, noch wie mij erin heeft gestopt. Ik was in de paleistuin met mijn vriendinnen aan het spelen en herinner mij niet wat er met mij gebeurd is.'
Sumanthra was ontroerd door haar eenvoudige en oprechte woorden. Hij sprak: 'Alleen Rakshasa's nemen hun toevlucht tot dergelijke barbaarse listen; daar hebben gewone mensen geen weet van! Ik zal je naar je vader brengen en je weer aan hem toevertrouwen. Ga met me mee, laten wij onverwijld gaan.'
Sumanthra zette het meisje in zijn wagen en ging op weg naar Kosala. Daar aangekomen, gaf hij haar aan de koning terug en deelde aan het hof alle bijzonderheden mee die hem bekend waren.
De koning stelde Sumanthra nu ook allerlei vragen. Hij ontdekte dat hij niemand minder dan de eerste minister aan het hof van Dasharatha, de keizer van Ayodhya, voor zich had en dat diens meester nog niet gehuwd was. Die ontdekking vervulde hem met blijdschap. Hij sprak: 'Excellentie! U hebt mijn kind bij mij teruggebracht en haar van de ondergang gered. Ik heb derhalve besloten mijn dochter aan uw meester zelf uit te huwen. Wees zo goed de keizer van mijn aanbod in kennis te stellen.' Hij bewees Sumanthra de formele eer die hem toekwam en zond hem heen in gezelschap van de hofpriester en met passende geschenken.
Sumanthra vertelde Dasharatha in geuren en kleuren wat er gebeurd was. Als bevestiging dat hij het aanbod van de koning van Kosala aanvaard had, liet Dasharatha de priester van Kosala vergezellen door zijn eigen hofpriester, aan wie hij vele goede gaven meegaf. Dag en uur van de huwelijksvoltrekking werden vastgesteld en zo ging Dasharatha op weg naar de hoofdstad van Kosala, begeleid door een schitterende stoet van olifanten, strijdwagens, cavalerie en infanterie. De muziek van lofzangen uit de stoet steeg ten hemel en weergalmde tot aan de horizon. Het huwelijk van Dasharatha en Kausalya werd met grote pracht en praal gevierd. De koning van Kosala nam Sumanthra terzijde en sprak: 'U bent degene die deze heerlijke gebeurtenis teweeggebracht hebt, al geschiedt natuurlijk nimmer iets buiten Gods wil. Niettemin vraag ik mij af hoe ik u kan belonen en u mijn dankbaarheid kan tonen. Wees zo goed mijn aanbod te aanvaarden en deze dag ook zelf in mijn hoofdstad in het huwelijk te treden. Als u hierin toestemt, zal ik vandaag nog voorbereidingen treffen voor die vreugdevolle gebeurtenis.'
Dasharatha en Sumanthra betuigden hun instemming met het voorstel. Sumanthra werd in de echt verbonden met de dochter van Viradasa, uit het geslacht van Ganga. Het nieuws dat zowel de keizer als de eerste minister in dezelfde stad en op dezelfde dag in het huwelijk waren getreden, ging als een lopend vuurtje door stad en land en bracht overal blijde verbazing en verrukking teweeg. De feestelijkheden hielden drie dagen aan; het volk werd vergast op muziek, toneel, dans en vele andere vermakelijkheden. Dag en nacht heersten overal opwinding en vreugde.
Op de vierde dag keerde Dasharatha met zijn gemalin en zijn hofhouding terug naar Ayodhya, tezamen met Sumanthra, diens bruid en hun gevolg. Bij het binnenrijden van de stad werden zij door de bevolking met toejuichingen begroet. Dasharatha's onderdanen waren opgetogen over het huwelijk van hun keizer en dat van de eerste minister; zij dansten in de straten en riepen: 'Jai, Jai', tot zij er schor van werden. Zij stonden langs de kant van de weg om hun keizerin te zien; zij sprenkelden rozenwater op de toegangswegen en zwaaiden met kamfervlammen om de stoet te verwelkomen.
Dasharatha hervatte zijn regeringstaken en heerste over zijn rijk met liefde en toewijding. Vaak trok hij samen met zijn gemalin naar de bossen waar hij onbezorgde dagen doorbracht. Maar naarmate de tijd voortsnelde en er dagen, maanden en jaren verstreken, tekenden zich donkere schaduwen van droefheid af op het gelaat van de keizer, want zijn kinderloosheid bedrukte hem meer en meer.
De keizer raadpleegde priesters, geleerden en ministers en toen hij eenmaal wist dat hun wens overeenkwam met Kausalya's vurige bede, huwde hij een tweede vrouw, Sumitra genaamd. Sumitra deed haar naam eer aan, want zij bezat inderdaad alle goede eigenschappen van een vrouw die in de omgang vriendschap kon wekken. De banden van genegenheid die Kausalya en Sumitra verbonden, waren veel sterker dan die tussen een moeder en haar kind. Wederzijds verlangden zij er vurig naar de ander vreugde te bereiden en beiden waren bezield met zedelijke moed, onthechting en mededogen. Maar, hoewel er vele jaren verstreken, waren er geen tekenen die erop wezen dat de keizer op een troonopvolger mocht hopen. Door wanhoop gedreven huwde Dasharatha op aandrang van de twee vorstinnen een derde vrouw. Haar naam was Kaikeyi en zij was de gracieuze, bekoorlijke dochter van de koning van Kekaya in Kashmir.
De koning van Kekaya stelde echter bepaalde voorwaarden aleer hij toestemde in de echtverbintenis! Hij stond erop dat, wanneer Kaikeyi een zoon zou baren, deze het recht van troonopvolging zou krijgen; mocht de keizer van Ayodhya het hiermee niet eens zijn, zo verklaarde hij, dan zou hij geen toestemming tot het huwelijk geven. Met deze boodschap keerde Garga, de hofpriester, terug naar Ayodhya. Kausalya en Sumitra zagen in hoe vurig de keizer ernaar verlangde de prinses van Kekaya, wier schoonheid door eenieder werd bezongen, tot vrouw te nemen. Zij achtten het de plicht van elke liefhebbende vrouw om ook aan de geringste wens van hun echtgenoot te voldoen en om zich voor het verwezenlijken van die wens volledig in te zetten. Ook waren zij zich er terdege van bewust dat het keizerlijk geslacht van Ayodhya nooit ontheiligd zou worden door een zoon die de morele wetten zou schenden. Al zou Dasharatha beloven dat de zoon van zijn derde vrouw de troon mocht bestijgen, dan nog zou de zoon die uit Kaikeyi in de dynastie geboren werd stellig de belichaming van rechtschapenheid zijn en vrij zijn van een dergelijke smet. Met eerbiedig gevouwen handen smeekten zij Dasharatha: 'Heer! Niets maakt ons gelukkiger dan uw geluk. Aanvaard de condities van de koning van Kekaya en trouw met zijn dochter, zodat de voortzetting van het keizerlijk geslacht van Raghu veiliggesteld is. U hoeft er geen seconde over na te denken.'
De woorden van Kausalya en Sumitra wakkerden het vuur van zijn verlangen nog meer aan, daarom zond de keizer Garga terug met vele geschenken en met de boodschap dat de voorwaarden geaccepteerd waren. Dasharatha liet de koning weten dat hij spoedig zou komen voor de huwelijksvoltrekking. De plechtigheid zelf werd met grote luister gevierd.
Dasharatha keerde naar zijn hoofdstad terug, stralend als de maan te midden van de sterren, toen hij in optocht door de straten reed, vergezeld van zijn drie gemalinnen. De keizer behandelde ieder van hen met evenveel egards, terwijl ook zij voor elkaar en voor de keizer evenveel liefde en hetzelfde respect aan de dag legden. Zij aanbaden de keizer en waren bevreesd hem te mishagen. Zij deden hun uiterste best om zijn wensen te vervullen en zijn verlangens niet te dwarsbomen, want zij eerden hem als hun God, zoals het een liefhebbende echtgenote betaamt. De vrouwen leefden in zoveel innige, wederzijdse liefde met elkaar, dat het leek alsof zij gedrieën als één ademden, ofschoon zij in drie afzonderlijke lichamen rondliepen!
De jaren gingen voorbij. De keizer en zijn drie vrouwen hadden hun jeugd achter zich gelaten en waren de middelbare leeftijd gepasseerd. Hun oude dag naderde en nog steeds waren er geen tekenen die wezen op de komst van een zoon. Daarom werden de vorstinnen innerlijk verscheurd door onrust, zorg en wanhoop, al waren de vrouwenvertrekken in het paleis nog zo geriefelijk ingericht om hun bestaan te veraangenamen.
Op zekere avond zaten de keizer en zijn vrouwen bijeen in één van de kamers van het paleis en spraken urenlang met grote bezorgdheid over de toekomst van Ayodhya en hoe de voorspoed en de veiligheid van de stad in de toekomst konden worden gewaarborgd. Ieder van hen trachtte een intelligente en sympathieke oplossing te vinden, maar toen zij daar uiteindelijk niet toe in staat bleken, stonden zij ontmoedigd op. Zij besloten de leidsman van de familie, Vasishtha, te raadplegen en dan zijn advies op te volgen.
Bij het aanbreken van de dag werd Vasishtha eerbiedig verzocht aanwezig te zijn en ook talrijke geleerden en raadslieden werden uitgenodigd. De keizer legde hun het probleem voor: hoe vinden wij een opvolger die het onmetelijke rijk tussen de twee zeeën, het keizerrijk onder de heerschappij van de Raghu-dynastie, zal kunnen regeren? Overmand door wanhoop bad Dasharatha de wijze mannen in klagende bewoordingen om een voorstel waar iedereen wel bij zou varen.
Vasishtha bleef lang in gedachten verzonken. Tenslotte opende hij de ogen en sprak: 'Majesteit! U hoeft niet zo bedroefd te zijn, want Ayodhya zal niet zonder meester zijn, noch zal zij als weduwe achterblijven. Dit rijk zal vrolijk, gelukkig en voorspoedig zijn, en zal ononderbroken in feeststemming verkeren en altijd met groene slingers versierd zijn. Ayodhya zal de rechtschapenheid beschermen en zal altijd weergalmen van muziek en uitingen van blijdschap. Ik zal niet toestaan dat een prins van een andere dynastie tot de troon van Ayodhya zal worden verheven. De genade Gods is een ondoorgrondelijke gave. De belofte van rechtschapenheid, waaraan u zich zo trouw hebt gehouden, zal u vast en zeker de opperste vreugde van het vaderschap van een zoon schenken. Talm niet langer! Nodig de wijze Rshyasrnga, de zoon van Vibhandaka, uit en draag met hem als hogepriester het heilige offer op genaamd putrakameshti, de yaga die voorgeschreven is voor degenen die een zoon wensen te verwekken. Tref onverwijld alle nodige ceremoniële en rituele voorbereidingen voor de yaga. Uw wens zal stellig vervuld worden.'
De vorstinnen luisterden naar deze geruststellende woorden, met grote beslistheid door Vasishtha uitgesproken en gelukzaligheid vervulde hen. Er begon nieuwe hoop in hun harten op te bloeien. Zij trokken zich in hun verblijven terug en gaven zich over aan vurig gebed.
De keizer zocht in zijn hofhouding naar de meest geschikte persoon die hij als afgezant naar Rshyasrnga, zoon van Vibhandaka, kon zenden met de opdracht deze naar de keizerlijke hoofdstad te noden. Uiteindelijk riep hij zijn oude vriend, Romapada, koning van Anga, bij zich en zond hem heen met de nodige instructies en volledig uitgerust. Intussen werd aan de oevers van de heilige rivier de Sarayu alles voor de yaga in gereedheid gebracht. Er werden volgens de heilige voorschriften fraaie offeraltaren opgericht; de stad werd versierd met vlaggen en slingers. Zoals allen hadden gehoopt en verwacht en tot ieders verrukking, kwam de grote wijze Rshyasrnga met zijn gemalin Santha naar de stad Ayodhya.
Keizer Dasharatha verwelkomde de wijze aan de hoofdpoort van het paleis. Hij gaf de eminente heilige een ceremoniële voetwassing, waarna hij een weinig van het door de voeten geheiligde water op zijn eigen hoofd druppelde. Toen wierp hij zich aan de voeten van Vasishtha en bad hem aan Rshyasrnga te vragen wat de juiste handelwijze zou zijn bij de voorgenomen yaga.
Rshyasrnga wenste dat de ministers en geleerden plaatsnamen in de aangewezen volgorde en wees ook de keizer naar zijn plaats op de troon. Toen beschreef hij de verschillende handelingen van de plechtigheid, opdat de hofpriesters zouden weten wat hun te doen stond. Hij gaf zulke nauwkeurige aanwijzingen dat iedereen al precies wist waar hij in de offerzaal moest gaan zitten.
De wijze besliste dat de yaga de volgende dag, klokslag zeven uur, moest beginnen. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje door de stad. Nog vÛÛr zonsopgang was elke straat versierd met groene slingers en baanden grote drommen mensen zich een weg naar de uitgestrekte open plek aan de oever van de Saraya waar de yaga volvoerd zou worden. Langs de rivier zag het zwart van de opgetogen mensen.
Rshyasrnga en zijn gemalin Santha betraden de speciaal voor deze gelegenheid gebouwde offerhal (yaga mantap), met de keizer en diens gemalinnen, onder de klanken van vedische gezangen en de muziek van hoorns, trompetten en klarinetten en begeleid door het gejuich van het volk. Rshyasrnga werd geÔnstalleerd als 'Brahma', oftewel hoofdorganisator van de yaga; hij wees de geleerden ieder naar rang hun verschillende taken aan, zoals het voorgaan in gebed, de schriftlezing, het voorzingen, het zoenoffer enzovoort. De offeranden werden door Rshyasrnga zelf met de voorgeschreven formules in het heilige vuur geplaatst, met angstvallige nauwkeurigheid, met grote toewijding en een diep geloof.
Uit het vuur dat volgens de heilige Geschriften brandend gehouden werd, rees voor de ogen van alle aanwezigen een goddelijke gestalte op, die straalde met de verblindende pracht van een bliksemflits. In zijn handen hield Hij een schitterende kom. Toen de grote menigte, waaronder ook de priesters, dit zagen, verstijfden zij van schrik, verbazing, ontzag en blijdschap. Door de plotselinge golf van gelukzaligheid en mysterie waren zij volkomen overweldigd. De keizer en zijn gemalinnen stortten tranen van vreugde; zij sloegen hun ogen op naar het goddelijke wezen en baden tot Hem met de handen gevouwen.
Rshyasrnga zette het ritueel voort met onverstoorbare gelijkmoedigheid, zoals de Geschriften gebieden, en offerde de gaven in het vuur. Plotseling klonk een stem uit het hemelgewelf, als op de dag van eenwording met God. Rshyasrnga hield vol verbazing op, om naar de boodschap uit de hemel te luisteren. 'Maharadja! Neem deze kom aan en verdeel het heilige 'payasam' voedsel dat u hierin gebracht wordt in gelijke porties onder uw drie gemalinnen', verkondigde de stem. Nadat Hij de kom aan de keizer overhandigd had, verdween de geheimzinnige gestalte weer in de vlammen waaruit Hij te voorschijn gekomen was.
De vreugde van het volk en van de prinsen, geleerden en priesters die getuige waren van deze grootse manifestatie, kende geen grenzen. Zodra de laatste riten volvoerd waren, keerde de maharadja in optocht terug naar het paleis, met in zijn handen de heilige kom die hem door de Goden geschonken was.
Nadat de vorstinnen hun ceremoniële bad hadden genomen, op aanwijzingen van Vasishtha, traden zij de paleistempel binnen, waar zich het altaar van de familiegod bevond. Vasishtha volbracht er de rituelen van de eredienst. Het 'payasam' dat de goddelijke verschijning had geschonken, werd toen verdeeld over drie gouden kommen. Vasishtha verzocht Dasharatha naderbij te komen en sprak: 'Raja! Geef deze kommen aan uw vrouwen - eerst één aan Kausalya, de volgende aan Sumitra en de laatste aan Kaikeyi.' De keizer deed wat hem opgedragen was. Zijn gemalinnen namen de hemelse spijs aan en wierpen zich aan de voeten van Vasishta en Dasharatha. Vasishtha bepaalde dat zij eerst de voeten moesten aanraken van Rshyasrnga, die de yaga verricht had, alvorens het voedsel tot zich te nemen.
Voor de veiligheid lieten Kausalya en Kaikeyi hun kommen achter in de tempel, waarna zij hun haren lieten drogen en zich lieten kappen door hun kameniers. Intussen betrad Sumitra het terras en plaatste de kom op de lage ommuring. Zij liet haar haar in de zon drogen en dacht onderwijl steeds aan de bijzondere positie waarin zij verkeerde: zij was de tweede gemalin van de keizer! De zoon van de oudste vorstin is de rechtmatige troonopvolger; de zoon van Kaikeyi, de derde vrouw, kan ook de troon bestijgen, volgens de belofte die de keizer heeft gedaan bij zijn huwelijk met haar. Maar, vroeg Sumitra zich af, wat gaat er gebeuren als Ìk een zoon krijg? Hij heeft helemaal geen rechten! Wat heeft het voor nut een zoon ter wereld te brengen die nooit enige status of soevereiniteit zal kennen? Het ware beter géén zoon te baren dan één die wordt achtergesteld bij de anderen. Deze stemming duurde echter maar een ogenblik; spoedig verzoende zij zich met de wetenschap dat wat de Goden hebben beslist, zal moeten geschieden; dat kan niemand tegenhouden. Zij herinnerde zich wat haar geestelijk leidsman en ook de keizer haar hadden opgedragen, dus liep zij naar de kom toe, met het voornemen de inhoud ervan op te eten, toen er plotseling als uit het niets, een adelaar verscheen, die de kom met zijn snavel weggriste en hoog in de lucht verdween. Het berouwde Sumitra dat zij niet beter op de kostbare spijs gepast had, omdat zij wel wist hoe ontsteld de keizer zou zijn als hij vernam wat er voorgevallen was. Zij wist zich geen raad; zij ging regelrecht naar haar zuster Kausalya en vertelde haar de hele geschiedenis. Kaikeyi had zojuist haar gedroogde haar opgebonden en voegde zich bij hen, met in haar handen de gouden kom. De drie vrouwen bejegenden elkaar met innige genegenheid, als waren zij zusters die door een enkele draad van liefde met elkaar verbonden waren.
Om het droeve nieuws maar niet aan de keizer te hoeven vertellen, lieten zij nog een gouden kom brengen, waarin Kausalya en Kaikeyi ieder een deel van hun eigen payasam deden, zodat zij alle drie hun plaats in de tempel konden innemen. Zij nuttigden de heilige spijs, terwijl Rshyasrnga zijn zegen uitsprak en andere wijzen en geleerden toepasselijke vedische gezangen zongen. Daarna dronken de vorstinnen gewijd water en wierpen zij zich ter aarde voor het altaar; zij knielden neer aan de voeten van Rshyasrnga en begaven zich vervolgens ieder naar hun eigen paleis.
Na verloop van tijd verspreidde zich het nieuws onder het volk dat de vorstinnen zwanger waren. Hun lichaam scheen meer en meer als door een stralend licht omgeven. De tiende maand brak aan; kameniers en bakers wachtten de blijde gebeurtenis af en waakten nauwlettend en zorgzaam over de aanstaande moeders. Zodra zij hoorden dat Kausalya barensweeën had, spoedden zij zich naar haar paleis; terwijl zij nog onderweg waren, vernamen zij dat de keizerlijke gade reeds bevallen was van een prins! De volgende dag schonk Kaikeyi het leven aan een zoon. Het heuglijke nieuws vervulde het gehele vrouwenverblijf met blijdschap. De dag daarop beviel Sumitra van twee zonen.
Overal bespeurde men tekenen die wezen op de goedgunstigheid der Goden. Het blijde nieuws gaf alle mensen onmetelijke vreugde. De aarde hulde zich in het groen en de bomen stonden plotseling in volle bloesemtooi. De lucht was vervuld van muziek. Uit de wolken vielen zachte, geurige regendruppels, maar alleen op de daken van die vertrekken waar de pasgeborenen in hun wiegjes lagen! Dasharatha's vreugde kende geen grenzen. Na de lange jaren waarin hij ten prooi was geweest aan hevige zielenpijn omdat hij zelfs niet één zoon had, schonk de geboorte van zijn vier zonen hem een onmetelijke voldoening en onbeschrijfelijk veel geluk.
De keizer nodigde brahmanen uit, die hij rijkelijk begiftigde met goud, koeien en land. Hij zorgde ervoor dat er geld en kleren aan de armen werd uitgedeeld; bovendien schonk hij huizen aan de daklozen. Zij die honger leden gaf hij te eten. Waar men ook keek, zag men hoe de blijde gebeurtenis met gejuich werd ontvangen en hoorde men het Jai, Jai-geroep van het volk. De onderdanen dromden bijeen om uiting aan hun vreugde te geven in muziek en dans. 'Wij hebben nu prinsen voor de troonopvolging', zeiden zij trots tegen elkaar; zij waren nu zelfs nog opgetogener dan destijds over de geboorte van hun eigen zonen. De vrouwen hielden erediensten om God te danken voor dit blijk van zijn genade, want zij wisten zeker dat de geboorte van de zonen van hun keizer een buitengewone gunst was, een teken van Gods barmhartigheid.
Dasharatha verzocht de spirituele leidsman van de keizerlijke dynastie, Vasishtha, naar het paleis te komen; op diens voorstel liet Dasharatha een geleerde astroloog komen om de horoscopen van de pasgeborenen op te maken. Vasishtha deelde de aanwezigen mede dat het kind van Kausalya onder een zeer gelukkig gesternte geboren was, op een bijzonder tijdstip: in het goddelijke halfjaar (Uttarayana), in de maand Chaitra (maart-april), in de periode van de wassende maan (tussen nieuwe en volle maan), op de negende dag van de nieuwe maan, onder de Punarvasu ster, [de onder deze ster geborenen zijn verlichte zielen, Avatars. Ook Sai Baba is onder deze ster geboren] op maandag, met de ascendant in Leeuw (Simhalagna) en in de periode van Abhijit-overwinning, toen de wereld in zalige rust verkeerde en het weer aangenaam was, noch te heet, noch te koud. Kaikeyi's zoon werd de volgende dag geboren - in Chaitra, in de lichte periode, op de tiende dag, op dinsdag, Gandhayoga. De derde dag werd de tweeling geboren - in Chaitra, in de lichte periode, de elfde dag van de nieuwe maan, onder de Aslesha ster, Vriddhiyoga. Deze bijzonderheden werden medegedeeld aan de astroloog die de opdracht kreeg om op wetenschappelijk verantwoorde wijze de horoscopen te trekken en de keizer van zijn gevolgtrekkingen op de hoogte te brengen.
Toen bad Dasharatha Vasishtha om een gunstig tijdstip te bepalen voor de naamgevingsceremonie van de kinderen. Deze was daarop enige ogenblikken stil in meditatie verzonken; door de helderziendheid die hij als yogi bezat, werd hem een blik gegund in de komende jaren. Zichzelf terugroepend tot het normale bewustzijn sprak hij: 'Maharadja! Uw zonen zijn geen gewone stervelingen. Zij hebben hun gelijke niet en dragen vele namen. Zij zijn niet van menselijke oorsprong, maar zij zijn goddelijke wezens die een menselijke gestalte hebben aangenomen. Het zijn goddelijke verschijningen. Het is 's werelds gelukkige gesternte dat hen hierheen gevoerd heeft. Ik beschouw het als een groot voorrecht dat ik de naamgevingsceremonie mag leiden van deze goddelijke kinderen.' Er waren weliswaar drie moeders, maar er was slechts één vader, dus bepaalde Vasishtha dat de tiendaagse periode van 'onreinheid' zou beginnen te tellen vanaf de dag dat Kausalya haar kind ter wereld had gebracht. De elfde dag na de geboorte van Kausalya's zoon zou daarom een gunstig tijdstip zijn voor het naamgevingsritueel, zo verklaarde de wijze ziener. Uit dankbaarheid voor deze gunst wierp de keizer zich aan Vasishtha's voeten en daarop vertrok deze naar zijn hermitage.
Ook de astroloog stemde in met het gekozen tijdstip en hij stelde een lijst op van alle benodigdheden voor het ritueel. Hij overhandigde deze aan de hoofdpriester, waarna hij vertrok, beladen met de vele gaven die de keizer hem geschonken had. Dasharatha liet uitnodigingen schrijven voor de ceremonie en zond deze naar de onderkoningen, edelen, hovelingen, wijzen en geleerden in het gehele keizerrijk; hierbij richtte hij zich tot eenieder op de wijze die paste bij zijn rang en stand. De boodschappers die deze uitnodigingen overbrachten waren Ûf ministers, hofgeleerden, officieren Ûf brahmanen; van ieder van hen was de eigen status afgestemd op die van de genodigden.
Er gingen tien dagen voorbij. De hoofdstad Ayodhya werd zo in feestkledij gestoken en verfraaid dat zij een allerbekoorlijkste aanblik bood. Het ganse rijk weergalmde van muziek en zang, zodat de mensen zich gingen afvragen of zij de engelen des hemels hoorden zingen. De straten werden besprenkeld met welriekende stoffen. De stad kon nauwelijks méér bezoekers herbergen. Alleen de wijzen en hovelingen werden toegelaten tot de privé-vertrekken van het paleis. Voor alle anderen, of zij nu prinsen of eenvoudige lieden waren, had men aparte voorzieningen getroffen. Er werden grote feesttenten (pandals) opgezet in de paleistuinen, die plaats boden aan alle gasten en genodigden. Vanaf hun plaatsen hadden zij een goed zicht op de naamgevingsceremonie en alle verrichtingen die daarbij hoorden.
Reeds spoedig klonk er muziek vanuit de ontvangstzaal en kon men de brahmanen de vedische gezangen horen reciteren. De drie vorstinnen traden de fraai versierde zaal binnen, met de prinsjes in hun armen. Zij straalden als goddelijke moeders, die de Goden Brahma, Vishnu en Shiva droegen. De gelukzaligheid en innerlijke schoonheid die zij uitstraalden, zijn niet in aardse termen te vatten.
Zodra de mensen hen zagen verschijnen, welden de toejuichingen van 'Jai' op uit hun harten. De vrouwen zwaaiden met kamfervlammen. Er waren drie speciale zetels voor de koninginnen klaargezet. Kausalya was de eerste die haar plaats innam, daarna volgden Sumitra en Kaikeyi. Dasharatha zat ter rechter zijde van Kausalya.
De brahmanan maakten een aanvang met de ceremonie, erop toeziend dat alle rituelen nauwgezet werden uitgevoerd. Zij ontstaken het heilige vuur, waarin zij offeranden wierpen onder het uitspreken van de bijbehorende mantra's. Er werd rijst gestrooid en uitgespreid op gouden schalen; over de rijst werden zachte zijden doeken gespreid en daarop vlijden de moeders hun baby's neer. Kausalya's kind staarde Vasishta aan alsof hij iemand voor zich had die hij goed kende! De baby strekte zich naar hem uit, als was hij het liefst zo dicht mogelijk bij hem! Iedereen vroeg zich af wat dit wonderlijke gedrag te betekenen had. Vasishtha zelf werd door vreugde overweldigd en was tot tranen bewogen. Hij droogde zijn vreugdetranen en hervond met grote moeite zijn zelfbeheersing. Hij nam een paar korrels rijst in zijn hand en sprak: 'Majesteit! Het kind dat ter meerdere vreugde van Kausalya geboren is, zal evenzo het geluk van de gehele mensheid bevorderen. Zijn deugden zullen een ieder vertroosting en tevredenheid, blijdschap en geluk brengen. Hij zal de yogi's en de zoekenden op het geestelijke pad tot een rijke bron van gelukzaligheid zijn. Daarom zal, vanaf dit ogenblik, zijn naam Rama zijn, hetgeen betekent: hij die behaagt.' De wijzen vonden deze naam zeer toepasselijk en vol diepere betekenis en riepen uit: 'Voortreffelijk, uitmuntend!'
Toen liet Vasishtha zijn blik rusten op de tweeling van Sumitra. Hij voorvoelde dat de eerstgeborene een held en een dappere strijder zou zijn, die met onmetelijke rijkdom zou zijn begiftigd. Vasishtha wist dat hij behagen zou scheppen in dienstbaarheid aan Vishnu en aan zijn gade Lakshmi; voor hem zou deze dienstbaarheid zijn als zijn levensadem zelf. Dus koos Vasishtha voor deze prins de naam Lakshmana. Zijn jongere broer zou een geducht vernietiger van vijanden worden en bovendien zou hij niet anders wensen dan in de voetstappen van zijn oudere broer te treden. Dit alles wist Vasishtha, daarom zegende hij dit kind met de naam Shatrughna, dat 'doder der vijanden' betekent.
Vasishtha richtte nu de ogen op het kind dat Kaikeyi's bron van vreugde was. Van dit kind zag Vasishtha dat het aller harten met liefde en blijdschap zou vullen; dat zijn ongelofelijke trouw aan dharma allen versteld zou doen staan en dat het met diep mededogen en grote genegenheid over zijn onderdanen zou heersen. Daarom gaf hij het de naam Bharata - hij die regeert. De mensen waren gelukkig toen zij de wijze heilige deze bijzonderheden over de glorierijke toekomst van de kinderen hoorden vertellen. Zij waren vervuld van liefde voor de prinsen en noemden hen vanaf die dag bij de namen die hun gegeven waren: Rama, Lakshmana, Shatrughna en Bharata.
Voor allen die de plechtigheden hadden bijgewoond had Dasharatha een uitgebreid feestmaal laten aanrichten. Hij gaf iedereen die die dag gekomen was een reden om blij en dankbaar te zijn; hij bood aan elk van zijn gasten de gastvrijheid en de geschenken die hun naar rang en stand toekwamen. Hij schonk overvloedig aan liefdadige doeleinden en als rituele boetedoening deelde hij koeien, stukken land, goud en andere kostbaarheden uit onder de armen en de behoeftigen. Niemand werd teleurgesteld of tekortgedaan, want Dasharatha had aan ieders behoeften gedacht. Na afloop van de plechtigheden gaf hij hun met gepaste hoffelijkheid verlof om naar huis terug te keren. Dankzij de liefdevolle zorg van hun moeders groeiden de kinderen voorspoedig op. Er was echter iets merkwaardigs aan de hand, dat al spoedig opviel. Reeds in de eerste levensmaanden merkte men dat Lakshmana altijd Rama zocht en Shatrughna altijd Bharata! Vanaf de dag van zijn geboorte huilde Lakshmana schier onophoudelijk! De kindermeisjes en andere verzorgsters beproefden allerlei middeltjes en foefjes om hem te sussen, maar niets kon zijn smart verlichten of een einde maken aan zijn gekerm. Men vermoedde dat hij inwendige pijn had en diende hem alle mogelijke medicijnen toe, die evenwel niets uitrichtten. Sumitra was er daarom van overtuigd dat de pijn van het kind niet door medicinale hulp weggenomen kon worden, dus liet zij de wijze Vasishtha komen. Zodra deze de kamer binnentrad, viel Sumitra aan zijn voeten. 'Meester', smeekte zij, 'Lakshmana huilt al sinds zijn geboorte en schreeuwt om iets waarvan ik niet weet wat het zou kunnen zijn. Ik heb doktoren geraadpleegd en hun adviezen opgevolgd. Toch wordt het gehuil met de dag erger en hij wil zelfs geen moedermelk drinken! Van slapen is al helemaal geen sprake. Hoe kan hij ooit gedijen als dit nog langer doorgaat? Wees zo goed mij te zeggen waarom Lakshmana zich zo gedraagt en zegen hem, opdat hij met dit voortdurende gehuil ophoudt.'
Vasishtha was enige tijd in gedachten verzonken. Toen sprak hij: 'Majesteit! Lakshmana's pijn heeft een buitengewone oorzaak en u tracht die te genezen met gewone middeltjes en medicijnen! Het is stervelingen niet gegeven ooit zijn verlangen te verstaan. Als u doet wat ik zeg zal uw kind rustig en tevreden zijn. Hij zal onmiddellijk ophouden met huilen en lustig beginnen te spartelen en trappelen. Neem hem uit zijn bedje en leg hem naast Rama, het kind van Kausalya. Dat is het wondermiddel.' Daarop vertrok Vasishtha, na moeder en kind gezegend te hebben. Gehoorgevend aan zijn woorden nam Sumitra haar kind op, bracht het naar de wieg van Rama en legde het naast Rama. Vanaf dat ogenblik hield het huilen op en begon Lakshmana te kraaien van plezier!
Zij die getuige waren van de totale verandering beschouwden deze als een groot wonder. Lakshmana, die tot dusver zo deerniswekkend was geweest, begon nu blij te brabbelen, met zijn voetjes te trappelen en zijn handjes te zwaaien, vrolijk spartelend als een vis die weer in het water teruggeworpen is. Hij was nu in het bijzijn van Rama, in gelukzaligheid ondergedompeld en zich bewust dat Rama's genade op hem neerdaalde.
Met Shatrughna gebeurde iets dergelijks: hij was droevig en lusteloos en wilde niet eten. Het leek of hij zwak en vermoeid was. Sumitra maakte zich zorgen over deze ontwikkeling. Dus noodde zij de familieleidsman naar het paleis en vroeg hem wat de oorzaak zou kunnen zijn. Vasishtha glimlachte en sprak: 'Moeder! Uw kinderen zijn niet van het gewone soort. Zij kwamen ter wereld om een goddelijk spel op te voeren! Leg Shatrughna in hetzelfde bed als Bharata, dan zal zijn leven elke dag vol vreugde en geluk zijn. U kunt uw bezorgdheid laten varen.' Vasishtha zegende haar en vertrok. Sumitra volgde onverwijld zijn aanwijzingen op. Vanaf dat ogenblik was Shatrughna altijd in Bharata's nabijheid. De kinderen waren bijeen in grenzeloze gelukzaligheid en gingen lichamelijk en geestelijk met sprongen vooruit. Hun schranderheid en majesteit namen toe van uur tot uur, als de luister van het zonlicht.
Sumitra hoefde nu niets meer voor haar kinderen te doen, maar omdat zij haar tweeling liefhad als haar eigen leven bracht zij beurtelings haar tijd door met Kausalya en met Kaikeyi, om de kinderen te liefkozen en te verzorgen. Zij ging van het ene paleis naar het andere en deze nederige taak als kindermeisje verrichtte zij met groot genoegen. 'De moederrol is niet voor mij weggelegd', zo mijmerde zij soms als zij alleen was. Menigmaal vroeg zij zich af hoe deze vreemde situatie was ontstaan, dat haar kinderen gelukkig waren bij die andere moeders in plaats van bij haar.
Ten einde raad wendde zij zich tenslotte tot Vasishtha en smeekte hem haar gerust te stellen. Hij openbaarde haar de diepere oorzaak: 'Moeder! Lakshmana is een 'deel' van Rama en Shatrughna is een 'deel' van Bharata.' Nog terwijl hij deze woorden uitte, riep Sumitra: 'Ja, ja! Nu besef ik dat dit de waarheid is. Ik ben blij dat u me die verteld hebt.' Zij wierp zich aan Vasishtha' s voeten en begaf zich toen naar de binnenvertrekken.
Sumitra dacht bij zichzelf: 'Toen de adelaar wegvloog met in zijn snavel de kostbare hemelse spijs, door de goddelijke boodschapper geschonken, beangstigde het vooruitzicht mij zÛ dat de keizer vertoornd zou zijn over mijn nalatigheid, dat ik Kausalya en Kaikeyi van dat rampzalige voorval op de hoogte stelde. Zij gaven mij elk een deel van de payasam uit hun kom, daarom ben ik de enige van ons drieën die een tweeling heeft gekregen, doordat het voedsel dat ik heb genuttigd bestond uit twee aan mij afgestane porties. Ach, wat is Gods wil toch een mysterie. Niemand kan zijn macht en majesteit bevatten. Wie zou ooit aan zijn besluit kunnen tornen?'
'Ja, het is waar', zo troostte zij zichzelf, 'dat ik hen negen maanden heb gedragen en de barensweeën heb doorstaan. Maar hun werkelijke moeders zijn Kausalya en Kaikeyi, dat lijdt geen twijfel.' Gesterkt in dit geloof, vertrouwde zij van harte haar kinderen toe aan Kausalya en Kaikeyi en hielp hen met de liefdevolle verzorging van de baby's.
De kindermeisjes en de vele verwanten van de keizerlijke familie vonden het heerlijk om naar de kinderen te komen kijken. Zodra ze weer weg waren drong Kausalya er gewoonlijk op aan dat de riten om het boze oog af te wenden met uiterste nauwkeurigheid werden uitgevoerd. Zo groot waren haar toewijding en haar zorg voor de kinderen, dat zij nauwelijks merkte hoe de dag in de nacht overging of dat er een nieuwe dag was aangebroken. Nog geen seconde wilde zij de kinderen uit het oog verliezen! Altijd waren haar gedachten bij hen; of zij zich nu baadde of in de tempel aan een eredienst deelnam, zij wist niet hoe snel zij weer naar hen terug moest gaan. Bij al haar werkzaamheden haastte zij zich, om maar zoveel mogelijk tijd aan de verzorging van de kinderen te besteden.
Op zekere dag deed zij Rama en Lakshmana in bad; zij bewerkte hun krullen met geurige rook om ze te drogen en te parfumeren. Zij droeg hen naar hun gouden bedjes, zij zong lieve slaapliedjes en wiegde hen in slaap. Toen zij zag dat de kinderen sliepen, vroeg zij de kindermeisjes om een wakend oog op hen te houden en begaf zich naar haar eigen vertrekken, waar zij het spijsoffer aan God gereedmaakte, om in haar eigen puja-kamer de riten te volbrengen die een onderdeel waren van haar dagelijkse gebed. Zij nam de gouden schaal met het voedsel en offerde het aan God. Enige tijd later ging zij de gebedskamer weer binnen om de schaal weg te halen en een kleine hoeveelheid van het geofferde voedsel aan de kinderen te geven. Wie schetst haar verbazing toen zij Rama daar aantrof, die voor het altaar op de grond zat, met de offerande voor zich, genietend van het voedsel dat zij aan God had opgedragen? Zij kon haar ogen niet geloven! Kausalya vroeg zich af: 'Wat zie ik nu? Bedriegen mijn ogen mij? Is het waar, ja, k·n het waar zijn? Hoe kon deze baby, die in zijn wieg lag te slapen, naar de tempel komen? Wie heeft hem hierheen gebracht?' Zij vloog terug naar Rama's wieg en keek erin en wat zag zij? Een slapende Rama! Zij hield zichzelf voor dat alles op een zinsbegoocheling berustte en begaf zich naar de tempel om de kom met het voedsel, dat zij daar voor de godenbeelden neergezet had, weg te halen. De kom was leeg! Hoe was dit nu mogelijk? Wellicht hadden haar ogen haar bedrogen toen zij het kind in de tempel meende te zien, maar hoe kon zij de lege kom verklaren? Dat kon toch zeker geen gezichtsbedrog zijn?
Zo werd zij heen en weer geslingerd tussen verbazing en ongeloof. Zij pakte de schaal, die nog een kleine hoeveelheid van de offerande bevatte, en repte zich naar de wieg waarin de twee baby's lagen. Zij merkte dat Rama iets in zijn mond had dat hem goed scheen te smaken; zij keek geamuseerd naar zijn gezicht, toen zij inééns daarin het ganse universum bewegen zag. Kausalya vergat zichzelf en haar omgeving; zij stond als aan de grond genageld en staarde verbijsterd naar het unieke panorama dat zich openbaarde.
De dienaressen waren ontsteld over haar gedrag en zij slaakten bezorgde kreten maar Kausalya hoorde ze niet. Eén van de vrouwen hield Kausalya's voeten vast en schudde haar door elkaar tot zij zich weer van haar omgeving bewust werd. Met een lichte siddering kwam zij in een oogwenk weer tot zichzelf. Het drong tot haar door dat de dienaressen om haar heen stonden. Nog geheel in de ban van wat zij zojuist aanschouwd had, zette zij zich op een slaapplaats neer. Zich tot de vrouwen wendend, vroeg zij: 'Hebben jullie goed op dit kind gepast?' Zij antwoordden: 'Ja, wij zijn steeds hier geweest en hebben het geen moment uit het oog verloren.' 'Is jullie soms een verandering in hem opgevallen?', drong Kausalya aan. We hebben niets van een verandering kunnen merken en zoals u ziet is het kind in diepe slaap', was hun antwoord. Het was Kausalya een raadsel: was wat zij aanschouwd had waan of werkelijkheid? Als het waar gebeurd was, waarom was het dan de dienaressen geheel ontgaan? Zij dacht diep na en troostte zich tenslotte met de redenering dat, aangezien de kinderen waren voortgebracht door goddelijke genade, men ook moeilijk anders dan een goddelijke openbaring van hen kon verwachten. Zij verzorgde en voedde de kinderen met intense moederlijke zorgzaamheid. Zij groeiden met de dag en hun stralende schoonheid nam toe, gelijk de schittering van de wassende maan. Kausalya putte er onmetelijke vreugde uit hen te liefkozen en hen aan te kleden en met sieraden te tooien.
Rama's kinderjaren waren onbekommerd en vormden een sublieme en prachtige periode in zijn leven. Menigmaal wierp Kausalya zich aan zijn voeten, vergetend dat Hij haar kind was en vouwden haar handen zich voor Hem, omdat zij wist dat Hij goddelijk was. Terstond vroeg zij zich dan angstig af wat anderen wel zouden zeggen als zij haar zagen knielen voor haar eigen kind en haar in aanbidding zijn voeten zagen aanraken. Om haar verwarring te verbergen, sloeg zij haar ogen ten hemel en bad hardop: 'Heer! Behoed mijn kind voor kwaad en onrecht.' Steeds sloot zij haar ogen in innerlijke beschouwing van het goddelijke kind en bad God dat zij niet zou wankelen in haar geloof door de grillen van zijn maya, de macht der illusie. Zij werd getroffen door de stralenkrans om Rama's gezicht. Zij vreesde dat de anderen wellicht aan haar geestelijke gezondheid zouden gaan twijfelen als zij het geheim van haar ervaringen zou onthullen. Maar deze belevenissen voor zichzelf bewaren kon ze evenmin. Kausalya was zo in verwarring dat zij zich vaak eigenaardig gedroeg, alsof zij in vervoering geraakte door het goddelijke spel van haar zoon. Soms snakte zij ernaar om bij Sumitra of Kaikeyi haar hart uit te storten, als die in haar nabijheid waren; maar zij beheerste zich, want zij mochten eens aan de echtheid van haar ervaringen twijfelen en die toeschrijven aan overdrijving, of aan het verlangen om haar eigen zoon op te hemelen.
Uiteindelijk vatte zij moed en vertelde Dasharatha de hele wonderbaarlijke en ontroerende geschiedenis. De keizer luisterde aandachtig en sprak: 'Geliefde! Dit is niets anders dan de vrucht van je verbeelding; omdat je ·l te veel van het kind houdt, geloof je dat hij goddelijk is en beschouw je iedere beweging en handeling van hem in dat licht en komt hij je ongewoon en wonderbaarlijk voor, dat is alles.' Dit antwoord bevredigde Kausalya niet, dus troostte de keizer haar met wat drogredenen en zond haar heen naar haar eigen vertrekken. Dasharatha's beweringen hadden Kausalya niet kunnen overtuigen; zij was immers degene die de wonderlijke voorvallen met eigen ogen aanschouwd had? De woorden van de keizer hadden haar niet tot andere gedachten kunnen brengen.
Daarom wendde zij zich tot de wijze Vasishtha en raadpleegde hem over de echtheid van haar ervaringen. Hij hoorde haar relaas aan en sprak: 'Majesteit! Wat u hebt gezien is de zuivere waarheid en is niet aan uw verbeelding ontsproten. Uw zoon is geen gewoon mensenkind. Hij is goddelijk. U hebt hem tot zoon ontvangen als beloning voor vele verdienstelijke levens. Dat de verlosser der mensheid geboren werd als de zoon van Kausalya, is de unieke, gelukkige lotsbeschikking van de burgers van Ayodhya.' Vasishtha schonk Kausalya overvloedig zijn zegen en vertrok. De vorstin besefte dat de wijze ziener de waarheid gesproken had! Zij wist dat haar zoon de Goddelijkheid zelf was en het gaf haar diepe vreugde het kind gade te slaan.
Maanden gleden voorbij. Rama, Lakshmana, Bharata en Shatrughna konden nu zitten en kruipen. Het waren zeer beweeglijke kinderen, daarom werd ervoor gezorgd dat er altijd iemand was om op hen te letten, zodat ze niet konden vallen en zich bezeren. Er werd allerhande speelgoed voor hen aangeschaft, waarmee ze naar hartelust konden spelen. Zonder enig besef van tijd brachten de moeders met hun kinderen en de kinderen met hun moeders en kindermeisjes de dagen door, als was het één groot feest. Allengs konden de kinderen zich oprichten en blijven staan als zij de hand van één van de moeders of kindermeisjes vasthielden. Weer wat later konden zij zonder hulp overeind komen en zetten zij hun eerste stappen. Hun eerste pogingen en de geleverde prestaties bezorgden hun moeders grote vrolijkheid. Het grappige en lieve nabrabbelen van de kleinen deed hen in lachen uitbarsten. De moeders leerden de kinderen bapu en amma (papa en mama) zeggen en waren blij als zij de woorden goed uitspraken.
Bij het aanbreken van de nieuwe dag werden de kinderlijfjes eerst ingewreven met welriekende medicinale olie en dan met zuiverende poeder, waarna ze werden gebaad in het heilige water van de Sarayu. Hun krullen werden gedroogd in geurige wierook en hun ogen gedruppeld met collyrium, een medicinale ooglotion. Men bracht stippen aan op de wangen om het boze oog af te wenden en rituele stippen op hun voorhoofd. Zij werden gekleed in fraaie, zachte zijde en dan in schommelbedjes gelegd, waar zij sliepen als rozen bij het gezang van welluidende slaapliedjes. Als zij deze aangename taken vervulden, hadden de moeders het gevoel dat de hemel niet een plaats is die ver weg lag in ruimte en tijd, maar dat zij zich er middenin bevonden!
En dan de sieraden die de kinderen droegen! Iedere nieuwe dag nÛg weer andere en mooiere: enkelbandjes, om de heupen rinkelende snoeren van goud en edelstenen en om hun hals kettingen die bezet waren met de negen juwelen. Uit vrees dat deze harde voorwerpen de tere lijfjes konden bezeren, werden de sieraden op zachtfluwelen band en op linten vastgezet.
Het valt nauwelijks te beschrijven hoe heerlijk de kleine jongens speelden en zich op allerlei manieren vermaakten. Zodra zij konden lopen werden er jongens van hun leeftijd uit de stad gehaald om mee te spelen. De speelmakkertjes uit de stad werden verwend met heerlijke spijzen en met speelgoed. Zij werden bovendien overladen met cadeautjes. Zelfs de kindermeisjes die hen naar het paleis brachten werden rijkelijk gevoed. Kausalya, Kaikeyi en Sumitra bekommerden zich niet om hun eigen gezondheid of om enig ongemak bij het grootbrengen van hun kinderen; zo gelukkig waren zij met hen.
De eerste jaren, waarin alle aandacht werd geschonken aan het lichamelijk welzijn en de groei van de kinderen, speelden zich binnen in het paleis af. Nu ze inmiddels drie jaar oud waren, was de tijd gekomen dat de kindermeisjes hen mee naar buiten namen, waar ze op de speelplaats naar hartelust konden rennen en stoeien. Bij hun terugkomst werden zij door hun moeders verwelkomd en met grote liefde en zorg omringd. Op zekere dag, toen Dasharatha zich met zijn gemalinnen onderhield, merkte hij op dat de kinderen van de omgang met de kindermeisjes weinig zouden opsteken. Op deze manier kregen hun intelligentie en hun talenten weinig kans zich te ontplooien. Dus werd een gunstig tijdstip uitgezocht om hen in de letteren in te wijden en werden leermeesters naar het paleis gehaald om hen de basisbegrippen bij te brengen.
Vanaf die dag namen de bekoorlijke kleintjes hun intrek in het huis van hun leraar; zij legden hun kostbare prinselijke gewaden af en hulden zich in eenvoudige omslagdoeken, één om de heupen en één over de schouder. Kinderen kunnen in hun vooruitgang worden belemmerd als zij uitsluitend onder de invloed van ouderlijke liefde en zorg blijven. Daarom was het beter dat zij bij hun leraar woonden, om dag en nacht van hem te leren. Want men leert meer van ondergeschiktheid en dienstbetoon aan zijn leraar, door hem goed te observeren en zijn voorbeeld te volgen. De kinderen moesten zich voeden met de spijzen die de leraar hun voorzette. Zij straalden als de belichaming van het brahmacharin-ideaal, van de zoekers naar waarheid. Als de scheiding van hun kinderen de moeders te veel werd en zij er naar verlangden hen te zien, gingen zij naar het huis van de leraar. Het maakte hen gelukkig te merken hoe goed de kinderen vooruitgingen.
De leraar was niet minder tevreden omdat zijn leerlingen blijk gaven van standvastigheid en geestdrift. Hun intelligentie en hun verbluffend geheugen verrasten en verblijdden hem. Het viel hem op dat van alle vier Rama het meest in zijn lessen geÔnteresseerd was. Rama was zo vlug van begrip dat hij elke les foutloos kon herhalen, na hem slechts eenmaal te hebben gehoord. Zijn scherpe verstand deed de leraar versteld staan en deed hem besluiten dat Rama's ontwikkeling niet geremd mocht worden door de noodzaak om de andere drie op zijn niveau te brengen. Dus zette hij de anderen bij elkaar en gaf individuele aandacht aan Rama, die buitengewoon snelle vorderingen maakte.
Hoewel Lakshmana, Bharata en Shatrughna eveneens zeer vlijtige pupillen waren, was hun verlangen naar Rama's gezelschap en zijn kameraadschap zÛ groot, dat, zodra deze uit het gezicht was, zij alle belangstelling verloren in hun lessen en in hun plichten tegenover hun leraar. Dit had tot gevolg dat zij Rama niet konden bijhouden en enkele lessen bij hem achter waren.
Lakshmana was weleens zo vermetel om tegen zijn leraar te zeggen dat zij geen lessen of boekengeleerdheid nodig hadden. Het gezelschap van Rama alleen zou hen meer dan gelukkig maken! Voor Lakshmana was Rama het leven zelf. De leermeester bemerkte hoe merkwaardig de verstandhouding tussen de twee kinderen was en als hij er dieper over nadacht putte hij hieruit inspiratie. Het bracht hem de uitspraak van de wijze Vasishtha in herinnering, dat zij niemand anders waren dan Nara en Narayana, de onafscheidelijke goddelijke krachten.
Hoofdstuk 5: De goeroe en de leerlingen
De broers woonden bij de leraar in huis en dienden hem met grote toewijding. Zij hadden de geriefelijkheden van het paleis afgezworen en doorstonden blijmoedig de ontberingen en ongemakken in hun nieuwe omgeving. Nederig en getrouw gaven zij gehoor aan de wensen van hun meester. Binnen zeer korte tijd was hun studie voltooid en beheersten zij de vakken die hun onderwezen waren. Op zekere dag begaf keizer Dasharatha zich met zijn minister naar het huis van de leraar. Hij was buiten zichzelf van vreugde toen hij hoorde hoe zijn zonen de vedische hymnen voordroegen en hoe de heilige mantra's duidelijk en zonder haperen van hun lippen rolden, gelijk een waterval van glanzende parels. Het verheugde hem dat zijn zonen zoveel hadden geleerd.
Rama stond op, liep op zijn vader toe en wierp zich aan zijn voeten. Toen zij dit zagen, kwamen ook de drie broers naar voren en wierpen zich voor hun vader ter aarde. Vasishtha nodigde de keizer en zijn minister uit om plaats te nemen op banken die met hertevel bekleed waren. Dasharatha begon een gesprek met de leraar om van hem te vernemen hoever de kinderen met hun studie gevorderd waren. Rama gaf zijn broers een teken dat het gesprokene niet voor hun oren bestemd was. Nadat hij daartoe van zijn goeroe toestemming had gekregen, verliet Rama de kamer met zijn boeken onder de arm en beduidde de anderen hem te volgen. In alles richtten de broers zich naar Rama, wiens geringste wenk voldoende was om hen stilzwijgend te doen gehoorzamen.
Dit voorval was Vasishtha en Dasharatha niet ontgaan. Zij waren vol waardering voor het rechtschapen gedrag van Rama, omdat hij de strekking begreep van het onderhoud tussen leraar en ouder en voor de nederigheid waarmee hij had gereageerd, zowel als voor de wijze waarop hij zich gedroeg als een voorbeeld en een ideaal ter navolging voor zijn drie broers. Het verheugde hun dat de prinsen zoveel discipline hadden geleerd.
Vasishtha kon zijn gevoelens niet langer voor zich houden. Hij sprak: 'Maharadja! Uw zonen beheersen alle takken van de spirituele wetenschap. Rama kent alle morele wetten en religieuze Geschriften (Shastra's). Hij is geen gewone sterveling. Zodra ik Hem voordeed hoe Hij de Veda's moest opzeggen, herhaalde Hij ze, alsof Hij ze reeds kende. Slechts Hij die zelf deze gezangen geÔnspireerd heeft, kan ze op deze wijze nazeggen; dat kan niemand anders. De Veda's zijn geen 'boeken' die Hij in zijn vrije tijd heeft kunnen doorlezen. De Veda's zijn openbaringen aan grote zieners die door goeroes zijn doorgegeven aan hun leerlingen. Zij zijn louter door mondelinge overlevering bewaard gebleven en worden daarom aangeduid met 'shruti', hetgeen betekent 'dat wat gehoord is'. Men kan ze nergens anders dan bij de leraar vinden! Het is de goddelijke adem die vorm heeft gekregen in deze mantra' s. Nog nooit heb ik iemand gezien die de Veda's beheerst zoals Rama dat doet. Waarom zou ik 'gezien' zeggen? Ik heb zelfs nog nooit van iemand 'gehoord' die deze opmerkelijke prestatie heeft geleverd.
Ik zou u over nog veel meer bovenmenselijke verrichtingen van uw zoon kunnen vertellen. Maharadja! Als ik eraan denk hoe gelukkig ik mij mag prijzen dat ik deze jongens tot leerling mocht hebben, dan heb ik het gevoel dat het mijn beloning is voor mijn jarenlange ascese. De prinsen hoeven niet verder te leren. Nu moet hun de kunst van het boogschieten worden bijgebracht en van soortgelijke bedrevenheden die bij hun prinselijke status horen. Zij hebben hun studie onder mijn leiding voltooid en hebben zich bekwaamd in al wat ik hun kan onderwijzen. Bovendien is deze dag bijzonder gunstig voor het nemen van de volgende stap. Neemt u de prinsen nu maar mee terug naar het paleis.'
Dasharatha, die maandenlang zeer onder de scheiding van zijn zonen geleden had, stortte tranen van blijdschap bij deze woorden. Hij kon zijn vreugde niet bedwingen. Hij wendde zich tot de minister naast hem en droeg hem op het goede nieuws aan de vorstinnen over te brengen en hun te verzoeken om naar de hermitage te komen met de geschenken die leerlingen hun leraar moeten aanbieden bij het einde van de periode waarin zij onder zijn hoede geweest zijn. Sumanthra haastte zich naar het paleis en deelde het nieuws mede. Hij maakte de geschenken gereed en keerde eerder terug dan verwacht.
Intussen hadden de jongens, op aanraden van Vasishtha, hun eigendommen laten inpakken en op de wagen laten laden. Op aanwijzingen van hun vader bewezen de kinderen de goeroe eer volgens de voorgeschreven riten, gaven hem de geschenken en wierpen zich aan zijn voeten. Toen vroegen zij hem toestemming om naar huis te gaan.
Vasishtha trok de jongens naar zich toe, vatte hun handen en gaf hun een zacht klopje op hun hoofd. Hij zegende hen en gaf hun node toestemming om te vertrekken. De pijn van het afscheid deed de tranen in zijn ogen opwellen. Hij begeleidde zijn leerlingen naar de wagen en zag hoe zij erop klommen en wegreden. De jongens draaiden zich om en keken lange tijd met gevouwen handen in de richting van de goeroe. De leraar keek hen na van waar hij stond en tranen rolden over zijn wangen. Dasharatha zag hoe sterk de band was tussen de leraar en zijn pupillen, en dat verheugde hem zeer.
Terwijl de prinsen op weg naar huis waren, tradVasishtha met bezwaard gemoed de kluizenaarshut binnen. Waarheen zijn blik zich ook wendde, zag hij duisternis, zonder een sprankje licht. Hij vreesde dat de gehechtheid die zich bij hem ontwikkeld had, hem voorgoed zou kunnen ketenen en hij besloot zich aan meditatie over te geven om de opkomende vloed van de herinnering te bedwingen. Al spoedig had hij de illusie van de buitenwereld achter zich gelaten en was hij opgegaan in innerlijke gelukzaligheid. Hij besefte dat de prinsen de belichaming waren van dharma, artha, kama en moksha - de vier levensdoelen van de mens: rechtschapenheid, materiële voorspoed, vervulling van verlangen en tenslotte bevrijding - en dat zij de menselijke vorm hadden aangenomen om deze grootse idealen van een harmonieus en gezegend leven op aarde tot nieuw leven te wekken. Deze wetenschap verschafte hem volkomen vrede.
Dasharatha besloot het onderwijs dat de jongens hadden genoten aan te vullen door hen te oefenen in het gebruik van wapens. Hij ontbood dus deskundige boogschutters en andere experts om de prinsen de technieken van aanval en verdediging bij te brengen. Maar wie kan beweren dat hij iets te leren had aan deze jongens, die reeds grootmeesters waren op elk wetenschappelijk terrein? Zij speelden slechts de rol van menselijk wezen en deden alsof zij iets te leren hadden.
Wie zou Hem, die de leiding heeft van dit aardse marionettenspel, kunnen leren hoe Hij de touwtjes moet bedienen? Mensen die niet in staat waren onder de camouflage van maya hun eigen werkelijkheid te herkennen, trachtten hen op te leiden en hen te bekwamen in praktische vaardigheden die voor het materiële leven van nut zijn. De prinsen waren gekomen om de wereld voor rampspoed te behoeden; daarom moesten zij in en van de wereld zijn en de conventies van de wereld respecteren, voorzover deze aan hun doel dienstbaar waren. Gewone stervelingen konden hun handelingen niet begrijpen, want die gingen het menselijk verstand en de menselijke verbeeldingskracht verre te boven. Zij zouden machteloos zijn geweest als hun gevraagd was die daden te verklaren. Doch de mensen moesten zich de idealen eigen maken die deze prinsen in praktijk brachten. Daarom toonde Rama zich aan de buitenwereld als een gloeiende sintel die overdekt is met as,