Dit is een e-boek geschikte download.
Ga voor de online versie met de illustraties en links naar:
http://vahini.org/nedramakatha2/ramakathaned2.html

 

 

 
RAMAKATHA RASAVAHINI
Het verhaal van Râma, een stroom van heilige nectar
Deel 2

 

Over dit boek door N. Kasturi
De diepere betekenis door Sathya Sai Baba

Hoofdstuk 1: Het Woud van Danda
Hoofdstuk 2: Panchavati
Hoofdstuk 3: De Geslepen Booswicht
Hoofdstuk 4: Râma wordt Sugriva's Bondgenoot
Hoofdstuk 5: De Geslaagde Zoektocht
Hoofdstuk 6: Lankâ door Vuur Verwoest
Hoofdstuk 7: De Brug
Hoofdstuk 8: De Belegering
Hoofdstuk 9: De Onderwereld
Hoofdstuk 10: Râvana's tien Hoofden worden Afgehouwen
Hoofdstuk 11: Het Geluk Keert Weer in Ayodhyâ
Hoofdstuk 12: De Kroning
Hoofdstuk 13: Sîtâ in Ballingschap
Hoofdstuk 14: Het Einde van het Spel

 

Voorwoord door N. Kasturi - Over dit boek

Reeds eeuwenlang is de Ramayana een stroom van heilige nectar (Ramakatha Rasavahini) voor miljoenen mannen, vrouwen en kinderen, een nooit opdrogende bron van vertroosting bij verdriet, van bezieling als zij door weifeling werden overvallen, van klaarheid als zij in verwarring verkeerden en van inspiratie in ogenblikken van neerslachtigheid. Het was hun gids in benarde situaties. Het is een intens menselijk drama, waarin God de rol van mens op zich neemt en op het onmetelijke wereldtoneel ons om zich heen schaart, of wij nu volmaakt of onvolmaakt zijn, menselijk of minder dan menselijk, of wij beest zijn of demon, om ons door zijn leringen en zijn voorbeeld de gave van opperste wijsheid te schenken. Het is een verhaal dat met zijn zachte vingers de snaren van onze ziel beroert, de klare, vloeiende akkoorden oproepend van pathos, medelijden, verrukking, aanbidding, extase en overgave, die ons omvormen van het dierlijke en menselijke tot het Goddelijke, dat de kern van ons wezen is.

Er is niet één verhaal in de geschiedenis der mensheid dat zulke diepe sporen heeft nagelaten in de menselijke geest. Het reikt uit boven de mijlpalen van geschiedenis en de grenzen van aardrijkskunde. Het heeft de levenshouding en de gewoonten van generaties gevormd en op een hoger plan gebracht. De Ramayana, het verhaal van Rama, is in een groot deel van de wereld geworden als een geneeskrachtige cel in de bloedsomloop van de mensheid. Het heeft wortel geschoten in het geweten van volkeren en ze geprikkeld en voortgedreven langs het pad van waarheid, rechtschapenheid, vrede en liefde.

Door mythen en legenden, wiegeliederen en vertellingen, dans, toneel en muziek, door schilder- en beeldhouwkunst, en door rituelen, symbolen en gedichten, werd Rama de adem, de gelukzaligheid en de schat van talrijke zoekers en spirituele aspiranten. De figuren in het verhaal van Rama hebben hen genood tot navolging en tot hun eigen verheffing. Met hun roemrijke daden en hun avonturen zijn zij een schitterend voorbeeld geweest; zij hebben de wankelmoedigen gewaarschuwd tegen ondeugd en geweld, tegen hoogmoed en kleinzieligheid en hen aangemoedigd door hun voorbeeld van trouw en standvastigheid. Aan elke taal en elk dialect dat de menselijke tong heeft aangewend om aan zijn hogere verlangens uiting te geven, heeft het verhaal van Rama een unieke, verrijkende liefelijkheid toegevoegd.

Sai (Isa, God) wiens gedachte het universum is en wiens wil daarvan de geschiedenis bepaalt, is de auteur, regisseur, acteur, getuige en waardebepaler van het drama dat zich voortdurend ontvouwt in tijd en ruimte. Hij heeft zich nu verwaardigd om zelf het verhaal te vertellen van dit ene epische bedrijf uit het drama, waarin Hij de rol van Rama op zich heeft genomen. Als Rama heeft Sai zijn tijdgenoten in het treta-tijdperk onderwezen, geïnspireerd en kracht gegeven, gecorrigeerd, getroost en bemoedigd. Als Sai Rama werkt Hij nu aan diezelfde taak. Het merendeel van wat de lezers van Sanathana Sarathi de laatste jaren maandelijks met ijver en welgevallen hebben bestudeerd - als afleveringen van de Ramakatha Rasavahini - moet hun daarom zijn voorgekomen als  'gebeurtenissen en ervaringen van deze tijd' en 'tot henzelf gerichte goede raad die betrekking heeft op hun huidige vraagstukken en moeilijkheden'. Bij het lezen van deze bladzijden zullen de lezers dikwijls verrast zijn dat de Rama van dit verhaal identiek is aan de Sai Rama van wie zij nu getuige zijn.

De natuurwetenschappen hebben deze aarde gemaakt tot iets wat samengeperst is als de capsule van een ruimteschip waarin de mensheid haar lot moet ondergaan. De Sai-wetenschap (Sai-ence) is, zoals wij weten, dit ruimteschip met grote vaart aan het omvormen tot een gelukkig tehuis van liefde. Dit boek moet door Sai zijn gewild als een 'wondermiddel' van de hoogste orde, ter verwijdering van alle kwaad dat deze universele liefde in de weg staat. Het kwaad dat zich manifesteert als de morbide zucht naar sensueel genot, het stijgende gebrek aan eerbied voor ouders, onderwijzers, ouderen, geestelijke leiders en voorgangers, de rampzalige lichtzinnigheid en luchthartigheid in maatschappelijke, huwelijks- en familierelaties, het demonisch vertrouwen in geweld als middel tot het bereiken van een immoreel doel, het gemak waarmee men kiest voor terreur en marteling teneinde voordeel te behalen, als individu of groep, en zoveel meer vormen van kwaad.

In dit boek heeft Sai Rama, in zijn eigen eenvoudige, zoetvloeiende en bezielende bewoordingen, zijn goddelijke loopbaan samengevat, als Rama! Wat een groot geluk dat deze goddelijke vertelling ons in handen gegeven is, opdat zij haar stempel op onze gedachten zou drukken en haar in onze harten zou prenten! Moge de bestudering van dit boek ons tot doelmatige en enthousiaste werktuigen maken die zijn missie, het omvormen van de mensheid tot één grote familie, zullen voltooien; moge eenieder van ons tevens beseffen dat Sai Rama werkelijkheid is, de enige werkelijkheid die bestaat. Sai heeft verkondigd dat Hij dezelfde, wedergekomen Rama is, en dat Hij zoekt naar zijn vroegere metgezellen en werkers (bantu, zoals Hij ze noemde in Telugu), om hun een rol toe te wijzen in zijn huidige missie van wederopwekking tot rechtschapenheid en het leiden van de mens naar de veilige haven van vrede. Laat ons bidden, terwijl wij de eerste helft van dit verhaal overdenken, dat ook ons een rol toebedeeld zal worden en dat Hij ons ter beloning een visioen van die haven moge schenken.

N. Kasturi
Redacteur Sanathana Sarathi.

 

De diepere betekenis door Sathya Sai Baba

Râma is de inwoner van ieder lichaam. Hij is de Âtma-Râma, de bron van gelukzaligheid in elk individu. Zijn zegeningen kunnen, als zij opwellen uit die innerlijke bron, vrede en gelukzaligheid schenken. Hij is de waarachtige belichaming van de rechtschapenheid, van alle morele wetten die de mensheid in liefde samenbinden tot eenheid. De Ramâyana, het verhaal van Râma, leert ons twee lessen: de waarde van onthechting en de noodzaak tot bewustwording van het Goddelijke in ieder wezen. Geloof in God en onthechting van stoffelijk bezit zijn de sleutels tot de bevrijding der mensheid. Geef zintuiglijke gerichtheid op en je zult Râma gewinnen. Sîtâ gaf de wereld van Ayodhyâ op en kon daarom, in de jaren van Râma's ballingschap, bij Hem zijn. Toen zij verlangende blikken op het gouden hert wierp en zij er zich onweerstaanbaar toe aangetrokken voelde, verloor zij de aanwezigheid van Râma. Het afzien van wereldse verlangens brengt vreugde; gehechtheid doet lijden. Wees in, maar niet van de wereld. De broeders, kameraden, metgezellen en medewerkers van Râma, zij allen zijn een voorbeeld van mensen die vervuld zijn van dharma, de rechtschapenheid die van alle tijden is. Dasharatha vertegenwoordigt het louter lichamelijke, het gebied van de zintuigen. De drie guna's die het menselijk gedrag bepalen - harmonie (sattva), hartstocht (rajas) en passiviteit (tamas) - zijn de drie koninginnen. De vier levensdoelen - de purushartha's - zijn de vier zonen: Lakshmana is het intellect, Sugriva het onderscheidingsvermogen (viveka), Vali is de wanhoop en Hanumân de belichaming van moed. De brug is gebouwd over de oceaan van de zinsbegoocheling. De drie rakshasa-aanvoerders (demonen) zijn de verpersoonlijking van rajasische (Râvana), tamasische (Kumbhakarna)  en sattvische eigenschappen (Vibhishana). Sîtâ is de Brahmajñana, of het bewustzijn van het universele Absolute, dat het individu moet verwerven en zich opnieuw eigen maken, terwijl hij de vuurproef van het leven ondergaat. Maak je hart zuiver en sterk door diep na te denken over de grootsheid van de Ramâyana. Wees onwankelbaar in het geloof dat Râma de werkelijkheid vertegenwoordigt van je bestaan.

-BABA-

 

Hoofdstuk 1: Het woud van Danda

Terwijl Bharata te Nandigrama zijn tijd in afzondering doorbracht in voortdurende beschouwing van Râma, prezen Sîtâ, Râma en Lakshmana, die zich op de Chitrakuta-berg daar ver vandaan in het woud bevonden, zijn toewijding en trouwe plichtsbetrachting. Zij voelden zich gelukkig in hun vredig onderkomen in het woud.

Op zekere dag ondernam een dwaas genaamd Jayantha een poging Râma's moed te testen. Dit was een absurde en hachelijke onderneming die gelijk staat aan de poging van een mier om de diepte van de oceaan te peilen! Een duivelse ingeving bracht hem ertoe zich in een kraai te veranderen. In die gedaante vloog hij op Sîtâ af die, naast Râma gezeten, verzonken was in de aanblik van het landschap dat zich voor hen uitstrekte. Met zijn scherpe snavel pikte hij naar de zool van haar zachte voet, waardoor hij haar tot bloedens toe verwondde. Toen Râma het bloed zag vloeien, trok Hij een droge grashalm uit de grond en wierp die naar de kraai. Râma zal nimmer iemand krenken die geen kwaad heeft gedaan, maar indien nodig en onvermijdelijk, zal zelfs Rahu de maan opslokken, nietwaar? Dit geldt ook voor Râma, die een onschuldige nimmer leed zal berokkenen. Door zijn wil veranderde de grashalm in een enorme vlam die op Jayantha afvloog. Toen deze poogde te ontkomen, werd hij overal waar hij ging meedogenloos door het vuur achtervolgd. De machteloze en angstige kraai nam zijn oorspronkelijke gedaante weer aan. Jayantha wierp zich aan Râma's voeten en smeekte om redding. Toen Indra, de koning der hemelbewoners, vernam wat er was geschied en hoorde dat de boosdoener zijn eigen zoon was, betuigde ook hij zijn berouw over diens vermetelheid en gebrek aan eerbied.

Jayantha wierp zich ter aarde voor Râma en smeekte om genade. Hij sprak: 'Ik ben een dwaas. Ik besefte niet hoe laaghartig ik handelde. Bewaar mij voor uw toorn en verlos mij van het vuur.' Râma had medelijden met de arme man nu hij zich zo deemoedig betoonde. Hij benam Jayantha het licht van één oog, doch liet hem in leven. Hij zond hem heen als een eenogig individu. Râma deed de werking teniet van het vlammende projectiel, waardoor de grashalm terugkeerde tot zijn natuurlijke staat. Jayantha was dankbaar dat hij, gezien de afschuwelijke misdaad die hij had begaan, er vanaf gekomen was met deze lichte straf. Hij verbleef lange tijd op de Chitrakuta-berg waar Sîtâ, Râma en Lakshmana woonden. Op zekere dag, de tiende dag van de wassende maan van de maand Mârgas'îrsha [november/december], beval Râma Jayantha zich naar het zuiden te begeven.

Ook Sîtâ, Râma en Lakshmana verlieten Chitrakuta en gingen op weg naar de âs'ram van Atri, de grote wijze [muni]. Atri had reeds van zijn leerlingen gehoord dat Râma voornemens was zijn kluizenaarsverblijf te bezoeken. Dus toen Râma de âs'ram naderde, liep Atri een eindweegs het bospad op om Râma, Sîtâ en Lakshmana te verwelkomen. Atri was zozeer door vreugde overmand door het bezoek dat hij het beschouwde als een teken van Gods genade, dat in zijn vervoering de tranen rijkelijk vloeiden. Hij verklaarde dat hierdoor het hoogste doel van zijn leven werkelijk was bereikt. Op deze dag wierp zijn ascese eindelijk haar vruchten af. 's Avonds riep de wijze Atri zijn leerlingen bijeen. Voor Râma plaatste hij een zetel op een verhoging, tegenover de aanwezigen. Zijn vrouw Anasûyâ had intussen gezorgd dat het Sîtâ aan niets ontbrak en had vervolgens ook haar naar de samenkomst geleid. Aan allen die daar bijeen waren, beschreef Atri omstandig dat deze plechtige ogenblikken heilig waren, welke vermogens Râma, Sîtâ en Lakshmana bezaten en welke goddelijke krachten er in hen belichaamd waren. Anasûyâ prees bovendien de deugden van Sîtâ, die zij heilige adviezen gaf aangaande de plichten van de vrouw en de idealen die zij te allen tijde moest hooghouden. Sîtâ zette uiteen dat elk individu, elk wezen en elk schepsel het vrouwelijke principe in zich draagt. Hoewel er mannelijke en vrouwelijke rollen zijn op het wereldtoneel, zijn zij allen van nature vrouwelijk wat hun kracht, emotie en geesteshouding betreft. Zij verklaarde dat haar Heer Râma de belichaming was van het enige zuiver mannelijke principe in het universum. 'Er is in Hem geen spoor van dualiteit, van mijn en dijn, van vreugde of verdriet. Hij is de verpersoonlijking van onverschrokkenheid en kracht. Purusha, het eeuwig-mannelijke, heeft zich verenigd met prakriti, de natuur ofwel het eeuwig-vrouwelijke. Hoewel de natuur zich in ontelbare, verschillende gedaanten vertoont, is zij in werkelijkheid een ondeelbare Eenheid.' Aldus onthulde Sîtâ de waarheid van het Râma-principe aan Anasûyâ, de vrouw van de wijze Atri. Râma, Sîtâ en Lakshmana brachten een zeer gelukkige tijd door in de âs'ram van de wijze Atri. Zij dienden de bewoners en leerlingen van goed advies over allerlei vraagstukken met betrekking tot zedelijk gedrag.

Toen brak het ogenblik aan om afscheid te nemen en de tocht door het woud te hervatten. De âs'rambewoners stortten tranen van droefheid bij het afscheid. Ondanks hun vastberaden pogingen om Râma te volgen gedurende de daarna volgende fasen van zijn verblijf in het woud, moesten zij achterblijven en terugkeren tot het bestaan waaraan zij hun leven hadden gewijd. Hulpeloos moesten zij toezien hoe de goddelijke Meester van hun hart uit het oog verdween.

Het woud weergalmde van het gebrul van de verscheurende dieren die er rondzwierven op zoek naar prooi. Hoog in de bomen zongen allerlei bontgevederde vogels hun lied. Elk van de zangers had zijn eigen schoonheid en melodie. Hun roepen en koeren streelde het oor. Het was alsof het gezelschap terecht was gekomen in een nieuwe, opwindende wereld. Terwijl zij door dit gebied liepen, dat van een ontzagwekkende grootsheid was, ontwaarden zij plotseling een aantrekkelijk kluizenaarsverblijf met in het midden een pittoreske tempel. Lakshmana liep vooruit om een pad te banen en het struikgewas opzij te schuiven dat er overheen groeide. Hij brak de doornige klimplanten af die voor zijn hoofd hingen en de voetreizigers zouden kunnen verwonden. Hierna konden Râma en Sîtâ veilig het pad volgen dat Lakshmana had vrijgemaakt. Bij het naderen van de âs'ram zagen zij een prachtig aangelegde tuin voor zich liggen. De liefderijk verzorgde bomen met vruchten en bloesems rezen sierlijk uit de grond met hun bladerkroon vol schoonheid. De takken bogen zich onder het gewicht van de rijpe, sappige vruchten. Sîtâ was opgetogen en vergat haar moeheid, zo verzonken was zij in de sfeer van hemelse vrede en vreugde waarin zij terechtgekomen was. Zij liep achter Râma aan en dronk de schoonheid in van de haar omringende natuur.

Toen enkele bewoners van de âs'ram het drietal zagen naderen, repten zij zich naar hun goeroe. Deze spoedde zich naar de hoofdpoort om Râma, Sîtâ en Lakshmana te verwelkomen. Tranen van blijdschap stroomden over zijn wangen. De bezoekers werden met gepaste gastvrijheid ontvangen. Zij werden naar binnen geleid, waar hun een koele, verfrissende drank werd aangeboden en smakelijke vruchten en knolgewassen. De gasten aanvaardden hun goede zorgen met groot genoegen en namen deel aan de eenvoudige maaltijd. In de avond namen zij een bad en volvoerden zij de voorgeschreven rituelen. Râma sprak tot de bewoners over de ideale wijze van handelen en optreden. Hij stond hun toe vragen te stellen over onzekerheden die hen in verwarring brachten en over ingewikkelde onderwerpen met betrekking tot de verklaring der heilige geschriften. Men greep deze gelegenheid met beide handen aan. Râma gaf grondig en duidelijk tekst en uitleg in eenvoudige en overtuigende taal. Het lijdt geen twijfel dat de âs'rambewoners die dag de hemel op aarde beleefden. Zij spraken er opgetogen over met elkaar dat het ervaren van Râma' s tegenwoordigheid even verheffend was als het contact met God Zelf in de hemel.

Bij het aanbreken van de dag baadden Râma, Sîtâ en Lakshmana zich en volvoerden de ochtendrituelen. Hierna maakten zij zich gereed om te vertrekken, ondanks de smeekbeden van de âs'rambewoners om te blijven. Zij wierpen tegen dat geen mens hun beloften en voornemens in de weg mocht staan. Zij hadden besloten, zo zeiden zij, dat zij in geen enkele âs'ram of andere plaats langer dan een nacht zouden verblijven.

Toen zij eenmaal op weg waren en door het woud liepen, verscheen plotseling een afzichtelijke gedaante. Het was Viradha, de verschrikkelijke menseneter, die dreigend op hen afstormde. Sîtâ schrok natuurlijk van de onverwachte verschijning, doch weldra vatte zij moed, wetend dat zolang de 'Leeuw' Râma er was om haar te beschermen, zij geen reden had bevreesd te zijn voor de 'kreupele vos' die op hen afkwam. 'Laat hem maar brullen', sprak zij zichzelf geruststellend toe. Zij stond achter Râma en wachtte de verdere gebeurtenissen af. Intussen schoot Lakshmana de eerste scherpe pijl naar het monster, die weldra door vele andere werd gevolgd. Toen Viradha door de pijlen gewond raakte, veranderde hij in een laaiende furie die zich als de belichaming van dood en verderf op Lakshmana wilde storten. Râma merkte dat Zijn broer door de strijd de uitputting nabij was. Hij zette een pijl met een sikkelvormig uiteinde op zijn geduchte boog en schoot deze op het bloeddorstige monster af. Râma's pijl verbrijzelde de vervaarlijke drietandige speer waarmee de reus stond te zwaaien en hieuw toen het monster het hoofd van de romp. Op datzelfde ogenblik verrees een stralende, hemelse gestalte uit het dode lichaam!

Viradha was als mensenetende reus ter wereld gekomen ten gevolge van een aan zichzelf te wijten vervloeking, die zijn goddelijke meester Kubera [of Kuvera] over hem had uitgesproken. In zijn vorige leven had hij Kuvera gediend, als een van een schare hemelse engelen, de Gandharva's. Kuvera had later medelijden met Viradha gekregen en hem beloofd dat zijn leven als demon zou eindigen op hetzelfde ogenblik dat hij door een pijl uit Râma's boog zou worden gedood. Hij zou dan wederom in Kuvera's nabijheid mogen verkeren als Gandharva. Nu wierp hij zich aan de voeten van zijn verlosser. Hij prees en verheerlijkte Hem alvorens terug te keren naar zijn oorspronkelijke verblijfplaats. Râma begroef het reusachtige lichaam van de demon, dat nog op de grond was achtergebleven. Tevens voerde Hij de riten uit die bij een dergelijke teraardebestelling zijn voorgeschreven. Op dat ogenblik viel er een zachte regen op de groeve, alsof de hemelgoden tranen van vreugde schreiden om het door Râma getoonde mededogen.

Râma begaf zich vervolgens naar de vermaarde âs'ram van de wijze Sarabhanga. Juist toen Râma de âs'ram naderde, spraken de asceten en monniken met elkaar over de verwoesting die was aangericht door de vijandelijke aanvallen van Râvana, de koning der demonen. Zodra Râma, Sîtâ en Lakshmana midden in hun gesprek verschenen, wisten de âs'rambewoners wat de betekenis was van hun bezoek en beseften zij dat het met hun vrees voor Râvana spoedig gedaan zou zijn. Toen de wijze Sarabhanga Râma's gestalte zag, die van een goddelijke bekoorlijkheid was, kon hij zijn ogen nauwelijks geloven. Hij vroeg zich af of hij droomde, aan zinsbegoocheling leed, of een ongewone ervaring had ten gevolge van overijverige meditatie. Het duurde echter niet lang aleer hij besefte dat het werkelijk Râma was die hij voor zich zag en dat hij daarom zo gelukkig was. Hij was in opperste vervoering omdat zijn lang gekoesterde doel bereikt was. Hij wist dat zijn ascese eindelijk was gezegend met de verwezenlijking van zijn diepste verlangen.

Sarabhanga verwelkomde zijn gasten met gulle gastvrijheid. Hij prees en verheerlijkte Râma naar hartelust. 'Râma! U bent de hemelse zwaan (hamsa) die zich vol majesteit beweegt over de kalme meren van de geest der wijzen. O, op deze dag is het doel van mijn leven verwezenlijkt', sprak hij. 'Râma! Ik ben mij niet bewust enige spirituele discipline beoefend te hebben die deze naam verdient. Ik heb u mogen veroveren door slechts een pad te volgen: het pad van de liefde. Nu mijn ogen u hebben aanschouwd, hoeven zij niets anders meer te zien. U hebt uw woord gegeven dat u op een dag als deze de wensen van de wijzen zou vervullen. Welnu, vandaag moet u deze gelofte inlossen. Mijn wens is deze: blijf in deze bekoorlijke gedaante voor mij staan tot ik de laatste adem uitblaas. Sta mij toe dat ik mij van dit lichaam ontdoe terwijl mijn ogen op u gevestigd zijn', smeekte hij.

Binnen enkele minuten werd er een brandstapel in gereedheid gebracht. Sarabhanga besteeg de houtstapel en deze werd aangestoken. Hij zat er onbekommerd bovenop met ogen die straalden van vreugde en geestvervoering omdat zij rustten op Râma. Zijn oogleden knipperden niet en zijn blik bleef strak op Râma gericht. Met het beeld van Râma, Sîtâ en Lakshmana in het hart, gaf Sarabhanga zijn lichaam over aan de vlammen tot er een handvol as overbleef. De blauwe, kalme oceaan van zijn hart weerspiegelde de blauwe gestalte van Râma, die hij tot zijn laatste ogenblik had aanbeden. Sarabhanga's ziel verenigde zich met het Universele Absolute dat hem wachtte.

Ofschoon de âs'rambewoners aanvankelijk diep bedroefd waren over het heengaan van hun geestelijk leidsman en meester, beseften zij spoedig dat Sarabhanga buitengewoon bevoorrecht was, omdat hij was gezegend op een wijze die aan weinigen is vergund. God Zelf was in menselijke vorm voor hem verschenen en had hem de zegen geschonken van eenwording met zijn majesteit en heerlijkheid. Het was alsof ook zij hun deel hadden ontvangen van dit geschenk van goddelijke genade. Zij aanbaden Râma en verheerlijkten zijn naam in alle toonaarden. Zij riepen: 'Gegroet! Victorie!' en brachten met eerbiedige dankbaarheid wat as van hun meester op hun voorhoofd aan. Het nieuws van Sarabhanga's opoffering bracht weldra de bewoners van andere âs'rams naar de hermitage. Deze asceten en wijzen wierpen zich aan Râma's voeten en prezen Hem en zijn missie van mededogen. 'Heer! Hoe fortuinlijk was Sarabhanga!' riepen zij uit. 'Menige wijze is reeds ten prooi gevallen aan de nietsontziende gewelddadigheid van de Rakshasa-stam der demonen in dit gebied. Sarabhanga is echter gezegend door de Heer zelf. Hij offerde zijn lichaam en zijn leven aan Hem. Heer! Verlos ons van die roofzuchtige vijanden. Sta ons toe dat wij onze spirituele oefeningen en boetedoening voortzetten zonder de invallen van deze demonen. En uiteindelijk, o Heer, schenk ons de genade waarop wij hopen: de aanblik van uw tegenwoordigheid', zo smeekten zij.

Intussen was er een wijze genaamd Sutikshna naar voren gekomen en deze wierp zich thans voor Râma ter aarde. Hij was een leerling van de befaamde Âgastya. Zijn toewijding kende geen grenzen en zijn hart was vervuld van Râma. Hij geloofde stellig dat men God slechts kan bereiken door middel van liefde. Hij kon zich geen andere vorm van God voor de geest halen dan die van Râma. Hij hield zijn ogen op Râma gevestigd zonder met de oogleden te knipperen, opdat zelfs die fractie van tijd niet verloren zou gaan. De aanblik van Râma deed zijn hart smelten van liefde en verering. Hij sprak: 'Heer! Bent u helemaal naar hier gekomen om mij te zegenen? Kunt u mij niet doen opgaan in de liefde, die u zelf bent? Nu u in deze zichtbare vorm ter wereld bent gekomen, verlangt u nog steeds dat ik het vormloze Absolute blijf aanbidden, zoals ik tot nu toe heb gedaan? Neen. Ik heb deze vorm en naam lief. Ik ken geen enkele rite en geen ritueel voorschrift. Het enige wat ik weet is dat u, die de belichaming bent van liefde, door liefde verworven kunt worden. Mijn vurige verlangen is de enige verdienste die ik heb vergaard. Het is de enige ascese die ik mijzelf heb opgelegd. Zegt u mij: is dat niet genoeg? O, verlosser van de beproeving van geboorte en dood! Er is geen vorm van aanbidding zo doeltreffend als dienstbetoon aan de Heer door middel van liefde, nietwaar? Zingen van uw heerlijkheid en mediteren op uw glorie en daar al doende onuitsprekelijke gelukzaligheid aan ontlenen - is er ook maar iets dat grotere vreugde schenkt?' vroeg hij.

Sutikshna danste in het rond. Hij was zich niet langer bewust van zijn omgeving of zijn handelingen en er stroomden tranen over zijn wangen. Degenen die de innerlijke vreugde die hij ervoer niet konden peilen, moesten hem wel voor krankzinnig houden. Râma wist hoe groot het verlangen was dat de wijze bezielde. Hij trok Sutikshna naar zich toe en omhelsde hem vol liefde. Hij sprak zachte, zoete woorden om hem weer bewust te maken van zijn omgeving. Terwijl Râma zijn handen vasthield, geraakte de grote wijze in de hoogste bewustzijnstoestand (samâdhi). Hij stond daar als een standbeeld, roerloos en in volmaakt evenwicht. Râma bracht hem weer terug tot het alledaagse bewustzijn. Zodra hij was bijgekomen, wierp hij zich languit aan Râma's voeten.

Sutikshna hief de handen boven zijn hoofd en met de handpalmen tegen elkaar in aanbidding, uitte hij zijn vreugde in volle overgave. Hij sprak: 'Heer! U bent de vuurzee die het woud der illusie waarin de mens verdwaald is, met de grond gelijk maakt. U bent het zonlicht dat de lotus in het hart van goede mensen doet bloeien vol schoonheid en geur. U bent de koning der wilde dieren die gekomen is om de horden van demonische olifanten te verdelgen. U bent de adelaar die de vogel opjaagt en vernietigt die van het ene leven naar het andere fladdert, in een zich herhalende cyclus van geboorte en dood, van vreugde en verdriet. Heer! Uw ogen zijn liefelijk als lotusbloemen. Mijn eigen ogen kunnen onmogelijk alle schoonheid van uw stralende gedaante in zich opnemen. U bent de maan die haar verkoelend licht laat schijnen om de twee chakora-patrijzen, de ogen van Sîtâ, in verrukking te brengen. Als de hemelse zwaan laat u zich blij te moede drijven op de koele meren in de harten der wijzen. U bent de Garuda die aast op de slangen die kronkelen in de geest van twijfelaars en ongelovigen en deze verdelgt. Alle wreedheid, verwarring en rampspoed zullen verteerd worden door een enkele korte blik uit uw ogen.'

Aldus zong Sutikshna Râma's lof in alle toonaarden, zich verheugend dat hij daartoe de gelegenheid kreeg. Hij greep bovendien de kans om zijn blik zo vast op de Heer te vestigen dat diens beeld voor altijd in zijn ziel gegrift zou zijn. Hij was zich niet bewust van tijd of duur, noch van de behoeften van zijn lichaam. Zijn ogen knipperden niet eenmaal terwijl hij naar Râma keek en diep Râma's glorie indronk. Râma sloeg Sutikshna enige tijd gade, vatte hem toen bij de schouders en richtte hem op. Hij sprak: 'Sutikshna! U bent begiftigd met alle begeerlijke deugden. Vraag mij wat u wenst, want ik zal u zegenen met alles waarnaar u verlangt.' De wijze antwoordde: 'O, vriend en verwant van allen die bedroefd en bevreesd zijn! Dit is mijn wens: verblijf voor eeuwig diep in mijn hart, samen met Sîtâ en Lakshmana.' Râma sprak: 'Het zij zo.'

Toen begaf Râma zich in het gezelschap van Sutikshna en gevolgd door Sîtâ en Lakshmana naar de âs'ram van Âgastya. Al spoedig nadat zij op weg waren gegaan, hoorden zij het geruis van stromend water. Toen zij op het geluid afkwamen en de rivier naderden, werd nabij het water een berg zichtbaar. Op de voorgrond lagen prachtige bloementuinen en, als een lotus die ligt te pronken in het midden van een meer, lag daar de bekoorlijke hermitage van Âgastya op een tapijt van geurige bloemen. Er zijn geen woorden om de schoonheid van dat tafereel te beschrijven. Sîtâ, Râma en Lakshmana standen een ogenblik roerloos van bewondering bij bet zien van deze betoverende pracht. Er heerste een sfeer van wonderbaarlijke spiritualiteit. Dieren die van nature elkaars vijanden zijn, waterdieren, landdieren, wilde dieren en allerlei soorten vogels, speelden met elkaar en leefden hier bijeen zonder enige vrees of vijandschap. Aan de oever van de rivier zagen ze vele monniken en asceten zitten, in meditatie verzonken.

Toen het gezelschap de âs'ram naderde, snelde Sutikshna vooruit om zijn meester voor te bereiden op de komst van Sîtâ, Râma en Lakshmana. Hij wierp zich aan Âgastya's voeten en sprak: 'O, grote leermeester! O, belichaming van genade! De prins van Ayodhya, die de ware verdediger is van dit universum, is zojuist in onze âs'ram aangekomen samen met Sîtâ en Lakshmana. Diegene die u hoopte te mogen dienen en voor uw geestesoog te zien door middel van jarenlange spirituele oefeningen, ongeacht welk uur van de dag of nacht, die is naar u toegekomen en is nu nabij. O! Wat een grote, gelukkige dag is dit! Wat zijn wij fortuinlijk.' Sutikshna vergat zichzelf en raakte in extase.

Bij het horen van die woorden verhief Agastya zich plotseling van zijn zetel en liep snel naar buiten. Toen hij het drietal naar zich toe zag kamen, liet hij zijn tranen de vrije loop. Hij haastte zich naar hen toe, roepend: 'Heer! Heer!' Hij drukte Râma aan zijn boezem en dacht er niet over Hem los te laten. Hij stond met de armen om Râma heen en klampte zich aan Hem vast zoals een klimplant zich hecht aan een boomstam. Agastya kon de vreugde die in hem opwelde niet bedwingen toen hij Râma, Sîtâ en Lakshmana zijn kluizenaarsverblijf binnenleidde. Hij verzocht hun plaats te nemen op hoge zetels. Hij liet vruchten en zoete knolgewassen brengen en bood deze zijn gasten aan. Toen informeerde hij naar het verloop van hun reis en terwijl Râma zijn vragen beantwoordde, luisterde Agastya met de ogen gesloten van gelukzaligheid. De vreugdetranen stroomden over zijn wangen. Een gelukkige glimlach speelde over zijn gelaat. Tenslotte sprak hij: 'Heer! Ik ben ervan overtuigd dat er geen gezegender mens bestaat dan ik. Heer Nârâyana zelf is tot mij gekomen. Hij is te gast in mijn âs'ram! Kan dit waar zijn? Is het een droom? Neen. Ik verbeeld het mij niet, dit is de werkelijkheid.' Met woorden van dankbaarheid en overgave uitte hij zijn vreugd.

Râma sprak: 'O, vorst onder de monniken! Ik heb niets voor u te verbergen. U weet maar al te goed waarom ik naar dit woud gekomen ben. Zeg mij wat ik moet doen om dit demonengebroed, de Rakshasa's, te vernietigen, zij die de wijzen en monniken belemmeren in hun ascetische levenswijze. Zeg mij hoe ik Gods toegewijde dienaren kan beschermen en behoeden voor gevaar. Ik zal ernaar handelen en wacht op uw aanwijzingen. In het koude seizoen van Hemant verdorren en sterven de lotusbloemen. Thans breekt het seizoen aan dat de levenssappen van de Rakshasa's zullen uitdrogen.'

Râma's woorden deden Agastya glimlachen. Hij antwoordde: 'Heer! U bent alwetend. Waarom u mij vraagt wat u moet doen, weet ik niet. Ik weet niet zeker of u mij zegent of op de proef stelt. Dankzij uw genade, waardoor ik u heb mogen aanschouwen (darshan), aanraken (sparshan) en horen spreken (sambhashan), kan ik de betekenis van uw verzoek doorgronden. Ook dat is uw genade. Mâyâ, uw schepping en uw marionet, de slaaf aan uw voeten, is altijd waakzaam. Het lichte optrekken van uw wenkbrauwen is voor haar voldoende om uw bevelen uit te voeren. Met de door u verleende vermogens schept mâyâ alle wezens op aarde en in de hemel. Uw mâyâ is onoverwinnelijk. Alle schepselen worden eindeloos door haar gekweld, dat wil zeggen degenen die aan haar intriges ten prooi vallen. Dat is een feit. Iedereen weet dat uw mâyâ is als een wijdvertakte vijgenboom. De hemellichamen in de kosmos zijn als de vruchten aan die boom. De schepselen die in die kosmos leven, zijn als de wormen en larven die de vruchten binnendringen. De vrucht mag er aan de buitenkant prachtig uitzien, doch als men haar openmaakt, ziet men er honderden wormen in krioelen.

Degenen die gehecht zijn aan deze uiterlijke wereld en haar vergankelijke schatten vrezen u, aangezien u, die de Tijd zelf bent, onverbiddelijk hun plannen in duigen doet vallen. De gehele kosmos is een verschijningsvorm van uw werkelijkheid. Râma! Alle werelden aanbidden u. U vraagt mij om raad alsof u een gewone sterveling zou zijn en u prijst mij zoals de mensen dat doen. Dat vind ik zeer vermakelijk. Alle wereldse aangelegenheden laten mij volkomen koud. Mijn enige wens is dat u, met Sîtâ en Lakshmana, in onze âs'ram verblijft. Dat is alles wat ik van u vraag. Ik vereer liever uw vorm, met alle eigenschappen, dan uw principe, dat zonder vorm is. Daarin geloof ik en dat onderwijs ik. Dat is mijn ideaal, mijn diepstbegeerde doel en streven.

Verleen mij daarom deze gunst. Het is uw spel om uw dienaren te verheffen en zelf op de achtergrond te blijven, alsof u overal onschuldig aan bent en van niets weet! Verhef mij echter niet en vraag mij niet om u aanwijzingen te geven. Het is mijn plicht met uw wensen in te stemmen, ze te aanvaarden en u te volgen. Vader! Verlok mij niet tot uw mâyâ, waardoor ik tot egoïsme verleid word en het doelwit van uw spel.'

Hierop sprak Râma: 'O, vereerde wijze! U kent dit gebied goed, dus wat steekt er voor kwaad in als u mij vertelt welke plek ik als vestigingsplaats moet uitkiezen? Iedereen zou zoiets toch van u mogen verwachten, nietwaar?' Agastya antwoordde: 'Meester! Omdat u mij aldus hebt bevolen, zal ik onvoorwaardelijk gehoorzamen en u antwoord geven. Dicht bij deze plaats stroomt de heilige rivier de Godavari. Deze stroomt daar reeds eeuwenlang in volle glorie. Aangrenzend ligt het woud van Danda. Wanneer dit geheiligd zou worden doordat u er uw verblijfplaats kiest, dan zou u alle monniken en wijzen die er wonen ten volle geluk en tevredenheid schenken. Want dat gebied en zijn landvoogd worden geteisterd door een vloek die op hen rust.'

Hier onderbrak Râma de wijze met de woorden: 'Meester! Sîtâ zou gaarne de geschiedenis van die vervloeking horen. Wilt u ons alle bijzonderheden daarover vertellen?' Agastya doorzag dit verzoek en daarom sprak hij Râma aan met de benaming: 'O, Regisseur van dit eeuwigdurende toneelstuk! Eens brak er hongersnood uit in het Panchavati-gebied. Alle monniken en asceten die er woonden, zochten hun toevlucht bij de âs'ram van de wijze Gautama. Hij kon hun alles geven wat zij nodig hadden door de vermogens die hij had verworven tengevolge van zijn ascese! Toen de hongersnood voorbij was, besloten de monniken terug te keren naar hun oude hermitages. Er waren evenwel enkele pseudo-monniken die tegen Gautama samenspanden en plannen smeedden om zijn naam in opspraak te brengen. Zij kwamen met een koe die de dood nabij was en leidden het dier de tuin van de âs'ram binnen, naar een bijzonder groen en aantrekkelijk plekje. Gautama zag dat zij op het punt stond een prachtige bloem af te bijten en trachtte haar te verdrijven. Doch bij de eerste zachte duw viel de koe neer en blies de laatste adem uit! De samenzwerende monniken beschuldigden Gautama prompt van koemoord (go hathya), een afschuwelijke zonde. Zij veroordeelden hem als een verworpene en een heiden. Gautama wilde weten of de koe stierf als gevolg van de duw, of omdat haar toegemeten spanne tijds ten einde was. Hij verzonk in diepe meditatie om een antwoord te vinden op die vitale kwestie. Weldra werd hem geopenbaard dat het slechts een list betrof die vijandige monniken tegen hem hadden gebruikt. Hun verachtelijke aard vervulde hem met afschuw. Hij sprak: "Moge dit woud, dat verontreinigd is door dergelijke laaghartige individuen, verboden terrein worden voor alle goede en heilige mensen. Moge het de verblijfplaats worden van demonische yaksha's."

Er vond verder nog iets plaats dat de uitwerking van deze vloek verergerde. De heerser van dit gebied, Danda genaamd, schond de maagdelijkheid van de dochter van zijn eigen geestelijk leidsman Bhrigu. Toen deze het deerniswekkende verhaal van zijn dochter had aangehoord, bedolf hij in opperste woede het gehele gebied onder een regen van stuifaarde. Zo werd deze streek een grote modderpoel. Na verloop van tijd veranderde deze in een ondoordringbaar oerwoud. De streek heet nu: het woud van Danda (Dandakaranya), naar deze beruchte heerser. Râma! Kroonjuweel der Raghu-dynastie! Ik ben ervan overtuigd dat wanneer u in dat woud gaat wonen, de rakshasa's in groten getale zullen verdwijnen en de vloek zal worden opgeheven. De monniken en asceten (sadhaks) kunnen zich daar dan wederom terugtrekken om hun ascetische levenswijze voort te zetten. Deze reiniging zal tevens de afsluiting vormen van een periode en zal de gehele mensheid ten goede komen. Ik kan u zeggen dat u de wijze die de vervloeking destijds uitsprak, ook gelukkig zult maken, want de gevolgen van zijn toorn bedroeven hem zeer.'

Nadat Agastya de geschiedenis van het woud had verteld, sprak Râma: 'Welnu, het zij zo. Ik zal mij daar vestigen.' Hij nam afscheid van Agastya en maakte zich gereed om samen met Sîtâ en Lakshmana naar het Danda-woud te vertrekken. Aleer zij de âs'ram verlieten, haalde Agastya enkele wapens tevoorschijn die hij door ascese had verworven uit goddelijke bronnen. Hij overhandigde deze aan Râma en zei dat hij deze zelf niet wenste te hanteren. Zij behoorden nu toe aan iemand die de wapens verdiende en ze voor een heilig doel kon gebruiken. 'Râma!' sprak hij, 'U bent mijn schild, mijn sterkte en de bron van mijn vermogens. Deze wapens kunnen mij niet beschermen. U kunt dat wel. Uw genade is het krachtigste wapen dat ik bezit. U bent mijn toevlucht, mijn vesting, mijn ondoordringbaar schild.'

Op hetzelfde ogenblik dat Sîtâ, Râma en Lakshmana de dichtbegroeide wildernis van Danda betraden, vulden de uitgedroogde bomen zich opnieuw met levenssappen en werden zij overdekt met fris, groen gebladerte dat ritselde in de wind. Verwelkte en slaphangende klimplanten werden weer springlevend en brachten trossen zoetgeurende bloemen voort. Het woud hulde zich al snel in weelderig groen en overal verschenen stipjes van bloesems in vele kleuren. Het drietal ging op zoek naar een plek om te wonen en bereikte weldra de plaats die Agastya had aangewezen en die bekend staat als Panchavati. Daar ontmoetten zij de oude Jatayu, het hoofd der arenden. Hij was een grote vriend van Dasharatha en vergezelde hem op zijn expeditie in de ruimte, om hemelbewoners te hulp te komen. Râma vertelde Jatayu het droeve nieuws van Dasharatha's dood en verzachtte zijn gevoel van verlies en treurnis. Râma sprak over zichzelf en Sîtâ, over Lakshmana en de andere broers en deelde hem mee dat zij van plan waren een strohut te bouwen aan de oever van de Godavari. Jatayu werd een goede vriend en door hem kregen zij een beter beeld van hun omgeving. Die nacht brachten zij door onder een grote boom, verzonken in een diepe en verkwikkende slaap.

Hoofdstuk 2: Panchavati

Het was Râma's wens om langere tijd in het Panchavati-gebied aan de Godavari te blijven. Dus toen Hij lag te rusten in de koele schaduw van een breedgetakte boom, riep Râma zijn broer bij zich en sprak: 'Lakshmana! Broer! Kies ergens in deze omgeving een mooie, geriefelijke plek uit en bouw daar een aardige, kleine hut, zo mooi als je maar wilt.' Deze opdracht trof Lakshmana als een dolkstoot! Hij kon de pijn niet verdragen. Hij wierp zich aan Râma's voeten en riep vertwijfeld uit: 'Zeg me wat ik heb misdaan om dit wrede bevel te verdienen!' Sîtâ en Râma waren zeer verbaasd over deze reactie van Lakshmana. Râma sprak: 'Lakshmana! Ik begrijp niet waarom je zo bedroefd bent. Heb Ik je ooit hardvochtig bejegend? Heb Ik misschien mijn verstand verloren dat Ik in scherpe, onaangename bewoordingen tegen jou of iemand anders spreek? Jij zorgt voor alles wat Ik nodig heb en vervult al mijn wensen. Je dient mij met hart en ziel. Hoe zou Ik je dan wreed kunnen bejegenen? Je verdriet is zinloos en ongegrond. Wat heb Ik zojuist eigenlijk tegen je gezegd? Slechts dit: zoek een plek uit die je bevalt en bouw daar een hut waarin wij kunnen wonen. Dat is alles, nietwaar?'

Hierbij hield Lakshmana met de handen zijn oren dicht en protesteerde verdrietig: 'Râma! Râma! Ik kan Uw woorden niet verdragen.' Râma was verwonderd over zoveel vertoon van droefheid. Doch toen stond Lakshmana met de handen tegen elkaar vóór Hem en zei smekend: 'Heer! Er is niemand in mij die zegt 'ik'. Sîtâ en Râma zijn mijn enige bezit, mijn enige schat. Ik heb geen eigen wensen en geen eigen wil. Mijn wens, mijn wil is Râma's wens, Râma's wil en Râma's bevel. Die te gehoorzamen, is mijn verlangen, mijn wil. Ik ben een slaaf die zich om niets en niemand anders bekommert. Hoe zou ik dan woorden kunnen aanhoren die zeggen dat ik degene ben die naar eigen wens een plaats voor de hut moet uitkiezen? Alsof ik het vermogen of de neiging zou hebben om te kiezen! Als ik een eigen voorkeur had, hoe zou ik dan een goede dienaar van Râma kunnen zijn? Hoe zou ik het voorrecht en het genoegen Hem te dienen waardig moeten zijn? Het zou betekenen dat ik ongeschikt ben om op aarde te leven en dat mijn leven slechts een last is en een schande.' Lakshmana stond luid te snikken en was niet bij machte zijn verdriet te onderdrukken.

Râma zag hoe droevig het Lakshmana te moede was en troostte hem op vriendelijke wijze. 'Broer! Je hebt een zeer zuiver hart. Ik heb die woorden in de gewone, wereldse betekenis gebezigd. Laten zij je echter niet de indruk geven dat je broer zich niet bewust is van je innige toewijding. Wees niet bedroefd.' Râma glimlachte stralend naar Lakshmana en vervolgde: 'Broer! Je toewijding is zo zuiver en je dienstbetoon zo waarachtig, dat zij Mij grote vreugde schenken. Je bedoelingen zijn onschuldig en edel. Ik zal je van nu af aan niet meer kwetsen met dergelijke bewoordingen. Ik sprak tegen je in gewone omgangstaal, dat is alles. Trek het je niet zo aan. Komaan! Laat ons samen een plek uitzoeken!' Aldus sprekend nam Hij Sîtâ en Lakshmana met Zich mee. Nadat zij enige tijd gelopen hadden, hield Râma stil en sprak: 'Zo, ga hier de hut maar bouwen!'

Toen hij dat hoorde, riep Lakshmana vol blijdschap uit: 'O! Ik ben waarlijk gezegend! Het is mijn taak dergelijke bevelen uit te voeren zonder mijn wens of wil te laten gelden of iets op eigen gelegenheid te doen.' Hij wierp zich aan de voeten van zijn oudste broer. Toen hij gelukkig en tevreden weer was opgestaan, begon hij aan zijn taak: het verzamelen van takken en twijgen voor de hut die hun tot woning zou dienen. Sîtâ en Râma beseften dat Lakshmana zeer fijngevoelig was en een scherpzinnig verstand bezat. Steeds als zij herinnerd werden aan de kracht van zijn geloof, vervulde hen dat met diepe, innerlijke vreugde. Menigmaal bekende Sîtâ aan Râma dat voor haar het leven in het woud nog heerlijker was dan dat in Ayodhyâ, omdat een broer als Lakshmana Râma vergezelde en Hem diende.

Toen Sîtâ en Râma de hermitage zagen die Lakshmana had gebouwd, waren zij verrukt over haar schoonheid, haar bekoorlijke eenvoud, de geriefelijkheid en over de omgeving waarin de hut zo fraai uitkwam. Sîtâ betrad de hut en werd onmiddellijk getroffen door de kundigheid en artistieke smaak waarmee haar zwager de woning had ingericht. Zij prees hem omdat hij de hut zo snel had voltooid en zo praktisch had ingedeeld. Het drietal bracht een gelukkige tijd door in het huisje.

Het nieuws dat Râma zich in de Panchavati-streek had gevestigd en daar evenals de andere bewoners in een loofhut woonde, had zich wijd en zijd verspreid. Dus maakten groepen asceten elke dag de tocht daarheen om Râma eer te bewijzen. Zij brachten hun leerlingen mee en allen laafden zich aan de aanblik van Râma. Bovendien waren zij zo fortuinlijk met Hem te kunnen spreken. Als zij naderhand tegen hun zin vertrokken om terug te keren naar hun eigen âs'rams, zongen zij de hele terugweg Râma's lot. Vele anderen volgden met de bedoeling een einde te maken aan de twijfel die hen kwelde bij hun pogingen de heilige geschriften te begrijpen en de morele wetten of de rituele voorschriften te preciseren en te verklaren. Weer anderen baden Râma om een antwoord op de vraag of de ascetische leefregels waaraan zij zich hielden juist en heilzaam waren. Aangezien Râma alle principes van dharma beheerste en de geschriften zeer goed kende, waren Zijn antwoorden en aanwijzingen volkomen bevredigend. Eenieder was vervuld van blijde voldoening.

Nu wij spreken over vragen en antwoorden, is het heilzaam de vier soorten vragen die zich voordoen goed te begrijpen. Gewoonlijk worden vragen onderverdeeld in de vier volgende groepen:

1. vragen zonder wezenlijke betekenis;

2. vragen van laag niveau;

3. vragen op redelijk niveau;

4. loffelijke, verheven vragen.

Vragen die gesteld worden om de ander in een controverse te betrekken om hem dan later een smadelijke nederlaag toe te brengen, zijn zonder wezenlijke betekenis.

Vragen die slechts dienen om de eigen slimheid en kunde te demonstreren, zijn minderwaardig en van laag niveau.

Vragen die wijzen op intellectuele vermogens en de gave tot logisch denken, zijn redelijk en behoren daarom tot de derde categorie.

Vragen die gesteld worden met de oprechte wens twijfel weg te nemen, zijn prijzenswaardig en behoren tot de hoogste categorie.

Het spreekt vanzelf dat de wijzen, monniken en asceten uitsluitend met vragen van de vierde soort tot Râma kwamen.

Râma en Lakshmana waren zeer verheugd over de komst van de asceten. Velen van hen werden overmand door gevoelens van bewondering en dankbaarheid bij het luisteren naar Râma's uiteenzetting van zijn idealen. Zo simpel waren zij, zo eenvoudig te begrijpen en te verwezenlijken, zo geheel in overeenstemming met de voorschriften van de s'âstra's en de heilige geschriften en zo vrij van elke dubbelzinnigheid. Zij barstten uit in lofzang om uiting te geven aan hun verering en aanbidding. 'O, Allerhoogste!' riepen zij uit. 'O, Alwetende, die verleden, heden en toekomst kent! Wie anders zou onze Heer en Verlosser kunnen zijn? U woont in de harten der wijzen. Wij danken het aan onze ascetische leefwijze dat wij U in ons midden mogen hebben. O, wat een geluk valt ons ten deel dat wij onze wensen op deze wijze in vervulling zien gaan!'

Zij namen met tegenzin afscheid van Râma. Tranen van blijdschap mengden zich met tranen van verdriet en stroomden over hun wangen. Sommigen legden zich terneer in de schaduw van de bomen die dichtbij Râma's hut stonden. Ze waren vastbesloten niet terug te keren naar hun eigen hermitages. Zij voedden zich met vruchten en knolgewassen die ze in de omgeving vonden en wachtten met vurig verlangen op de gelegenheid om Râma nogmaals te aanschouwen. Als zij, verborgen achter een boom of struik, Râma af en toe de woning uit zagen komen om rond te wandelen, verzadigden hun ogen zich aan dit onvergetelijke beeld. Aldus brachten zij hun dagen in volle tevredenheid door. Râma stal de harten van allen die in Zijn nabijheid kwamen. Zij verloren hun zinnen in hun volkomen overgave aan Hem alleen. Zij hadden het gevoel dat de innerlijke beschouwing van Zijn gelaat en het herhalen van Zijn naam nu nog de enige vorm van ascese was die zij hoefden te betrachten. Voor degenen die zich rond Hem schaarden, hield Râma verhandelingen over dharma en spirituele oefeningen voor zowel 's nachts als overdag.

Menigmaal riep Râma Lakshmana bij zich en zei tot hem: 'Broer! Hoe had ik ooit in Ayodhyâ kunnen blijven als je bedenkt voor welke heilige taak Ik gekomen ben? Hoe had ik daar de volgende bedrijven van de Ramâyana kunnen opvoeren? Mijn komst op aarde heeft tot doel de goede en goddelijke mens aan te moedigen en te beschermen, de zonde en het kwaad te vernietigen die de vrede en het welzijn in deze wereld bedreigen en rechtschapen gedrag en verrichtingen te bevorderen. Dit alles zal van nu af aan gaan plaatsvinden.' Aldus deelde Hij zijn broer mee wat Hij had besloten en wat de bedoeling en betekenis was van zijn incarnatie als mens op aarde.

Van tijd tot tijd verhief Râma Lakshmana tot instrument voor de verspreiding van Zijn leringen die tot doel hadden de mensheid spiritueel te verheffen. Regelmatig onderrichtte Hij zijn broer in de idealen van de zedenleer en geestelijke ontwikkeling. 'Lakshmana', zei Hij eens, 'liefde voor het lichaam, gehechtheid aan bezittingen van elke soort, egoïsme dat de tegenstelling 'ik' en 'jij' veroorzaakt, de banden die ontstaan tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen, tussen het individu en zijn bezit - zij alle zijn het gevolg van mâyâ, de oerillusie. Deze illusie is fundamenteel, geheimzinnig en wonderbaarlijk. Mâyâ's invloedssfeer strekt zich uit over alle wezens en alle materie, over elk levend schepsel. De tien indriya's (de vijf zintuigen en de vijf zintuiglijke organen) hebben elk hun eigen godheid. Mâyâ neemt de objectieve wereld waar en ontleent daaraan haar genoegen, door middel van deze godheden. Elk onderdeel van dat genoegen wordt door mâyâ teweeggebracht en is derhalve denkbeeldig; voorbijgaand en oppervlakkig. Mâyâ heeft twee vormen: de ene is kennis (vidyamâyâ), de ander heet onwetendheid (avidya-mâyâ). De laatste is zeer kwaadaardig en veroorzaakt de grootst mogelijke ellende. Degenen die erdoor worden aangetrokken, worden door de stroom meegesleurd en raken verstrikt in de netten van vreugde en verdriet, die elkaar afwisselen tot in het oneindige. De Mâyâ die vidya genoemd wordt, heeft de kosmos geschapen. Zij is daartoe aangedreven door de Heer (Brahmâ), want zij heeft van zichzelf geen aangeboren kracht. Slechts in de tegenwoordigheid van de Heer is zij in staat de kosmos te scheppen, die is samengesteld uit de vijf elementen (prapancha - de kosmos, de geschapen wereld bestaande uit aarde, water, vuur, lucht en ether). Deze worden verbonden met de drie snoeren van de guna's: sattva, rajas en tamas, die ieder afzonderlijk of in een bepaalde combinatie alle wezens kenmerken. Sattva is de harmonische, evenwichtige natuur, rajas de hartstochtelijke en dynamische geaardheid en tamas de passieve aard.

Hij die waarlijk wijs is, de jñânî, die God in zichzelf verwerkelijkt heeft, is degene die afstand heeft gedaan van alle rechten en plichten van kaste en maatschappij, van leeftijd en status en die voortdurend leeft in het bewustzijn dat alles God (Brahman) is. Hij heeft begrepen dat er geen veelvuldigheid of verscheidenheid bestaat. Alles is één. (Sarvam khalu idam Brahma; na iha nana asthi kinchana). De jñânî weet dat de ganse kosmos uit dezelfde Brahman bestaat en dat er geen tweede entiteit naast Brahman kan zijn. O, Lakshmana! Je moet weten dat de Drie-eenheid (Brahmâ, Vishnu en Rudra (S'iva)) slechts weerspiegelingen zijn van de ene Brahman, in elk van de drie aspecten sattva, rajas en tamas. Het rajas-aspect wordt verpersoonlijkt door Brahmâ (de Schepper), het sattva-aspect door Vishnu (de Instandhouder) en het tamas-aspect door Rudra, S'iva of Îs'vara (de Vernietiger). De hele kosmos, met inbegrip van de wereld, is de manifestatie van de ene Brahman door een van deze drie kenmerken of een combinatie ervan. Waarlijk wijze mensen zullen zich derhalve niet laten ketenen door de drie guna's, en de oorsprong zoeken in de ene Absolute. Slechts zij verdienen de naam vairâgi, omdat zij volkomen onthecht zijn en geen begeerte meer hebben of gevoelens van voorkeur of afkeer.

Van tijd tot tijd liet Râma Lakshmana en Sîtâ bij zich komen en zette Hij uiteen dat, zolang het individu met het ego-aspect (jîvi) de verwantschap tussen hemzelf en mâyâ, en tussen hemzelf en het universele Absolute (Brahman) niet goed begrijpt, bevrijding en eenwording met de Allerhoogste onmogelijk is. Hij moet dan een afgescheiden individu blijven, door de begoocheling gebonden aan de begrenzingen van naam en vorm. Op hetzelfde ogenblik evenwel dat het individu beseft dat hij slechts een afspiegeling is van de Allerhoogste, en dat het onderscheid tussen het Absolute en hemzelf niet op waarheid berust, zal mâyâ verdwijnen als ochtendnevel voor de opgaande zon. Dat is de ware kennis van het hogere zelf (âtmâjñâna) want God is het allerhoogste Zelf (paramâtmâ) en het individu is diezelfde paramâtmâ, weerspiegeld in het lichaam-met-naam-en-vorm (upadhi).

'Handel in overeenstemming met de gedragsregels die passen bij het spirituele niveau dat je hebt bereikt en bij de roeping die je hebt ontvangen (sva-dharma). Je zult daardoor onthechting verwerven. Bekwaam je in yoga, zelfbeheersing, spirituele discipline, of het zoeken naar eenheid met het Opperwezen. Dan zul je de hoogste wijsheid (jñâna) verwerven. Die wijsheid is het allerlaatste stadium in de spirituele ontwikkeling en leidt tot eenwording. Het aanbidden van God met de grootst mogelijke liefde heet toewijding (bhakti). De toegewijde mens (bhakta) ontvangt overvloedig Gods zegen en genade. Zijn toewijding zal hem alle voorspoed schenken. Bhakti welt spontaan op uit het hart en is niet afhankelijk van zaken of personen in de buitenwereld. Deze toewijding kan bovendien de goddelijke wijsheid verlenen aan degene die zich vol overgave aan de Heer heeft gewijd. De vreugde die bhakti schenkt, is onvergelijkelijk en onmeetbaar. Wat doet een mens het pad van bhakti kiezen? Hij wordt daartoe geïnspireerd door het mededogen van een goede, godvruchtige wijze of door een ziel die zelfverwerkelijking heeft bereikt. Dit pad leidt de mens snel tot Mij.'

Luisterend naar dergelijke verhandelingen, vergaten Sîtâ en Lakshmana waar zij waren en in welke omstandigheden zij verkeerden. Ook Râma zelf scheen zich niet bewust van Zijn omgeving, zo enthousiast weidde Hij uit over de aantrekkelijkheid van het spirituele leven. Urenlang waren zij verzonken in zelfbeschouwing en het doorvorsen van innerlijke gelukzaligheid.

Op een dag overpeinsde Lakshmana deze diepe waarheden en waardevolle richtlijnen en terwijl hij bij de hut de wacht hield, viel zijn oog op een kleine, jonge linde die zich naar boven worstelde in de schaduw van een reusachtig grote boom. Hij wilde het boompje dichter bij de hut planten in de hoop dat het door zijn goede zorgen flink zou groeien. Hij groef het zeer liefdevol en omzichtig uit. Plotseling verscheen de verdorven en kwaadaardige zuster van Râvana, Surpanakha geheten, op het toneel! Zodra zij Lakshmana ontwaarde, werd zij betoverd door het aureool van goedheid en luister dat zijn gestalte omgaf. Zij werd met stomheid geslagen door die onverwachte aanblik. Snel veranderde zij zich in een lieftallig, mooi schepsel en naderde Lakshmana met verliefde gebaren. Lakshmana sloeg evenwel geen acht op haar. Hij ging voort met zijn bezigheden en liet zich door deze verschijning niet van de wijs brengen. Surpanakha kon niet langer verdragen dat zij zo genegeerd werd. Zij kwam dicht bij Lakshmana staan en smeekte op meelijwekkende toon: "Heer! Waarom drijft u mij tot wanhoop? Temper de hartstocht die in mij is opgelaaid en laat uw liefdevolle, gelukschenkende blik op mij rusten." Lakshmana reageerde niet op haar kreten. Hij hoorde de woorden wel, doch glimlachte slechts bij zichzelf om haar vrijpostigheid en zette zijn pogingen voort om het boompje over te planten. Surpanakha verloor haar geduld. Ze maakte aanstalten om hem te omarmen. Doch Lakshmana deinsde terug en zei als inleiding tot de goede raad die hij haar wilde geven: 'Moeder! Ik ben de slaaf van Heer Râma. Ik ben geen vrij man. Wat ik ook doe, hoe nederig mijn taak ook is, ik volg slechts Râma's bevelen.'

Sîtâ en Râma, die Lakshmana's stem hoorden en zich afvroegen met wie hij sprak, kwamen naar buiten, de tuin in. Râma zag Surpanakha en besefte dat zij het was die zich in de jonge vrouw had veranderd en daar voor hem stond. Hij bereidde zich voor op alle mogelijke gebeurtenissen. Surpanakha vuurde intussen beledigingen af op Lakshmana als 'lafaard' en 'booswicht' en lachte smalend om zijn ontoeschietelijke houding. Zij had Râma nog niet opgemerkt, want in haar woede was al haar aandacht op Lakshmana gericht. Zij smeekte: 'O, allerbekoorlijkst wezen! Huw mij en ik maak u gelukkig. Ik zal u in verrukking brengen en u trouw dienen.' Lakshmana trachtte haar van zich af te houden door te zeggen: 'Schone vrouw! Ik ben een slaaf. Zou ik u huwen, dan zou u eveneens als een slavin moeten leven.' Hij vervolgde gekscherend: 'Welnu, daar is mijn Meester, Râma. Als u Hem huwt, zal ik uw slaaf zijn.'

Surpanakha vatte zijn woorden letterlijk op. Het idee stond haar wel aan. Zij liep naar de hut die Lakshmana haar had gewezen en zag daar in de deuropening een buitengewoon mooie vrouw staan, met naast haar de belichaming van mannelijke charme. Samen lachten zij om haar. Surpanakha ontbrandde in vurige liefde, snelde naar Râma en bracht snikkend uit: 'God van liefde, God van schoonheid, aanvaard mij als de Uwe.' Ook Râma besloot haar een les te leren en de draak te steken met de belachelijke situatie die was ontstaan. Hij sprak met lichte spot: 'O, wonderschone vrouw! Ik kan u niet huwen, want ik heb plechtig beloofd monogaam te blijven. Mijn echtgenote is hier. Mijn broer Lakshmana die daar staat, heeft weliswaar een vrouw doch zij is niet hier. Trouw dus maar met hem en wees tevreden. Hij is de juiste man voor u, ga naar hem toe.'

 

Hierop snelde Surpanakha naar Lakshmana en hervatte haar smeekbeden. Zij sprak: 'Uw broer heeft ingestemd met een huwelijk tussen u en mij, dus talm niet langer en aanvaard mij.' Zij had nu een zeer nederige en vriendelijke houding aangenomen. Lakshmana begreep hoe absurd haar situatie was en wilde de vermakelijkheden nog wat opvoeren. Hij stuurde haar naar Râma, die haar weer terugzond naar Lakshmana. Dit heen en weer sturen gebeurde enkele malen, tot Surpanakha zo wanhopig werd en dermate verblind was door hartstocht, dat zij weer verviel tot haar demonische aard! Haar misvormde verstand fluisterde haar in dat het Sîtâ was die haar succes in de weg stond bij dit avontuur der lusten. Omdat Hij Sîtâ aan Zijn zijde had, kon Râma haar immers niet huwen. Was Sîtâ eenmaal uit de weg geruimd, dan zou Râma zeker bezwijken voor haar smeekbeden. Dus viel zij Sîtâ aan, met de bedoeling haar te doden en te verslinden, want zij was een demon in heel haar wezen.

Lakshmana stond gereed om in te grijpen, maar hij wachtte op een teken van Râma. Râma besefte dat de vrouw ver heen was en tegengehouden moest worden. Daar Râma van mening was dat het niet nodig was haar te doden doch dat zij wel bestraft diende te worden, hief Hij zijn hand op en telde op Zijn vingers tot vier terwijl Hij Lakshmana aankeek. Deze begreep onmiddellijk de betekenis van dit gebaar! Door tot vier te tellen, duidde Râma op de vier Veda's die tezamen s'ruti genoemd worden, hetgeen wil zeggen 'dat wat gehoord wordt; het gesproken woord; heeft betrekking op de mondelinge overlevering van vedische kennis' oftewel 'het oor'. Lakshmana had een scherp en wakker verstand. Daarom kon hij het kleinste gebaar van Râma juist interpreteren. Râma had zijn hand geheven naar de hemel. De hemel, of akasha is een van de vijf basiselementen [tanmâtra's], gekenmerkt door het geluid. Geluid is het symbool voor Brahman en staat bekend als S'abda Brahman, of God. God woont in de hemel en de opgestoken hand verwees daarnaar. In het Sanskriet wordt de hemel ook nâka ['waar geen pijn is'] genoemd, hetgeen nog een andere betekenis heeft, namelijk 'neus'. Nauwelijks had Râma die twee gebaren gemaakt of Lakshmana stormde met getrokken zwaard af op de demonische vrouw. Hij wierp haar tegen de grond en roepend dat haar onbeschaamdheid bestraft moest worden, sneed hij haar oren en neus af! Surpanakha begon zo luid te jammeren dat zij het woud deed schudden en beven. Zij nam haar ware gedaante van menseneetster weer aan en gilde: 'Noemt u dit rechtvaardig? Hoe kunt u een vrouw die u benadert zo afschuwelijk mismaken? Ik zal mijn broer Râvana hierheen halen en u deze wrede daad betaald zetten.' Hierop verdween zij schielijk in het woud.

Zij ging rechtstreeks naar het Danda-woud waar de twee aanvoerders der demonen, Khara en Dushana, zich bevonden en riep weeklagend uit: 'Hoe kunnen jullie deze belediging en de verwondingen die je zuster zijn toegebracht stilzwijgend dulden? Met welk doel hebben jullie zoveel moed en macht verzameld? Het ware beter dat zij in rook opgingen. Zijn jullie echte kerels? Durf je jezelf zo te noemen? Schaam je, met je grootspraak over je heldhaftigheden.' Khara en Dushana begrepen niet wat er met haar gebeurd was en wie haar zo deerniswekkend verminkt had. Zij vroegen haar: 'Zuster! Wie heeft u zo verwond? Zeg het ons en wij zullen ons uit alle macht op hem wreken.'

Hierop deed Surpanakha haar relaas van de gebeurtenissen. Zij ving aan met een gedetailleerde beschrijving van de charme en de innemende schoonheid van Râma en Lakshmana. Het maakte de broers razend. Zij vroegen haar waarom zij haar tijd en die van hen verdeed met die overbodige inleiding. 'Zeg ons liever wie je aangezicht zo heeft geschonden.' Toen vertelde Surpanakha de hele geschiedenis.

Khara en Dushana waren hevig verbolgen over het wrede lot van hun zuster wier oren en neus waren afgesneden. Zij brachten een leger bijeen van veertienduizend mensenetende reuzen en marcheerden in alle haast richting Râma en Lakshmana, de broers die haar zo hadden bestraft. De reusachtige krijgers waren dermate onbedwingbaar dat men ze zelfs in dromen niet kon verslaan. Zij wisten van geen aftocht of nederlaag en waren onoverwinnelijk in de strijd. Als een gevleugelde bergketen bewogen zij zich met grote snelheid voort langs de valleien in angstaanjagende horden terwijl de aarde beefde onder hun voeten. Elk der reuzen was tot de tanden toe uitgerust met een verscheidenheid aan dodelijke wapens. De van haar oren en neus beroofde weduwe, Surpanakha, liep met haar bloedend hoofd voor de gehele krijgsmacht uit, belust op wraak. Zij leidde het leger naar het veld waar zij Râma en Lakshmana had ontmoet.

 Surpanakha zelf vertegenwoordigde echter een ongunstig begin van de veldtocht. Zij toonde alle voortekenen van de komende strijd. Zij was weduwe, zij was mismaakt en had een bloedend gezicht. Surpanakha bezat al deze ongelukbrengende kenmerken. De Râkshasa's sloegen geen acht op deze voorboden van onheil bij hun opmars naar het slagveld. Zij vertrouwden op hun fysieke en materiële sterkte en op hun snode krijgslisten. Juist daarom zijn zij nimmer opgewassen tegen de macht van goddelijke en rechtschapen legerscharen. Wie zou immers de krachten kunnen weerstaan die ontleend worden aan de eerbiediging van dharma en aan Gods genade? Zij bekommerden zich om God noch gebod. Al hun energie en vaardigheden waren erop gericht hun gelederen te versterken en aan macht en kracht te winnen. Trots op hun wapens, hun spierkracht en goddeloze geslepenheid, marcheerden zij het woud in, blazend op hun trompetten, brullend als leeuwen, trompettend als wilde olifanten, luid snoevend op hun heldendaden en ronddansend als wilden. Het kwam niet in hun hoofd op dat de verwoestende kracht van hun aanval niets meer te beduiden had dan de aanval van een mus op een adelaar!

Reeds van verre wees Surpanakha haar broers het kluizenaarsverblijf aan waar Râma zich bevond. Om de menseneters op te zwepen tot uiterste bloeddorstigheid, riepen de manschappen in koor: 'Vang ze, dood ze, maak ze af', en stormden naar voren. Toen zij de hut naderden, daagden de broers Râma uit, schreeuwend zo luid ze konden: 'O booswicht, 0 ongelukkige! Je hebt het gewaagd onze zuster te verminken, nietwaar? Wel, zie nu maar je eigen hachje te redden!' Râma had hen reeds zien naderen. Hij gaf Lakshmana opdracht Sîtâ in een grot te verbergen en de wacht te houden. 'Maak je over mij geen zorgen. Er kan mij nimmer enig kwaad geschieden', sprak Râma. Lakshmana wist hoe machtig Râma was en gehoorzaamde Hem stilzwijgend. Hij twijfelde geenszins aan de overwinning. Hij leidde Sîtâ de grot binnen en bleef bij haar met zijn pijl en boog gereed voor het geval hij die nodig mocht hebben.

Râma stond voor het kluizenaarsverblijf en een glimlach verhelderde Zijn gelaat. Hij hield Zijn Kodanda-boog strak gespannen, gereed voor de strijd. Râma beroerde licht met beide handen het haar op Zijn hoofd. Toen Hij dit deed, zagen Zijn bloeddorstige vijanden hoe Zijn haardos miljoenen lichtflitsen uitzond. In hun ogen schenen Râma's armen enorme, veelkoppige slangen. Zoals een leeuw dreigend naar een olifant kijkt en zijn tanden laat zien in het vooruitzicht van een zekere overwinning, zo stond Râma de Leeuw uitdagend en ontzagwekkend voor de olifanten. Kreten als 'dit is de man die haar verminkt heeft, grijp Hem' en 'dood Hem' overstemden het tumult. Niemand waagde het evenwel ook maar een stap naar voren te doen en zijn woorden in daden om te zetten. Hoezeer daartoe ook aangespoord, niemand had de euvele moed om Râma te naderen. Het woud vulde zich met de verwensingen en woeste kreten van de mensenetende reuzen. De wilde dieren renden in paniek alle kanten op, zoekend naar een schuilplaats. Enkele dieren vluchtten de grot in waar Sîtâ zich bevond. Lakshmana had begrip voor hun angst en liet hen binnen, zodat zij zich niet langer bedreigd zouden voelen. Hij bood hun een veilige schuilplaats en heette hen welkom, wel wetend dat zij in grote nood verkeerden.

De woeste reuzen die Râma omsingeld hadden, werden zo overmand door diens schoonheid en charme dat zij slechts konden staren naar zoveel heerlijkheid en pracht. Velen schepten er een genoegen in Zijn aanvallige verschijning te beschrijven en menigeen was verzonken in bewondering. Allen werden zij met Râma verbonden door banden van liefde en eerbied. Niemand kon of wilde zijn wapen tegen Râma opheffen of zelfs maar een boze blik op Hem werpen!

Ook Surpanakha sloot zich aan bij de verheerlijking van Râma. Tegen Khara en Dushana, die met stomheid geslagen naast haar stonden, sprak zij: 'Broers! Welk een ongeëvenaarde schoonheid zien wij hier voor ons! Nog nooit in mijn leven heb ik zoveel gratie en charme aanschouwd, zulk een zuivere, harmonische gestalte. Dood Hem niet, doch vang Hem en breng Hem mij.' De broers waren niet minder verrukt van Râma dan Surpanakha zelf. Zij antwoordden: 'Zuster! Ook wij hebben nimmer een dergelijke belichaming van schoonheid aanschouwd. Hoe dichter wij Hem naderen, hoe sneller Hij onze harten verovert en hoe meer wij geboeid worden door Zijn charme. Wij gevoelen niet de minste boosheid of haat jegens Hem. Hoe langer wij Hem gadeslaan, hoe groter de vreugde die in ons hart opwelt. Dit is misschien wel het gevoel dat de wijzen die hier wonen ânanda (opperste gelukzaligheid) noemen.'

Khara wilde niet zelf met Râma spreken, dus zond hij een boodschapper om te weten te komen wie deze persoon was, hoe Hij heette, waar Hij vandaan kwam, waarom Hij in het woud was komen wonen en zo meer. De boodschapper liep op Râma toe en stelde Hem al deze vragen zoals hem was opgedragen. Râma glimlachte om het gedrag van de man. Hij sprak: 'Luister eens, vriend! Ik ben een kshatriya en ben naar dit woud gekomen om te jagen op wilde dieren zoals jouw meester. Ik ken geen vrees, zelfs niet voor Kali [zie ook S.B. 1:17, S.B. 4.8-3 & 5.9], de godin des doods. Als je denkt dat je daartoe in staat bent, ga dan de strijd met mij aan en overwin mij. Keren jullie anders allemaal naar huis terug en voorkom daarmee een gewisse ondergang. Ik zal niemand doden die het slagveld wil ontvluchten.'

De boodschapper bracht Râma's verklaring woordelijk over aan Khara en Dushana. Hierop grepen de broers naar hun wapens: speren, bijlen, knotsen, pijlen en bogen. Hun luid gebrul weerklonk als het rollen van de donder. Zij lieten een regen van wapens op Râma neerdalen, doch Râma hakte ze in stukken met een enkele pijl uit Zijn boog. Andere pijlen die Râma op hen afschoot, richtten evenveel schade aan als vuur of bliksem zou hebben gedaan. De reuzen trokken zich terug na deze aanval, en van pijn schreeuwden zij uit louter doodsangst en wanhoop: 'O moeder', 'O vader', 'Ach, red ons.'

 Toen zij hun krijgers zagen vluchten, riepen Khara, Dushana en hun jongste broer Thrisira: 'Râkshasa's! Verlaat het slagveld niet. Degene die tracht te vluchten, zal ter plekke door onze eigen soldaten worden gedood.' Bij deze waarschuwing overlegden de krijgers bij zichzelf wat te doen en zeiden: 'Welnu! Liever val ik door Râma's hand dan gedood te worden door een ander, of ergens te sterven waar Râma niet is.' Zij sloten zich weer bij de gelederen aan en bewogen zich voort in de richting van Râma. Zij waren evenwel niet van zins Hem aan te vallen. Zij werden zozeer geboeid door Râma's bekoorlijkheid en grootsheid, dat zij als aan de grond genageld bleven staren naar deze goddelijke schoonheid. Râma schoot intussen de pijl af genaamd sammohana, die een begoochelende en verwarrende uitwerking op de vijand had. Dientengevolge zag elke soldaat de kameraad naast zich als de man die hij volgens zijn opdracht moest doden. Khara en Dushana hadden hen aangezet tot het doden van Râma, dus vielen zij elkaar aan, schreeuwend: 'Râma is hier', 'Dit is Râma', en maakten elkaar met het grootste genoegen af.

Het hele slagveld lag bezaaid met de afgehouwen ledematen van mensenetende monsters. Hun bloed vloeide in grote stromen door het woud. Aasgieren en zwarte kraaien verzamelden zich alom, erop belust zich tegoed te doen aan de kadavers. Veertienduizend Râkshasa's zagen die dag op het strijdtoneel een en hetzelfde gelaat! Allen stierven zij met de kreet 'Râma, Râma' op de lippen. Ook Khara en Dushana kwamen om, samen met hun trouwe trawanten.

De asceten en wijzen die getuige waren geweest van dit afschuwelijke tafereel, waren zich bewust van Râma's ongeëvenaarde moed. Zij waren gelukkig omdat zij wisten dat door toedoen van deze held ook Râvana's einde verzekerd was. Zij zagen hun geloof bevestigd dat Râma de Almachtige Voorzienigheid was, die gekomen was om het hele ras van de Râkshasa's van de aardbodem weg te vagen en zodoende de vrede en voorspoed van de mensheid veilig te stellen.

Zodra de hevige strijd ten einde was, kwamen Sîtâ en Lakshmana naar Râma toe en wierpen zich voor Hem ter aarde. Râma richtte Lakshmana met zachte hand op en beschreef hem het lot dat de veertienduizend reuzen en hun aanvoerders hadden ondergaan tijdens de veldslag die nauwelijks een half uur geduurd had. Râma deed gedetailleerd verslag en had duidelijk plezier, menigmaal glimlachend en grinnikend tijdens zijn relaas. Sîtâ liet intussen haar blik gaan over Râma's gestalte, om zich ervan te overtuigen dat Hij ongedeerd was en zelfs geen schrammetje had opgelopen.

De volgende dag bezochten groepen asceten en wijzen met hun volgelingen en leerlingen Râma's Panchavati-âs'ram, want zij hadden vernomen dat het leger der Râkshasa's was vrnietigd door de Prins van Ayodhyâ in eigen persoon, zonder steun van anderen. Zij verheerlijkten Râma om Zijn dapperheid en zijn grote vaardigheid in het boogschieten. Enkelen van hen die het vermogen hadden verworven in de toekomst te schouwen, naderden Râma vol nederigheid en spraken: 'O, Meester! De komende dagen zult u zeer waakzaam en alert moeten zijn. De Râkshasa's zijn fel gekant tegen alle beperkingen die gerechtigheid en oprechtheid de mens opleggen. Hun dagelijkse bezigheden bestaan daarin dat zij zoveel mogelijk schade berokkenen aan alles en iedereen. Hun hoogste doel is het vervullen van zelfzuchtige verlangens. Het is hun om het even op welke wijze en met welke middelen zij hun doel bereiken. Zij hebben een oudere broer genaamd Râvana, die oneindig veel machtiger is dan zij. Zijn leger is vele miljoenen manschappen sterk. Deze feeks Surpanakha zal zich ongetwijfeld tot hem wenden en haar lot beklagen. Râvana zal zijn zuster beslist steunen en trachten wraak te nemen op degenen die haar verminkt hebben.'

Aldus waarschuwden zij Râma en Lakshmana en gaven hun alle kennis door waarover zijzelf beschikten. Râma hoorde hen glimlachend aan en sprak: 'Ja, ja. Deze situatie is mij bekend. Het heeft te maken met de speciale missie waarvoor Ik gekomen ben.' Hij knikte alsof Hij vurig verlangde naar het gelukkige moment waarop Hij Râvana persoonlijk zou ontmoeten. Meer zei Râma echter niet. Niets aan zijn houding verried dat Hij wist wat de toekomst brengen zou. Râma richtte zich tot Lakshmana met een blik van verstandhouding en sprak: 'Je hebt het gehoord, nietwaar?' Zich wendend tot de wijzen sprak Râma: 'Wat Ik u bidden mag, maakt u zich geen zorgen. Ik ben op alles voorbereid, wat er ook gebeuren mag.' Zij werden bemoedigd en getroost door deze stellige belofte. Râma gaf hun geloof en nieuwe moed en liet hen terugkeren naar hun âs'rams in het volle vertrouwen dat zij hun studies en spirituele oefeningen in alle rust en vrede konden hervatten, zonder te worden gestoord door de Râkshasa-horden.

Zoals de wijzen voorspeld hadden, begaf Surpanakha zich ijlings naar haar broer Râvana. Haar luid gejammer doorkliefde de lucht en de Râkshasa's van Lankâ die het hoorden, waren bevreesd dat een ramp hun land had getroffen. Zij liepen de straat op, stonden in groepjes bijeen en vroegen zich af wat er gaande kon zijn. Surpanakha viel luid scheldend de audiëntiezaal van Râvana, de keizer der Râkshasa's, binnen tot verbijstering en vrees van alle aanwezigen. Zij bood een monsterlijke aanblik. Haar lichaam was overdekt met bloed, en woede vergiftigde haar woorden. Râvana begreep dat iemand haar zwaar verwond moest hebben en hij was geschokt toen hij zag hoe slecht zij eraan toe was. Zittend op zijn troon brulde hij: 'Zuster! Vertel ons precies wat er gebeurd is.'

Surpanakha antwoordde: 'Broer! Als je een echte Râkshasa bent en waarlijk bovenmenselijke vermogens hebt verworven door je jarenlange ascese, komaan, dan is nu het ogenblik daar om je onverschrokkenheid, je koelbloedigheid en je heldenmoed in de strijd te werpen. Sta op! Wees niet blind voor de rampspoed die je te wachten staat en verzaak je plicht niet doordat de drank je beneveld heeft. Je hebt geen aandacht geschonken aan de gebeurtenissen die in Panchavati plaatsvinden, weet niet wie daarheen gekomen is, met welk doel en met welke opdracht. Er zijn prinsen het Danda-woud binnengetrokken die vastbesloten zijn de Râkshasa's te vernietigen. Honderdduizenden Râkshasa-soldaten zijn reeds gevallen. Onze broers Khara en Dushana hebben zij aan stukken gehakt. Duizenden soldaten die hen wilden aanvallen, hebben zij in een oogwenk van de aardbodem weggevaagd. De heldenmoed van de prinsen tart elke beschrijving, evenals hun schoonheid van gestalte. Ah!' Hier zweeg Surpanakha en bleef roerloos staan. Zij liet haar gedachten gaan over de schoonheid die haar zo verrukt had.

Râvana hoorde haar relaas aan en werd uitzinnig van woede. Hij knarsetandde en gedroeg zich als iemand die tot het uiterste getergd wordt. 'Wat! Hebben die ellendelingen Khara en Dushana gedood? Zij hadden waarschijnlijk nog nooit van mij gehoord en wisten niet dat ik volledig achter mijn broers sta. Zij wisten wellicht evenmin hoe machtig en wraakzuchtig ik ben.' Râvana zette zijn grootspraak voort en weidde uit over zijn heldendaden totdat Surpanakha hem onderbrak met de woorden: 'O, jij toppunt van verdorvenheid! Al danst er een aartsvijand op je hoofd, dan nog zit je hier jezelf en je onoverwinnelijkheid op te hemelen! Dat is een keizer onwaardig. Misschien weet je niet dat sannyâsîns in het verderf gestort worden doordat zij zich in slecht gezelschap begeven, dat keizers ten val komen door de ministers die zij in dienst hebben, dat wijsheid teloorgaat door de zucht naar waardering en dat elk schaamtegevoel verdwijnt door het drinken van sterke drank. Welnu broer, veronachtzaam nooit een brand, een ziekte, een vijand, een slang of een zonde, omdat zij klein of onbetekenend zouden zijn. Als zij zich ontwikkelen of verergeren, zullen zij zeker grote schade aanrichten. Aarzel daarom niet en haast je.'

Surpanakha's woorden druppelden het vergif van de haat in Râvana's oren. Kumbhakarna, een andere broer die daar aanwezig was, vroeg hierop met een glimlach om de lippen aan Surpanakha: 'Wie hebben je neus en je oren afgesneden?' Luid jammerend antwoordde zij: 'Ach, dit kwaad is mij juist door diezelfde prinsen aangedaan.' Râvana trachtte haar enigszins te troosten en vroeg toen: 'Zuster! De neus zit aan de voorkant en de oren zitten aan de zijkanten van het gezicht. Het is onmogelijk ze met één houw af te snijden. Dus zeg me: was je in diepe slaap toen zij je van neus en oren beroofden? Het is werkelijk onverklaarbaar.' De andere aanwezigen vroegen zich eveneens af hoe het had kunnen gebeuren.

Surpanakha antwoordde: 'Broer! Ik had elk lichamelijk bewustzijn verloren en wist zelfs niet meer waar ik was toen die tedere, zachte handen mij aanraakten. Terwijl mijn ogen zich laafden aan de innemende schoonheid van hun gelaat, drong het niet tot mij door wat zij deden. Alleen al de aanblik van die prinsen bracht mij zo in verrukking, dat ik alle besef verloor van mijn aanwezigheid en omgeving. Ach, en wat te zeggen van de vervoering waarin ik geraakte toen ik met hen sprak! Men ziet hen altijd glimlachen en stralen van vreugde; een andere houding of reactie kennen zij niet. Zelfs een mannenhart zal zeker worden bekoord door hun charme. Zij zijn een waarlijk onweerstaanbare vertegenwoordiging van de god van liefde. Nog nimmer heb ik een dergelijke schoonheid aanschouwd. Wij, Râkshasa's moesten ons schamen voor onze trotse vechtlust, onze verachtelijke krijgslisten, onze abnormale gestalte, ons afzichtelijke uiterlijk. Wij zijn werkelijk weerzinwekkend. Eén blik op de prinsen is genoeg. Je zult moeten toegeven dat ik gelijk heb. Waarom? Khara en Dushana, die in de strijd het leven lieten, bevochten hen met grote tegenzin. Zij maakten hevig bezwaar en zeiden tegen mij: 'Hoe kunnen wij haatgevoelens koesteren en deze belichamingen van voorspoed en toonbeelden van schoonheid aanvallen?'

De hovelingen en ministers die in de zaal bijeen waren, luisterden met ontzag en verrukking naar Surpanakha's beschrijving. Haar woorden brachten zelfs Râvana in verwarring. Het beeld dat zij van Râma schetste, bracht hem bij nadere beschouwing grote vreugde en vrede. Diep in zijn hart verlangde hij er vurig naar een blik te werpen op deze inspirerende verpersoonlijking van goddelijke bekoorlijkheid. Terwijl hij naar zijn zuster luisterde, ebde de woede weg die hem daareven nog vervuld had. Hij besloot rustig te onderzoeken wat er werkelijk in Panchavati was voorgevallen.

Râvana richtte zich tot Surpanakha met de volgende woorden: 'Zuster, vertel mij: wonen die twee broers geheel alleen in Panchavati? Of zijn er nog anderen? Hebben zij geen volgelingen, hovelingen of ander gezelschap?' Surpanakha antwoordde: 'Neen, zij hebben geen lijfwachten, krijgers of verwanten om zich heen. De oudste van de twee, Râma, heeft echter een vrouw bij zich die gezegend is met een ongeëvenaarde schoonheid. Zij is zelfs nog schoner en bekoorlijker dan de prinsen. Zij is de godin der liefde in menselijke gedaante. De twee broers wonen samen met deze vrouw in Panchavati. Zij dwalen er onbekommerd rond op de open plekken van het woud en door de valleien. Ik heb feitelijk nog nimmer een dergelijke volmaakte vrouwelijke schoonheid aanschouwd. Zij heeft haars gelijke niet, in de hemel noch op de aarde.'

Hoofdstuk 3: De Geslepen Booswicht

De woorden van Surpanakha wekten Râvana's wellustige passie en hij werd tot slaaf van zijn eigen rampzalige dwaasheid. Hij wist zich te ontdoen van zijn haatgevoelens jegens Râma en Lakshmana, en begon plannen te smeden om Sîtâ te ontvoeren. Hij verzonk in gedachten en werd overmand door begeerte en rusteloosheid. Geen enkele poging deed hij om zijn honger of dorst te stillen, zo groot was de noodlottige betovering waaraan hij ten prooi was. Terwijl Surpanakha de schoonheid en grootsheid van de broers Râma en Lakshmana schetste, was er een persoon in de audiëntiezaal, Vibhishana, die het verhaal aanhoorde met vreugde in het hart en tranen in de ogen. Hij bereidde die goddelijke en bekoorlijke gestalten een plaats in de tempel van zijn hart en smachtte naar een kans om bij hen te zijn en zich aan hun voeten te werpen. 'Zullen zij mij willen ontvangen? Is er verlossing voor mij? Verdien ik hun zegen?' vroeg hij zich af. Hij hield zich voor: 'Zij zijn goddelijk, daaraan is geen twijfel. Zij zijn in menselijke vorm op aarde gekomen om het verdorven Râkshasa-gebroed te verdelgen.' In gedachten gaf hij zich aan hen over met alles wat hij bezat en met zijn gehele wezen. Vanaf dat ogenblik wijdde hij zijn leven aan de voortdurende meditatie op hun goddelijke heerlijkheid.

Nadat Râvana in vorige levens een verheven yoga-staat had bereikt, was hij ten val gekomen. Hij moest daarom nu als Râkshasa ronddolen, maar in werkelijkheid was hij God zeer toegewijd. Diep in zijn hart was hij zich bewust van het universele Absolute, genaamd Nârâyana. Hij besefte wel degelijk dat Râma Nârâyana zelf was die in menselijke gedaante was verschenen om de goden vreugde en vrede te schenken en elk spoor van demonische heerschappij op aarde uit te wissen. Aangezien hij echter geen andere weg zag om Nârâyana te bereiken, moest hij een wrede boosaardigheid en intense haat aankweken om Râma ertoe te bewegen hem te doden. Men zou dit soort toewijding natuurlijk dwaas en verfoeilijk kunnen noemen. Het was evenwel zijn geestelijk doel om door die daad van zelfverloochening en overgave aan Nârâyana de oceaan van geboorte en dood over te steken.

Omdat zijn lichaam en geest zich hadden ontwikkeld uit Râkshasa-neigingen, die werden gestimuleerd door demonisch voedsel, verwaarloosde hij intussen het goddelijke in zichzelf, dat erom vroeg om op te mogen gaan in de goddelijke Râma. Hij vertrouwde op zijn Râkshasa-natuur met haar duistere mogelijkheden en krachten. De goddelijke en demonische facetten in zijn persoonlijkheid streden voortdurend om voorrang. Uiteindelijk dwong hij zichzelf te geloven dat de twee broers slechts prinsen waren en niet meer dan dat. Hij nam zich voor hen beiden te doden en de jonge vrouw op wie hij zo verliefd was, te ontvoeren. Hij beloofde zijn zuster dat hij op deze wijze wraak zou nemen voor het leed haar aangedaan. Hij verklaarde de vergadering voor geschorst en beval zijn adjudanten de keizerlijke strijdwagen te laten voorrijden bij de ingang van de audiëntiezaal. Hij nam als enige plaats in de wagen en spoedde zich naar Maricha's [zie ook RRV-6a & RRV-6b] verblijfplaats aan de zeekust.

Daar aangekomen ging hij naast Maricha zitten en deed hem uitvoerig verslag van al wat geschied was. Hij beval Maricha ook zijn rol te vervullen in de uitvoering van zijn plan. Deze wierp echter tegen dat hij het reeds eenmaal zwaar te verduren had gehad door toedoen van Râma en Lakshmana. Hij zei Râvana te bedenken dat hij niet met gewone prinsen te doen had en raadde hem af zich aan een dergelijke roekeloze onderneming te wagen. Hij sprak langdurig en liefdevol met Râvana om hem van zijn voornemen af te brengen. Doch zijn hartstocht had Râvana doof en blind gemaakt voor wat plicht en moraal hem geboden. Dus dreigde hij Maricha te straffen als deze zich niet aan zijn wil onderwierp. Maricha besloot heimelijk dat het beter was door Râma te worden gedood, dan door de Râkshasa Râvana. Hij stemde toe in Râvana's voorstel en bereidde zich voor op zijn rol in de samenzwering.

Râvana liet Maricha naast zich plaatsnemen in de wagen en begaf zich naar het Danda-woud. Onderweg legde Râvana aan zijn metgezel uit welk plan hij had uitgebroed. Hij gaf Maricha opdracht zich door middel van zijn demonische krachten te veranderen in een bekoorlijk, goudkleurig hert. In die verleidelijke vorm zou hij wat moeten ronddartelen in de buurt van de hermitage waar Sîtâ, Râma en Lakshmana verbleven. Maricha kon niet weigeren, want dan zou er aan Râvana's gramschap niet te ontkomen zijn. Râvana sprak tot hem: 'Râma zal trachten je te vangen en je daarom volgen. Je moet Hem dan naar een verre plek voeren, vanwaar je angstig en alsof je in nood verkeert, moet roepen om Sîtâ en Lakshmana. Doe dat met een stem die Râma's geluid nauwkeurig nabootst.' Râvana liet de wagen achter op veilige afstand van de hermitage, waarheen hij zich vervolgens te voet begaf, samen met Maricha.

Terwijl dit web werd gesponnen, voelden Sîtâ en Râma in hun hut in Panchavati plotseling dat het ogenblik was gekomen waarop hun taak vervuld moest worden. Râma stuurde Lakshmana eropuit om knollen en vruchten te verzamelen voor die dag. Râma wist dat het uur van de waarheid had geslagen en sprak tot Sîtâ: 'Gezellin! Jij weet alles. Wij beseffen beiden waartoe wij op aarde gekomen zijn en wat onze missie is. Nu roept de taak waar wij ons in alle ernst aan moeten wijden. Jij bent edel en buitengewoon heilig van aard. Wij hebben beiden deze menselijke gedaante aangenomen door riten die verbonden zijn met het 'vuurprincipe'. Mijn lichaam vindt zijn oorsprong in de offerande die door de god Agni zelf uit de vlammen van het vuur tevoorschijn werd gebracht [RRV-3]. Jij verrees uit een voor in de aarde die door de heilige ploeg was bewerkt om de grond te wijden voor een vuuraltaar waarop een offerritueel (yajña) zou worden uitgevoerd [RRV-7c]. Onze lichamen komen voort uit het vuur en worden gevoed door de warmte van het vuur. Sîtâ, vertrouw daarom al je goddelijke eigenschappen en je goddelijke glorie toe aan het vuur en gedraag je vanaf dit ogenblik als een gewoon menselijk wezen. Ook ik zal mij gedragen als een gewone sterveling en mij verdrietig en angstig om jou tonen en laten zien hoe het mij bedroeft van jou gescheiden te zijn en hoe ik gekweld word door eenzaamheid. Dan zal de wereld ons als menselijke wezens beschouwen omdat zij deze gedragingen in gedachten houdt die zij zal zien als werelds en als natuurlijke reacties. Vergeet niet dat elke daad, hoe gering ook, als ideaal moet dienen voor alle gezinshoofden ter wereld. Wij moeten een voorbeeld geven van de verhouding tussen man en vrouw, die geheel in harmonie is met principes van waarheid en rechtschapenheid. Al onze handelingen moeten worden verricht volgens de richtlijnen die zijn vastgelegd in de shastra's, de heilige geschriften. Wij dienen ons leven op voorbeeldige wijze vorm te geven, opdat de gewone sterveling geïnspireerd wordt en aangemoedigd die idealen na te volgen. Wij moeten dit toneelstuk blijven opvoeren tot het einddoel bereikt is: tot Râvana en de Râkshasa's zijn verslagen en gedood.

Vertrouw daarom je goddelijke glorie toe aan Agni, de god van het vuur, en gedraag je als een gewone vrouw die in de netten van mâyâ, de illusie, verstrikt is. Want elk gevolg heeft een oorzaak. Het is aan ons om het resultaatl, de vernietiging van Râvana en het Râkshasa-gebroed, te bewerkstelligen. Wij zullen daarom een oorzaak moeten voorwenden die zo'n gevolg zowel rechtvaardigt als teweegbrengt. Râvana heeft één fundamenteel gebrek, namelijk zijn zinnelijke begeerte. Dit moeten wij de wereld tonen en we moeten daarom een situatie scheppen waarin het zal lijken alsof hij jou ontvoert in een opwelling van hartstocht. De wereld moet beseffen dat Râvana's toewijding en overgave aan God niet van het hoogste gehalte zijn, want wat heeft dat gevoel van overgave voor nut als het wordt aangetast door de zucht naar zinnelijk genot en immorele begeerten? De daden en het gedrag die voortkomen uit een bewustzijn dat niet zuiver is, zijn bezoedeld. De toewijding aan God die verontreinigd wordt door zinnelijke begeerte, is vuil als modder. Op deze waarheden moet thans, ten voordele van de mensheid grote nadruk worden gelegd.

Het is tevens noodzakelijk de mens erop te wijzen dat elke spirituele oefening of ascese, en alle godsdienstige riten of rituelen die hij onderneemt met de bedoeling bovenmenselijke vermogens te verwerven, minderwaardig en schadelijk zijn. In de persoon van Râvana moeten wij de mensheid waarschuwen dat, hoeveel goddelijke riten en handelingen men ook verricht, dit slechts tot eenzelfde slecht resultaat leiden zolang men zijn demonische begeerten en drijfveren niet laat varen. Zij worden daardoor namelijk goddeloos en dienen tot niets. Doch naast alles, Sîtâ, is er een allesoverheersende beweegreden waarvan wij ons terdege bewust moeten zijn. Eens is er een vloek 0ver Râvana uitgesproken. Er is hem toen tevens een middel toegezegd waarmee hij een einde kon maken aan de gevolgen van die vervloeking. Wij moeten erop toezien dat hem die uitweg wordt geboden. Het begin van zijn einde is nu gekomen. Vandaag of morgen zullen wij van elkaar moeten scheiden. Wij zijn natuurlijk entiteiten die niet te scheiden zijn en niets kan ons van elkaar verwijderd houden. Toch moeten wij doen alsof dit wel het geval is, om deze schijnvertoning zo effectief mogelijk te laten zijn. Ga nu en vertrouw je goddelijke vorm toe aan Agni. Lakshmana kan ieder ogenblik terug zijn met de vruchten en knollen. Bovendien staat Râvana gereed om te handelen zoals zijn perverse intelligentie hem ingeeft.

Ik moet je nog een ander geheim vertellen. Ook jij hebt een rol te vervullen in de vernietiging van de Râkshasa's. Ogenschijnlijk sta je onder Râvana's bewaking, doch aangezien je macht immanent is in vuur, zul je Lankâ in de as moeten leggen terwijl je uit het vuur tevoorschijn komt waarin jouw zelf van nu af aan verborgen is. Lankâ zal tot de grond worden afgebrand, niet door vuur, doch door jou in de hoedanigheid van vuur. Râma zal Râvana moeten doden; zo luidt de goddelijke beschikking. Deze waarheid moet duidelijk worden verkondigd. Voor Lakshmana dient dit mysterie vooralsnog verborgen te blijven. Hij zal bij deze onderneming ons instrument zijn. Als deze taak is volbracht en wij in Ayodhyâ teruggekeerd zijn, zal ik je weer aanvaarden als je uit het vuur treedt waarin je verblijft. Ook deze handeling zal ik omzetten in een les voor de wereld. Het spel gaat beginnen', sprak Râma. Zowel Sîtâ als Râma beraadden zich op hun plan de campagne en wachtten het ogenblik af waarop Râvana's strategie zich zou ontvouwen.

Van toen af aan waren alle daden en gedragingen van Sîtâ en Râma niet meer dan gebaren en reacties die hoorden bij het toneelstuk dat zij hadden besloten op te voeren: de kwellingen van de scheiding, het snikken van angst en bezorgdheid, het zuchten van pijn, het gekreun van smart: zij waren slechts geveinsd. Want hoe kunnen Sîtâ en Râma ooit gescheiden worden? Door hun gedrag wilden zij de mensheid enkele waardevolle lessen leren, dat was alles.

Toen trad Lakshmana de hut binnen, met handenvol vruchten en andere eetwaar. Zij namen gedrieën deel aan de eenvoudige maaltijd en dronken het koele, kristalheldere water van de nabije rivier. Zij bleven daarna nog enige tijd zitten om het liefelijke landschap te bewonderen. Zij dachten eraan hoezeer die vredige sfeer van de wouden verstoord werd door de gruweldaden van de Râkshasa's. Zij spraken opgetogen over de zoetheid en de heiligheid van het landelijke leven.

Niet ver van hen vandaan waren Râvana en Maricha aan het redetwisten over de beste manier om de hermitage binnen te dringen, opdat zij hun snode plannen ten uitvoer konden brengen. Râvana's begeerte en verdorvenheid boezemden Maricha grote afkeer in. Niettemin ontbrak hem de moed alle medewerking te weigeren. Hij voelde er niets voor te sterven door toedoen van iemand die zo slecht was als Râvana, dus aanvaardde hij de rol die deze hem toebedeelde en zei dat hij zou doen wat er van hem verlangd werd. Maricha nam de gedaante aan van een gouden hert van een zo betoverende schoonheid dat het beslist de bewondering van Sîtâ en Râma zou wekken. Hij dacht bij zichzelf: 'O, welk een gelukkige dag is er zojuist voor mij aangebroken! Over enkele ogenblikken zal ik worden gezegend met de aanblik van de drie schoonste en bekoorlijkste wezens op aarde! Sîtâ's blik zal op mij rusten. En dan, ah, zal Râma mij achtervolgen, gewapend met pijl en boog. O, hoe fortuinlijk ben ik! Ik ben de dienaar die Râma op de voet zou moeten volgen, doch nu is het mijn Meester die mij volgt. Ik weet natuurlijk dat ik mij schuldig maak aan een afschuwelijke misdaad. Ik word daar evenwel toe gedwongen en handel niet uit eigen vrije wil, dus kleeft mij geen zonde aan. Welke zonde ik ook heb begaan, als Râma's pijl mij treft, door Hem eigenhandig afgeschoten, dan zal deze schijngedaante verdwijnen. Dat gelukkige lot zal mij beschoren zijn. Hoevelen verlangen niet naar een dergelijk levenseinde en hoevelen bereiken het? En dan is er nog iets waarom ik mij gelukkig mag prijzen. Bij mijn laatste ademtocht zullen mijn ogen op Râma gevestigd zijn! Die goddelijke schoonheid zal voor mij staan en zijn naam zal op mijn lippen zijn! O, wat draagt mijn leven nu rijke vrucht! Naar mijn mening is er niemand fortuinlijker dan ik!'

 

Terwijl Maricha langzaam naar de hermitage liep, was hij verzonken in deze gelukzalige gedachten. De alwetende Râma en de alwetende Sîtâ waren beiden in afwachting van zijn komst. Het hert kwam aarzelend nader en betrad met zichtbare schroom het terrein van de hut. Het vestigde zijn blik op Râma en Sîtâ en bleef even staan. Toen maakte het enkele dartele sprongetjes, tuurde in het kreupelhout en uit louter nieuwsgierigheid liep het erin en in een oogwenk ook weer uit. Sîtâ, Râma en Lakshmana sloegen zijn capriolen gade en bewonderden het fraaie dier. Toen zij de gouden vacht opmerkten, kwamen zij tot de slotsom dat het hert van een vreemde soort was. Zij werden getroffen door zijn ongewone kenmerken en waren gefascineerd door zijn bekoorlijkheid. Sîtâ sprak: 'Mocht ik dit hert maar bij mij houden, dan zou ik mij aangenaam kunnen verpozen in zijn gezelschap. Als jullie beiden bezig zijn met zaken die alleen jullie aangaan, zou ik heerlijk kunnen spelen met dit bijzondere dier. Wil je dit aardige beestje niet voor mij vangen? Kun je deze bescheiden wens niet vervullen, zodat ik mij kan vermaken als ik alleen ben, door het te aaien en te zien ronddartelen?' Zo smeekte Sîtâ in een schijnbaar diepe gehechtheid aan het geheimzinnige hert. Toen Lakshmana dit opmerkte, stond hij meteen op en sprak: 'Moeder! Laat mij hem voor u vangen.' Râma weerhield hem, wetend dat het hert slechts Hemzelf in handen zou vallen.

Lakshmana wist niet wat voor spel er werd opgevoerd, een spel waarvan dit de proloog was. Râma sprak: 'Lakshmana! Het hert moet gevangen worden zonder dat het enig letsel wordt toegebracht. Daarom moet ik het zelf achtervolgen en vangen. Ikzelf moet deze wens van Sîtâ vervullen.' Deze woorden deden Lakshmana zwijgen en gehoorzamend aan Râma's bevel, zette hij zich terneer.

Aangezien de volgende bedrijven van het drama aan Sîtâ en Râma bekend waren, doch Râma deze wetenschap voor zich wilde houden, zei Hij bovendien: 'Lakshmana! Dit woud is de verblijfplaats van de Râkshasa's. Vergeet niet wat er twee dagen geleden is gebeurd toen hun leiders Khara en Dushana ons overvielen. Hun verwanten en kameraden zouden wel eens met een grote krijgsmacht hierheen kunnen komen en ons aanvallen. Het is daarom noodzakelijk te allen tijde pijl en boog gereed te houden en uiterst waakzaam naar alle richtingen uit te blijven kijken. Bewaak Sîtâ met grote oplettendheid. Laat haar onder geen beding alleen. Het hert zou kunnen ontsnappen en ver weg vluchten. Ik moet het levend vangen, dus het kan wel enige tijd duren aleer ik die taak heb volbracht. Gebruik je gezonde verstand en je lichamelijke vaardigheden zoals de omstandigheden eisen en behoed Sîtâ voor elk gevaar dat haar tijdens mijn afwezigheid mocht bedreigen.'

Daarop ging Râma op jacht naar het vreemde hert en verdween uit het zicht. Het hert keek niet vooruit, doch rende voort met de kop omgedraaid, zodat het de ogen op Râma, zijn achtervolger, gericht kon houden. Toen Râma dit zag, was Hij zeer verheugd. Râma wist dat het hert Maricha was, zijn grote toegewijde, die het Râma-principe en de macht van Râma had ervaren en verwezenlijkt. Dus hield Râma op zijn beurt zijn blik op het hert gericht en bleef Hij zijn gang zeer aandachtig volgen. Het ene ogenblik kwam het dier binnen zijn bereik, dan weer nam het een geweldige sprong om Râma iets verder weg te lokken. Deze leek genoegen te scheppen in de spannende achtervolging. Maar toen Hij dit spel enige tijd had meegespeeld, spande Râma zijn boog en schoot een pijl af op het hert, die onmiddellijk doel trof. Toen de dodelijke pijl hem trof, riep Maricha gekweld uit: 'Ach, Sîtâ! 0, Lakshmana!' en viel ter aarde. Sîtâ en Lakshmana hoorden zijn kreten. Nog voordat het geluid hen bereikt had, vroeg Sîtâ: 'Lakshmana, hoorde jij dat? Dat is de stem van je broer. Hij roept je te hulp. Ga onmiddellijk naar Hem toe, snel! Die Râkshasa's zijn meesters in magische gedaanteveranderingen en andere listen. Door die verwisselingen van vorm en voorkomen veroorzaken zij de grootst mogelijke rampspoeden.' Het was Sîtâ's bedoeling dat Lakshmana zich haastig naar de plek zou begeven waar de kreten vandaan kwamen.

Lakshmana was een intelligent persoon, die gewend was zijn onderscheidingsvermogen te gebruiken en de juiste conclusies te trekken. Tevens volgde hij immer trouw de aanwijzingen van zijn broer op. Hij had ontzag voor diens bevelen, die hem even dierbaar waren als zijn eigen adem. Dus sprak hij: 'Moeder! Er kan Râma nimmer enig onheil geschieden. Geen Râkshasa, hoe geslepen ook, kan Râma deren. U hebt toch met uw eigen ogen gezien hoe Hij in een oogwenk duizenden Râkshasa's heeft gedood? Maakt u geen zorgen, doch vat moed en bewaar uw kalmte. Râma zal spoedig gezond en wel in deze hermitage terugkeren.' Juist op dat ogenblik klonk nogmaals de kreet uit de verte: 'Ach Sîtâ! Ach Lakshmana!' Hierop werd Sîtâ nog meer verontrust en verward. Zij sprak: 'Lakshmana! Waarom gedraag je je zo harteloos? Ik begrijp je bedoelingen niet. Ga snel. Ga toch en help Râma om een eind te maken aan de gevaarlijke situatie waarin Hij geraakt is. Ga nu!' Op allerlei wijzen liet zij haar vrees en bezorgdheid blijken en deed haar uiterste best om Lakshmana ertoe te bewegen haar alleen te laten. Vanzelfsprekend wist Sîtâ maar al te goed dat Râma van niets of niemand iets te duchten had. Doch bepaalde gebeurtenissen moesten plaatsvinden om de grondslag te leggen voor toekomstige ontwikkelingen. Zij deed het voorkomen alsof zij een onwetende vrouw was, die getroffen was door het geroep.

Lakshmana sprak haar geruststellend toe zo goed hij kon. Op deerniswekkende toon smeekte hij Sîtâ te begrijpen dat hij zijn broer niet ongehoorzaam kon zijn. Toen hij inzag dat Sîtâ al zijn argumenten en smeekbeden terzijde wierp, zei Lakshmana tenslotte: 'Moeder! Râma's bevel is als mijn eigen leven. Ik acht het even kostbaar als mijn adem. Hebt u niet gehoord hoe Râma mij beval u nimmer onbewaakt achter te laten, doch u te allen tijde te beschermen? Ik zal derhalve geen stap van u wijken, wat er ook gebeurt.'

Sîtâ wilde dat Lakshmana ver weg werd gelokt, want Râvana moest de hermitage kunnen naderen. Zo was het plan dat Râma had beraamd om de vernietiging van Râvana en de Râkshasa's te bewerkstelIigen. Zij moest Râma's wil vervullen. Dus hield ook zij voet bij stuk en sprak in bewoordingen die nog scherper en pijnlijker waren, opdat Lakshmana wel zou moeten toegeven. Lakshmana hield met de handen zijn oren dicht. Hij kon de verwijten en beschuldigingen niet verdragen. Hij sprak: 'Moeder! Ik zal alle toorn die u over mij uitstort geduldig dragen.' Toen Sîtâ evenwel haar toon verscherpte en dreigde zelf Râma te hulp te zullen schieten als hij dat niet deed, bleef Lakshmana geen andere keus. Hij kon het niet langer aanhoren. Hij kon niet toelaten dat Sîtâ in het woud ronddoolde om Râma te zoeken en Hem te helpen. Dus verliet hij de hut met een bezwaard gemoed en ging op zoek naar Râma.

Aleer Lakshmana Sîtâ verliet, smeekte hij haar binnen te blijven en zich in geen geval buiten te wagen. Hij drukte haar op het hart voorzichtig en waakzaam te zijn. Tegen zijn zin en met lome schreden begaf hij zich tenslotte op weg. Hij wendde zich om en richtte zich tot de woudgeesten, hen smekend om over Sîtâ te waken. Hij trok vier lijnen om de hut heen die hij door bezweringen onder een geheimzinnige en machtige mantrische kracht stelde. Hij bezwoer Sîtâ onder geen enkele voorwaarde over deze lijnen heen te stappen, onder welk voorwendsel of welke pressie dan ook. Lakshmana was begiftigd met alle mogelijke deugden. Hij zat gevangen tussen zijn loyaliteit aan twee tegengestelde bevelen en kon aan geen van beide ongehoorzaam zijn. Daardoor werd hij overmand door zielenpijn. Hij moest noodgedwongen handelen tegen Râma's bevelen in en moest Sîtâ alleen en onbeschermd achterlaten. Zijn hart beefde van angst en vrees. Hij begon te lopen, ofschoon zijn benen het welhaast begaven. Bij iedere stap voorwaarts keek hij om naar de hut.

Op datzelfde ogenblik veranderde Râvana zijn uiterlijk en zijn kleding, want op deze gelegenheid had hij gewacht. Hij had alle uiterlijke kenmerken van een rishi, maar het was zijn bedoeling - hoewel hij van nature de macht bezat door zijn naam alleen al goden en demonen angst aan te jagen - naderbij te sluipen als een sluwe vos. Overal om zich heen kijkend, trad hij heimelijk en met bonzend hart de hermitage binnen. Toen hij poogde de hut aan de voorkant binnen te gaan, leken de geheimzinnige strepen die Lakshmana had getrokken, met vurige tongen aan hem te likken. Hij vreesde dat zijn plan zou mislukken en dat hem zelfs erger te wachten stond. Dus bleef hij buiten de scheidslijn staan en riep: 'Vrouw des huizes! Geef mij een aalmoes!'

Sîtâ hoorde hem roepen en wist dat het Râvana was. Zij trad door de deur naar buiten met in haar handen enkele vruchten en knollen. Toen bleef zij staan. Râvana durfde echter niet naderbij te komen om het voedsel aan te nemen. Hij sprak: 'Ik mag niet dichtbij een kluizenaarsverblijf komen, dat verbiedt mijn gelofte mij.' Hij wilde dat Sîtâ hem de aalmoes in handen zou geven. Sîtâ antwoordde: 'Neen, ik kan niet over de scheidslijn gaan die mijn zwager heeft getrokken. Komt u toch zelf naar voren, vereerde gast! Ontvang de aalmoes op deze plaats van mij.' Nogmaals drong de zogenaamde bedelaar aan: 'Mevrouw! Ik zal niet over de streep stappen om uw terrein te betreden. Ik kan evenmin aalmoezen accepteren die mij van de andere zijde van een scheidslijn worden aangereikt. Dat betaamt asceten zoals ik niet. Kom, geef mij nu uw goede gaven, ik heb honger, erge honger.' Hij speelde zijn rol zo overtuigend, met veel zuchten en smekende gebaren, dat Sîtâ besloot hem de aalmoes te geven die zij in haar handen hield, dus stapte zij over de streep en was in Râvana's nabijheid.

Het gehele voorval duurde luttele seconden. Sîtâ had nauwelijks de scheidslijn overschreden of Râvana trok haar aan de hand mee en tilde haar in een gereedstaande wagen. Hij sloeg geen acht op haar geweeklaag, maar joeg de wagen voort met grote vaart. Sîtâ schreeuwde luid: 'O, Râma, Lakshmana! Kom mij redden uit de handen van dit boosaardige monster.' De kluizenaars en woudbewoners in de omgeving van Panchavati hoorden de kreten, maar waren onmachtig het klagende slachtoffer te helpen. In het hele woud veranderde het frisse groen in dor bruin toen de stem vol angst en zielenpijn erdoorheen klonk. 'O, Râma! O, Meester! Red mij. O, kom mij te hulp. Bescherm mij tegen dit monster!' Het was deze kreet die in het woud weerklonk en alles wat zich daarin bewoog of onbewegelijk was met grote droefheid vervulde. In de wagen sprak Sîtâ intussen Râvana vermanend toe: 'Râvana! U bent bezig een koninklijke weg te plaveien naar uw eigen ondergang. Door uw toedoen zullen uw keizerrijk, uw onderdanen en uw dynastie worden weggevaagd, zodat er geen spoor van zal overblijven. U begaat deze verachtelijke daad met een lach op uw gezicht, doch de dag zal zeker komen dat u ervoor moet boeten met tranen in de ogen. Gemene ellendeling! Deze wrede daad is iemand als u onwaardig, gezien de ascese die u hebt betracht.' Zij waarschuwde hem en gaf hem menige goede raad. Ondertussen bleef zij Râma en Lakshmana aanroepen om haar te redden.

De koning der arenden, Jatâyu, hoorde de klaaglijke kreten die uit de voortsnellende wagen kwamen. Hij herkende Sîtâ's stem en besefte dat die uit Râvana's wagen moest komen. Hij betreurde het dat hij zo oud was en daardoor te zwak om het op te nemen tegen Râvana, de schurk die haar wegvoerde. Hij moest in ieder geval alles doen om Râvana tegen te houden. Hij wist dat er geen edeler daad van dienstbetoon is dan een vrouw te redden uit de klauwen van een ontvoerder die haar heeft ontstolen aan haar heer en meester. Hij besloot om zo nodig zijn leven te geven voor het heilige doel Sîtâ aan Râvana's duivelse greep te ontrukken en voor dit hulpbetoon al zijn energie en kunde aan te wenden. Terwijl hij boven de wagen cirkelde, riep Jatâyu: 'O, Sîtâ! Wees niet bevreesd. Ik zal deze wrede schurk vernietigen en u bevrijden. Ik zal u bij Râma terugbrengen.'

 

Hij vloog voor de wagen langs en trof Râvana verscheidene malen met zijn scherpe snavel, zodat deze hevig bloedde. Hij sloeg tegen de wagen met zijn vleugels en poogde hem te stoppen door zware windstoten te veroorzaken die het voertuig moesten vertragen. Zelfs in volle vlucht gaf Jatâyu Râvana het goede advies zijn leven te beteren eer het te laat was. 'Râvana! Deze stap zal je geen heil brengen. Laat Sîtâ gaan en ga veilig naar huis. Anders zullen jij en je gebroed als motten die aan de vlammen ten prooi vallen, in het vuur van Râma's gramschap verbranden. Je hoogmoed zal tot je algehele vernietiging leiden. Het ontvoeren van andermans vrouw is een gruwelijke zonde. Slechts een zondig hart zal de vrouw van een ander begeren en naar haar op zoek gaan. Slechts een minderwaardige bruut, die minder is dan een hond of een vos, kan zo diep zinken. Je gedraagt je als iemand die zo bezeten is dat hij geen acht slaat op de gevolgen van zijn daden. Denk eens goed na. Bestaat er een wredere misdaad dan deze? O, wat voor zonde hebben je ouders begaan om jou als zoon te moeten erkennen? Omdat jij je verlaat op je lichaamskracht, je rijkdom en op de onderdanen die je in je macht hebt, ben je hoogmoedig geworden. Doch luister goed: dat alles zal in vlammen opgaan en in de as gelegd worden. Zelfs de vermogens die je door je ascese hebt verworven, zullen je in een oogwenk worden ontnomen. Zou jij lijdzaam toezien wanneer jouw vrouwen begeerd en ontvoerd werden door andere Râkshasa's? Bovendien zullen degenen die respect koesteren voor vrouwen, of het hun eigen vrouw is of die van een ander, zich nimmer zulk een vreselijk lot op de hals halen.' Terwijl hij deze uitmuntende raad gaf, vloog Jatâyu een eindweegs met de wagen mee. Sîtâ werd door Jatâyu's woorden zeer getroost. Het bemoedigde haar dat deze gedachten zo duidelijk werden uitgesproken [zie ook S.B. 4.19:16].

Jatâyu slaagde erin de wagen te laten stilhouden en Râvana te dwingen de strijd met hem aan te gaan nadat deze Sîtâ uit de wagen had laten stappen en haar naar een plaats onder een boom had geleid. Maar zijn hoge leeftijd eiste zijn tol. Hij kon niet langdurig vechten en weldra was hij overwonnen. Tijdens het gevecht wist hij echter de kroon van Râvana's hoofd te stoten en hem enige plukken haar uit te trekken. Hij pikte zo fel naar Râvana's lichaam en op zoveel plaatsen, dat deze veranderde in een bloedende vleesmassa. Jatâyu's snavel en zijn wijd uitgespreide vleugels verwondden Râvana deerlijk en krenkten zijn trots. Als laatste redmiddel trok Râvana zijn scherpe cirkelvormige zwaard en sneed daarmee Jatâyu's vleugels af, zodat deze hulpeloos ter aarde stortte. Het leven van een arend hangt af van zijn vleugels. Dus riep Jatâyu terwijl hij viel, in zijn ondragelijke pijn de naam van Râma aan.

'Ik heb zonder enige bedenkingen gevochten voor mijn Meester, maar mijn strijd was vergeefs. Ook dat is Râma's wil. Râma moet dit alles zo bestierd hebben om de wereld tot heil te strekken. Hoe zou Sîtâ anders met geweld meegevoerd kunnen worden zonder dat Râma's wil het zo heeft beschikt? Ik heb nu nog slechts een bede aan Hem. Ik moet tenminste zo lang leven dat ik Hem kan zien en Hem dit nieuws kan overbrengen. Er staat mij in dit leven niets belangrijkers meer te doen.' Zo sprekend sloot Jatâyu de ogen en verzonk in gebed.

Râvana had intussen Sîtâ weer in de wagen gezet en ging er haastig en met veel tumult vandoor. Jatâyu zag hem langskomen en hoorde Sîtâ luid om hulp roepen. Jatâyu was vervuld van smart omdat hij geen tegenstand meer kon bieden. Hij lag in een plas van zijn eigen tranen, met een diep verlangen naar Râma en Zijn naam op de lippen. Hij dacht: 'Als de dood nadert en rampspoed ophanden is, dan gedraagt de natuur zich op onverwachte wijze, ter lering en waarschuwing. Alles raakt in grote verwarring. Ook Râvana hier doet nu zo vreemd omdat zijn einde nabij is en zijn vrienden en verwanten aanstonds van de aardbodem zullen worden weggevaagd.' Jatâyu was zich van deze waarheid bewust en lag stil terneer. Slechts zijn wilskracht hield hem in leven terwijl hij wachtte op Râma's komst.

Râma keerde terug naar Panchavati vanuit het diepste woud, nadat Hij Maricha in de gedaante van het gouden hert had gedood. Hij nam aan dat de intrige van zijn verhaal zich nu wel ontwikkeld zou hebben in de hermitage, zoals Zijn wil dat had bevolen. Hij zei bij zichzelf: 'Ofschoon dit slechts het prille begin is van mijn plan, moet het volk niet al te vroeg begrijpen dat het een goddelijk ontwerp betreft. Hierna moet ik mij als een gewone sterveling gedragen.' Toen Hij halverwege was, zag Hij Lakshmana naderen en Hij besloot dat ook deze onkundig moest blijven van het verborgen doel van dit schijnbare drama. Dus vroeg Hij alsof Hij verontrust was: 'Lakshmana! Broer! Je bent mij ongehoorzaam geweest en je hebt mijn woorden genegeerd. Je bent weggegaan en hebt Sîtâ alleen in de hut achtergelaten. Hoe heb je dat kunnen doen? Zo ver weggaan en haar hulpeloos achterlaten! Helaas! Je hebt elke dag getuige kunnen zijn van de demonische schanddaden van het Râkshasa-gebroed. Hoe kon je dan Sîtâ zo in de steek laten? Ach! Wat is haar overkomen? Ik vrees dat zij door een of ander onheil is getroffen. Ik heb er een voorgevoel van dat Sîtâ niet langer in de hut is. Ach, wat moeten wij nu doen? Wat staat ons nu te wachten?'

Bij het horen van deze jammerklacht, wierp Lakshmana zich aan zijn broers voeten en sprak: 'Broer! U kent mijn gevoelens en gedachten even goed als die van uzelf. Wat er ook gebeuren moge, ik ben te allen tijde bereid mijzelf, mijn leven aan uw voeten te leggen. Zou ik ooit tegen uw bevelen ingaan? Toch is het ditmaal gebeurd. Ik werd tot ongehoorzaamheid gedwongen omdat dit zo was voorbestemd door mijn lot. Wat kon ik doen? De kreet "Ach, Sîtâ ! O, Lakshmana!" die oprees uit de keel van dat valse hert, drong de hermitage binnen. Zodra Sîtâ dat roepen hoorde, drong zij erop aan dat ik u te hulp zou snellen. Ik ken de listen en lagen van de Râkshasa's, dus wierp ik mij aan haar voeten en smeekte haar om vergiffenis. Ik zei tot haar: "Niemand kan Râma ook maar de geringste schade berokkenen. Hij verkeert nimmer in gevaar. De kreten die wij hebben gehoord, zijn slechts een list van de Râkshasa's.' Toen hoorden wij de roep ten tweede male. Deze ontnam Sîtâ alle moed. De stem was een perfecte nabootsing van de Uwe. Hierop verloor Sîtâ haar bezinning. Zij vergat de morele verplichtingen tegenover verwanten en familie en nam woorden in de mond die gebezigd noch aangehoord mogen worden. Het was meer dan ik kon verdragen. Dus drukte ik haar op het hart alle nodige voorzorgsmaatregelen te nemen. Ik deed al het mogelijke om haar veiligheid te waarborgen en verliet daarop de hut. Ik zal met vreugde elke straf aanvaarden die U mij oplegt en elke maatregel verwelkomen die U neemt om mij te laten boeten voor de fout die ik heb begaan.' Met deze woorden wierp Lakshmana zich languit aan Râma's voeten.

Hierop sprak Râma: 'Lakshmana! Je had Sîtâ nooit alleen mogen laten, om welke reden dan ook. Ik vrees dat Sîtâ niet in de hut zal zijn als wij daar aankomen. Hoe kunnen wij erop bogen dappere mannen te zijn nu wij, tijdens ons verblijf in het woud, niet in staat zijn gebleken te voorkomen dat Sîtâ werd weggevoerd door de Râkshasa's? Kun je het verdragen als mensen later zullen zeggen dat Râma niet bij machte was Zijn vrouw te beschermen tegen het onheil van deze ontvoering? Als je zulke praatjes hoort, kun je dan nog je innerlijke kalmte bewaren? Ach, hoe zal Ik deze tragedie kunnen dragen?' Râma zuchtte en kreunde van hevige zielenpijn, als ware Hij een onwetende. Hij liep snel naar de hut om te zien of Zijn vrees gegrond was.

Zoals Râma had voorzien, was Sîtâ niet in de hut te vinden. Met naar het scheen ondraaglijk verdriet betreurde Râma haar verdwijning. Lakshmana viel ter plekke neer, overweldigd door smart. Wetend dat hij deze catastrofe veroorzaakt had, wilde hij het liefst een eind aan zijn leven maken. Hij besefte echter weldra dat hij daarmee Râma, die reeds van Sîtâ was beroofd, nog meer verdriet en moeilijkheden zou bezorgen. Als hij stierf en deze wereld verliet, zou Râma treurig en alleen door het woud moeten dwalen en er zou niemand zijn die Hem te eten en te drinken gaf. Lakshmana kon Râma's smart om het verlies van Sîtâ niet aanzien. Hij zocht naar de juiste woorden om Râma te troosten en te kalmeren, doch vond ze niet. Nogmaals liet hij zijn gedachten gaan over de gebeurtenissen van die dag. Hij kwam al snel tot de conclusie dat Râma's eigen wil alles zo beschikt had. Hij besefte dat zijn broer geen gewoon mens was en dit bracht hem tot het inzicht dat alles wat er gebeurde een onderdeel was van het drama dat voorbeschikt was om de hele mensheid geestelijke groei en voorspoed te brengen. Want Hij die de tranen uit ieders ogen zou willen wissen, die de beschermer was van de wereld, die tot nu toe nimmer een zweem van droefheid had getoond, was nu aan het jammeren en wenen als een gewone sterveling om het gemis van zijn vrouw! Terwijl hij dit alles gadesloeg, kon Lakshmana er makkelijk uit concluderen dat zich hier een toneelstuk ontrolde waarvan Râma de regisseur was! Lakshmana wist maar al te goed dat Sîtâ's zuiverheid en rechtschapenheid zonder weerga waren. Dat juist een vrouw van een dergelijke unieke zuiverheid dit ongeluk moest overkomen, viel niet te verklaren, tenzij het hoorde bij haar rol in het spel of deel was van een goddelijk plan door Râma zelf beraamd. Niemand, waar ook ter wereld, kan zelfs de geringste daad verrichten zonder dat Râma daartoe bevolen heeft! Râma was echter als mens onder de mensen gekomen om hen door zijn voorbeeld te leiden langs het pad van gerechtigheid, rechtschapenheid, onthechting, toewijding, deugdzaamheid, waarachtigheid, zedelijkheid en nederigheid. Lakshmana besefte dat dit de betekenis was van het spel dat Râma en Sîtâ opvoerden. Hij zag in dat hijzelf slechts een acteur was wiens enige plicht hieruit bestond de rol die hem was toebedeeld zo goed mogelijk te vervullen.

Gesterkt door deze gedachten naderde Lakshmana Râma en wierp zich aan diens voeten. Hij sprak: 'Broer! Ik weet dat U de regisseur bent van het drama dat 'kosmos' heet. Er is niets dat U niet kunt, niets dat U niet weet. Alles wat er gebeurt, verloopt uitsluitend volgens Uw wil. De huidige gebeurtenissen konden niet plaatsvinden zonder Uw medeweten. Ontkennen zal niet baten, want ik ben ervan overtuigd dat het waar is. Ik geloof dat U door deze incidenten wilt bewerkstelligen dat de vrede op aarde bevorderd wordt en dat het Râkshasa-volk zal worden vernietigd. Dit is wat mijn verstand mij influistert en wat het mij dwingt te geloven. Dit moet wel de waarheid zijn achter het spel dat wordt opgevoerd. Ik smeek U, schenk mij innerlijke vrede door mij de waarheid te zeggen.' Râma antwoordde glimlachend: 'Lakshmana! Je bent als een van mijn ledematen. Hoe zou ik iets voor je kunnen verbergen? Je hebt de waarheid geraden. Ik ben inderdaad geïncarneerd om de rechtschapenheid (dharma) te handhaven en te koesteren. Om dit te doen, moet ik allerlei scènes opvoeren die rechtvaardig en onrechtvaardig gedrag uitbeelden. Een huilende baby moet worden getroost tot hij ophoudt met schreien en weer blij is, door met hem te babbelen en met hem te spelen met kleurige en klingelende speeltjes, door hem te wiegen en voor hem te zingen. De moeder moet soms allerhande foefjes bedenken om de baby te bewegen de melk te drinken die hij nodig heeft. Het kind voeden is het doel. De middelen daartoe zijn echter zeer nuttig: de liedjes, lieve woordjes, speeltjes, de afleiding, het wiegen en liefkozen. Door deze methoden wordt de honger van het kind gestild en houdt het huilen op; daarvoor worden ze aangewend. Bekijk al deze middelen samen en ontdek hoe de honger werd gestild en er een eind kwam aan het verdriet. Beste broer! Evenzo moet ik, die de Moeder ben van het universum, op allerlei verschillende wijzen handelen om de grondslag van rechtschapenheid in de wereld te vernieuwen en het onrecht te vernietigen. De huidige gebeurtenissen hebben een tweevoudig doel: verdriet wegnemen en gelukzaligheid gewinnen. Het zijn zeer zeker geen gebaren zonder betekenis. Gewone mensen baseren hun gedrag op de idealen die hun worden voorgehouden. Als leermeester en leider moet Ikzelf derhalve het ideale gedrag vertonen dat hun ten voorbeeld zal strekken. Als Ik niet leef volgens de idealen die Ik anderen voorhoud, heb Ik geen recht hun Meester en leider te zijn. Als er meesters en leiders ten tonele verschijnen die hun positie niet waardig zijn en niettemin gezag uitoefenen, dan raakt dharma in verval en woekert de onrechtvaardigheid onbelemmerd voort. Bedenk daarom, broer, dat zij die gezag dragen als leermeesters en leiders van het volk, in hun dagelijkse praktijk het gelijk van hun raadgevingen zullen moeten aantonen. Zij moeten helpen de door hen verkondigde idealen te verwezenlijken door eigen oprechte inspanning. Zo verwerven zij de genade van God en de dankbaarheid van het volk.

Sîtâ weet welke rol zij speelt. Deze twee lichamen - van Sîtâ en van Mij - tonen de vreugde en de pijn van vereniging en scheiding, doch louter als lichamen! De smart en de vreugde, het geween en gejammer, zij zijn denkbeeldig en onwerkelijk. Zij vloeien voort uit de behoeften en noodzakelijke handelingen die behoren bij de incarnatie die Ik op mij heb genomen, samen met andere beperkingen. Ik vertel je nu in vertrouwen wat mijn 'werkelijkheid' omvat. Bedenk wel dat ook jij hebt te handelen in overeenstemming met tijd en plaats, oorzaak en gevolg, gelegenheid en ontvanger, terwijl de geschiedenis zich ontvouwt. Dit goddelijke mysterie gaat het verstand van anderen te boven. Dus moet je ook met geen woord reppen over hetgeen Ik je zojuist heb verteld en je goed aan de spelregels houden. Wij moeten ons concentreren op de missie waarvoor wij gekomen zijn.'

Na deze openbaring stortten zij zich onmiddellijk op hun taak: het zoeken naar Sîtâ. Gedurende deze tocht speelden zij beiden hun rol met grote oprechtheid en op bewonderenswaardige en realistische wijze. Niet alleen de broers, maar ook Sîtâ spreidde de opperste zedelijke grootheid tentoon en handelde met dezelfde standvastigheid en oprechtheid, ofschoon de Râkshasa's die haar gevangen hielden en bewaakten, haar terroriseerden en op de meest wrede wijze bedreigden. Zij gaf zich niet gewonnen, toonde geen spoor van wankelmoedigheid en hield zich dapper aan haar vaste voornemen zichzelf te beschermen en haar zuiverheid te bewaren. Zij deed haar gelofte gestand zonder enige smet of blaam.

Het toneelstuk dat door de betrokkenen werd opgevoerd, hield ieder gezin en elk individu het hoogste ideaal voor van moreel gedrag. Het toonde vaders, moeders, echtgenoten, broers en vrienden de gedragsregels die zij geacht werden te volgen en hoe iedereen zich aan zijn beloften moest houden en zijn deugden moest bewaren. Is het nodig verder uit te weiden? De Ramâyana geeft de idealen aan voor alle menselijke betrekkingen en voor de verwezenlijking van het hoogste doel van elk mensenleven. Nergens anders vindt men een zo grote verscheidenheid en hoeveelheid aan morele uitspraken en leringen met hun praktische toepassingen. Deze ene tekst van de Ramâyana is doordrenkt met aanwijzingen voor juist gedrag onder alle omstandigheden. De Ramâyana leert ons hoe de menselijke geboorte recht van bestaan heeft, hoe een koninkrijk bestuurd moet worden, hoe de reacties van het volk in goede banen geleid moeten worden en hoe er wetten moeten worden ontworpen die de wensen van het volk kunnen vervullen en aan banden kunnen leggen. Als iedereen de Ramâyana grondig zou bestuderen en naleven in de dagelijkse praktijk, zou de mensheid vrede en voorspoed verwerven op elk gebied.

Om enige aanwijzing te vinden over hoe Sîtâ was weggevoerd, of wanneer, waarom en waarheen, verlieten Râma en Lakshmana de hut en namen ze hun wapens mee. Zij onderzochten elk waterreservoir en speurden rond op iedere heuvel in de streek, doch vonden geen enkel spoor. Terwijl zij aldus voortgingen, stuitten zij op afgebroken boomtakken die dwars over het pad lagen. Er waren meerdere tekenen dat er op die plek strijd was geleverd, zoals gebroken pijlen en bloedsporen. Râma vestigde Lakshmana's aandacht op deze aanwijzingen en sprak: 'Er schijnt hier een gevecht te hebben plaatsgehad.' Hij keek om zich heen in een poging te ontdekken wie er hadden gevochten. Hij vond een arend met een waarlijk koninklijk voorkomen, die op de grond lag, snakkend naar adem, doch niettemin eerbiedig en met de ogen gesloten de aanbeden naam herhalend: 'Râma, Râma.' De broers liepen recht op de vogel af en streelden liefdevol zijn kop en lijf. Toen hij de zegen ontving van Râma's zachte aanraking, hervond de vogel weer even wat van zijn krachten. Hij opende zijn ogen en keek om zich heen. Hij zag de schone gestalte van Râma, die alle werelden voor zich inneemt. Plotseling werd hij overweldigd door een stortvloed van zowel vreugde als smart. De zwaargewonde vogel kon zich temauwemood bewegen of omdraaien, dus kroop hij iets naar voren, hief zijn kop op en legde die aan Râma's voeten. Râma vlijde Jatâyu's kop op zijn schoot en liefkoosde hem teder, tot de vogel wat alerter en levendiger werd.

Jatâyu sprak met zwakke stem: 'Heer! De verdorven Râvana - die zich liet leiden door boosaardige beweegredenen, die gerechtigheid en oprechtheid verloochende en de vermogens vergooide die hij had verworven door jarenlange ascese - heeft moeder Sîtâ in zijn strijdwagen uit dit woud weggevoerd, tersluiks als een hond en sluw als een vos. De moeder van alle werelden, de dochter van Janaka jammerde luidkeels: 'Râma, Râma" en hulde daarmee het ganse woud in treurnis. Ik hoorde de weeklacht doch wist niet van wie deze afkomstig was. Ik vloog eropaf en ontdekte tot mijn ontsteltenis en smart dat degene die in nood verkeerde, moeder Sîtâ was! Ik kon niet kalm blijven toezien. Hoewel ik oud en versleten ben, ontleende ik voldoende kracht en moed aan het uitspreken van Uw naam om de strijd met Râvana aan te binden. Ik pikte zo verwoed naar hem dat het bloed over zijn gehele lichaam stroomde. Râvana zette Sîtâ neer in de schaduw van een boom en begon als een bezetene te vechten. Hij trok zijn cirkelvormige zwaard en hieuw mijn vleugels aan flarden. Ik kon niets doen om te verhinderen dat hij met Sîtâ verder reisde. En zo lag ik hier, wenend om mijn nederlaag en wachtend op Uw komst. Ik ben diep ongelukkig, want ik moest toezien hoe deze schurk moeder Sîtâ ontvoerde en ik kon haar niet redden.' Bij deze woorden schreide Jatâyu tranen van wanhoop.

Râma toonde grote belangstelling en bezorgdheid en sprak de vogel als volgt toe: 'O, koning der vogels! Ik zal uw hulp nimmer vergeten. De goede daad die u hebt verricht, zal u gelukzaligheid schenken in het hiernamaals. Wees niet bedroefd.' Aldus sprekend veegde Râma met zijn eigen haren het stof van de vleugels. Lakshmana ging intussen haastig water halen om Jatâyu's dorst te lessen en hem te verfrissen. Râma diende de vogel het water druppelsgewijs toe. Jatâyu was zo opgetogen dat hij dit geluk mocht smaken dat zijn ogen straalden in vervoering. Hij sprak: 'Râma! Mijn lot is zelfs gelukkiger dan dat van Uw vader, want hij kreeg niet de kans zoals ik, om uit Uw handen water te drinken aleer hij deze wereld verliet. Ik heb de laatste druppels uit Uw gouden handen ontvangen! Ik mocht in Uw schoot rusten en de nectar van Uw vingers drinken. Als ik straks mijn laatste adem uitblaas, mag ik mijn ogen verzadigen aan het beeld van Uw bekoorlijke lotusgelaat. Ik geloof stellig dat mijn ziel zal opgaan in U. O, ik ben waarlijk gezegend.' Hij vervolgde met zwakke stem: 'Râma! Die verschrikkelijke demon heeft zich in zuidelijke richting begeven en hij heeft waarschijnlijk Lankâ reeds bereikt. Ga daarom onverwijld naar Lankâ, dood dit wrede monster en word met moeder Sîtâ herenigd.' Jatâyu kon niet meer spreken. Nog eenmaal riep hij: 'Râma' en blies toen de laatste adem uit. Râma liet Jatâyu's levensadem opgaan in Hem. Hij voerde de dodenriten uit voor de vogel en nam het rituele afscheidsbad. Hierna begaf Hij zich naar het zuiden en stelde zich in gedachten de zuidelijke streken voor en de beproevingen die Sîtâ daar moest doorstaan.

Onderweg werden Râma en Lakshmana opgemerkt door een vrouwelijke demon genaamd Ayomukhi. Zij werd getroffen door de schoonheid van hun verschijning. Zij zei bij zichzelf: 'Ach! Hoe schoon zijn de gestalten die ik hier zie, hoe wonderschoon! Welk een feest voor het oog! Ik moet beslist met hen beiden trouwen, dan zal ik gelukkig worden.' Na dit besluit greep zij de hand van Lakshmana en trok hem naar zich toe. Lakshmana leidde uit haar gedrag af dat zij behept was met dezelfde kwaal als Surpanakha en behandelde haar met overeenkomstige minachting. Hij sneed haar ledematen af en gaf haar een geduchte les. Het woud dat zij doorkruisten was even afschrikwekkend als de demonen die zij er tegenkwamen. Het werd geteisterd door wilde dieren, die angstaanjagend brulden, jankten en gromden. Zelfs de stoutmoedigste ziel zou huiveren in die omgeving en bij die geluiden.

Het pad van de broers werd op een gegeven ogenblik gekruist door de demon Kabanda, een reusachtige verwrongen en mismaakte verschijning. Deze wilde hun de doorgang beletten en deed het daveren in het woud met zijn onaards gebulder. Hij poogde Râma en Lakshmana te grijpen, doch Râma doodde hem voordat hij daarin slaagde. Kabanda was een monster zonder hoofd en met buitengewoon lange armen. Zijn mond bevond zich ter hoogte van zijn navel! Hij was de schrik van het woud en verslond alles wat hij met zijn lange armen kon grijpen. Door hem te doden, verloste Râma de woudbewoners van een geduchte vijand. Met de dood voor ogen besefte Kabanda wie zijn tegenstander was. Hij herkende Râma en sprak: 'Meester! U hebt mij vandaag bevrijd uit de ketenen van een vervloeking die mij dwong deze bespottelijke en wrede rol te vervullen. Ik ben van alle zonde gezuiverd doordat ik U heb aanschouwd.' Terwijl hij zich aan Râma's voeten wierp, sprak hij: 'U zult Uw missie ongehinderd en zonder vertraging volbrengen. U zult stellig over de macht van het kwaad zegevieren.'

Râma, de ruimhartige en vergevingsgezinde die eenieder liefheeft, verliet de plek en ging te voet verder, met zijn broer Lakshmana als enig gezelschap. Weldra kwamen zij een oude vrouw tegen. Zij liep gebogen en kon haar hoofd niet overeind houden. Zij kon niet scherp meer zien en haar handen beefden. Toen zij op hen toeliep, zagen de broers dat zij een mand met fruit op haar hoofd droeg. Zodra zij de bekoorlijke gestalten van de broers zag, wist zij dat het deze twee moesten zijn die de rishi's uit het woud met zoveel geestdrift en vreugde hadden beschreven! Zij bleef midden op het pad staan, zette de mand voor zich neer en fluisterde vol eerbied en dankbaarheid: 'Râma, Râma.' Lakshmana vermoedde dat het hier wederom een geslepen Râkshasa betrof die zich voor een ander uitgaf en kwaad in de zin had. Maar Râma wist dat Lakshmana's vermoeden ongegrond was. Hij stelde voor om onder een boom te gaan zitten die naast een hut stond. Râma wist dat de oude vrouw daar woonde. Toen de vrouw, Sabari geheten, [zie ook CK-23] de ogen als lotusbloemen opmerkte, de krullen op hun voorhoofd, de lange armen die tot de knieën reikten en de blauwe gelaatskleur van Râma, kon zij haar vervoering niet langer onderdrukken. Zij moest uiting geven aan haar liefde en verering en snelde naar voren om zich aan hun voeten te werpen. Zij vroeg: 'Waar komt U vandaan? Wat is Uw naam?' Râma antwoordde glimlachend en beheerst: 'Moeder! Wij komen uit Ayodhyâ en verblijven thans in het woud. Mijn naam is Râma en dit is mijn broer Lakshmana.' Hierop riep Sabari uit: 'Vader! Mijn langgekoesterde wens is in vervulling gegaan. Dag en nacht heb ik op Uw komst gewacht. Ik heb zo lang naar U uitgezien en in de verte getuurd dat mijn gezichtsvermogen is aangetast. Eindelijk wordt mijn wachten beloond. Mijn waken en vasten hebben vrucht gedragen. Ach! Deze beloning dank ik aan de genade van mijn goeroe. Het is de mysterieuze werking van Gods wil.'

Zij zette de mand dichtbij Râma. Deze vroeg haar: 'Moeder! U sprak over een goeroe. Wie is die goeroe van u?' Sabari sprak: 'Zijn naam is Mathanga Rishi. Aangezien vrouwen niet worden toegelaten in zijn âs'ram, heb ik, verscholen achter bomen en struiken, naar zijn lessen geluisterd. Ik heb mijn goeroe en andere rishi's gediend door de doornen te verwijderen van het pad dat leidt naar de rivier waarin zij hun bad namen. Ik deed dat meestal door over de grond te rollen, want het moest vroeg in de ochtend gebeuren, vóór zonsopgang. Ik verwijderde tevens de scherpe stenen die hun voeten konden verwonden. Evenals de leerlingen leefde ik van vruchten en knolgewassen. Onzichtbaar diende ik mijn meesters en bracht mijn dagen door op verborgen plaatsen in het woud. Mathanga, de Mahâtma, die mijn zielsverlangen kende, zei op zekere dag tot mij: 'Moeder! U bent thans op hoge leeftijd en als u zich zo blijft inspannen, zult u uw lichaam snel uitputten. Kom daarom in de âs'ram wonen en rust goed uit.' Toen ik aldus enige tijd in dienst van de âs'ram had doorgebracht, wenste de rishi zijn lichaam te verlaten en riep mij bij zich. Hij sprak: 'Sabari! De taak waarvoor ik ben gekomen is volbracht. Ik heb besloten thans mijn lichaam te verlaten. Je moet in deze âs'ram blijven wonen. Binnenkort komt Râma naar dit woud. Nodig Hem uit om in dit kluizenaarsverblijf binnen te treden en bied Hem je diensten aan, hoe bescheiden die ook mogen zijn. Moge deze âs'ram geheiligd worden door Zijn voetstappen.' Ik protesteerde uit alle macht en zei dat ik hier zonder hem nimmer gelukkig zou kunnen zijn. Ik smeekte hem mij mede te nemen wanneer hij zich in de dood begaf. Mijn goeroe was niet genegen aan mijn wensen gehoor te geven. Hij zei dat ik hier moest blijven om Râma's komst af te wachten en dat ik deze verantwoordelijkheid niet mocht ontwijken, noch de vreugde om Zijn komst mocht missen. Vanaf die dag leef ik hier voort, met de armen uitgestrekt om u te verwelkomen, met de ogen turend in de verte en dit afgetobde lichaam van mij meezeulend, opdat ik het moge beleven U te aanschouwen en te dienen. O, Râma! O, Heer! U die mededogen toont aan hen die gekweld en bedroefd zijn. U die in de harten van rishi's woont. De wens van mijn goeroe is vervuld. De âs'ram is hier slechts enkele stappen vandaan. Ik smeek u: heilig die plaats door er binnen te treden.' Sabari wierp zich aan Râma's voeten en bad Hem om het laatste verzoek van haar goeroe in te willigen.

Vanzelfsprekend was Râma verblijd over de toewijding van de oude vrouw. Omdat Râma de belichaming was van spontaan opwellende liefde, stond Hij op, begaf zich samen met zijn broer Lakshmana naar het kluizenaarsverblijf en trad er binnen. O! Sabari werd overweldigd door een golf van vreugde. Deze doorbrak al haar schroom en in haar stem klonk vervoering. Dit sieraad onder de vrouwen was tot op dat ogenblik te zwak geweest om enkele passen te doen en nu bleek zij als bij toverslag over de kracht van duizend olifanten te beschikken! Zij liep met veerkrachtige tred naar de rivier en keerde in een oogwenk terug met koel, helder water dat heerlijk smaakte. Voordat zij de zorgvuldig uitgekozen vruchten uit de mand aan de broers aanbood, proefde zij die zelf om zich ervan te vergewissen dat zij zoet en rijp waren. Terwijl Râma en Lakshmana ervan aten, keek Sabari gelukkig en dankbaar naar hun bekoorlijke gelaat. Even later, toen zij verzadigd waren, waste zij hun voeten. Zij besprenkelde haar hoofd met het water dat door die aanraking geheiligd was.

'Heer! Ik heb geen enkel verlangen meer. Wat voor zin heeft mijn leven hierna nog? Ik ben tot nu toe blijven leven om dat ene geluk te smaken: het aanschouwen van Râma. Dat verlangen is thans vervuld. Verlos mij door mijn levensadem, mijn ziel, te laten opgaan in Uw lotusvoeten. Wijzen en heiligen hebben tegenover mij talloze malen van Uw heerlijkheid getuigd. Vandaag mag ik die zelf ervaren. Daarom is mijn hart vol vreugde en dankbaarheid.' Râma at met smaak van het fruit dat Sabari Hem met zo veel toewijding aanbood. Hij sprak: 'Moeder! Deze vruchten zijn zo zoet als uw eigen hart. Men zal zulke vruchten aan geen enkele boom vinden, want de wilde soorten die in het woud groeien, zijn helemaal niet zo zoet. Dat kan ook niet, want de vruchten hier zijn immers gerijpt aan de heilige boom des levens, aan de takken van een zuivere geest, in de zonneschijn van de liefde.' Râma benadrukte steeds weer hoe heerlijk de vruchten Hem smaakten.

Het maakte Lakshmana overgelukkig Râma in deze stemming te zien, want deze had in lange tijd niet zo van fruit genoten. Alle voorgaande dagen had Lakshmana Hem met zoete woorden en smeekbeden pogen over te halen enkele vruchten te eten. Zelfs wanneer zij geschild en gesneden voor Hem waren neergezet, at Hij niet veel meer dan een halve vrucht. Râma was te bedroefd om het gemis van Sîtâ. Ondanks alle inspanningen van Lakshmana at Râma zo weinig dat zijn broer het nimmer voldoende vond. Vandaag gaf Sabari Hem het fruit dat rijp uit de boom gevallen was. Iedere dag weer had zij verse vruchten verzameld, gewassen en voor Râma bewaard. Wanneer Râma niet kwam, had zij ze gegeten als heilig voedsel dat haar door Râma Zelf was gegeven! Elke dag opnieuw had zij door het woud gezworven, op zoek naar vruchten die zoet genoeg zouden zijn voor Râma. Zo werd de dagelijkse oogst doordrenkt met haar liefde en toewijding, waardoor de vruchten nog eens zo begeerlijk werden. Het was Lakshmana duidelijk dat Râma ze daarom met zoveel vreugde verorberde. Het maakte Lakshmana zeer gelukkig. Hij bewonderde Sabari's toewijding, die nu zo rijkelijk werd beloond en hij besefte dat zij de goddelijke gelukzaligheid die haar thans vervulde, dankte aan de lange jaren van spirituele oefening (sâdhana).

Sabari stond voor Râma met de handpalmen tegen elkaar en sprak: 'Heer! Ik behoor tot een lage kaste. Ik heb geen onderwijs genoten en ben dom en onwetend. Ik ben niet onderlegd in de heilige boeken en geschriften. Ik ben minder dan de minste. Hoe zou ik U moeten verheerlijken of Uw glorie moeten beschrijven? In het gebruik van woorden ben ik niet bedreven. Mijn verstand is niet ontwikkeld. Ook heb ik niet de ascese betracht die nodig is om inzicht te verwerven in de goddelijke waarheid. Ik sta op de laagste trede van de spirituele ladder. Mijn liefde voor God is mijn enige kracht, mijn enige steun en toeverlaat.'

Zij sprak over Râma's mededogen dat Hem haar gaven deed aanvaarden. 'Uw genade kent geen grenzen', sprak zij. Râma luisterde zeer aandachtig naar haar woorden. Hij hief Sabari's kin op en keek haar recht in de ogen. Hij sprak: 'Moeder! Toewijding is alles wat ik vraag, de rest is bijzaak. Geleerdheid, intelligentie, sociale positie, maatschappelijk aanzien, kaste - aan niets van dat al besteed Ik enige aandacht. Zij zijn van generlei waarde in mijn ogen. Meer dan alle verworvenheden door geestelijke oefening en ascese, bekoort mij de zoetheid der toewijding, doordrenkt van liefde. Dat is wat Ik verlang, anders niet. Een mens die geen liefde in zijn hart heeft, is zo levenloos en nutteloos als een wolk zonder water, een boom zonder vruchten, een koe die geen melk geeft. Hij blijft ver van God verwijderd en kan Zijn genade nimmer verwerven.

Sabari! Van de negen manieren waarop men zijn toewijding kan tonen, wens Ik slechts dat men zich aan één ervan consequent houdt. Ik heb echter gezien dat u alle negen paden die leiden naar de volmaakte toewijding tot het einde toe hebt gevolgd. Ik zou derhalve niemand weten die u overtreft in spirituele verworvenheid. U heeft mij op velerlei wijze ten zeerste verblijd, want u hebt mij een toewijding betoond die zuiver, standvastig en onzelfzuchtig is. Deze liefde komt uit het hart voort en stroomt uit het hart in alle richtingen en naar alle windstreken, zodat zij alles en iedereen omvat. U hebt van niemand ooit kwaad gesproken of zelfs gedacht! Daarom is uw ziel zo zuiver. Het 'goede' doet uw hart niet opbloeien, noch doet het 'kwade' uw hart verwelken. U bent in alle opzichten gezegend.'

Sabari nam Râma's leringen in zich op en sprak: 'Râma! Er blijft een toegewijde niets anders over dan het uiterste te doen om God te behagen, nietwaar! Ik koester geen enkel ander verlangen. Vandaag heb ik mijn Vader, de Heer van mijn leven, de Heer aller werelden, de God die het al geschapen heeft, mogen aanschouwen! Hoe zou ik mijn geluk kunnen meten, 0 Heer van Sîtâ, de dochter van Janaka?' Zodra zij de naam had uitgesproken, kwam de herinnering aan Sîtâ weer boven bij Sabari en ook de broers keerden met een schok tot de realiteit terug. Râma zei tot haar: 'O, Sabari! In de voorbije uren hebt u ervoor gezorgd dat wij gelukkig en onbekommerd konden zijn. Wij werden meegevoerd door uw blijdschap, doch nu zijn wij door uw woorden in smart gedompeld.' Sabari werd vervuld van berouw. Ontsteld hief zij het hoofd en vroeg smekend: 'Heer! Wat zegt U nu? Vergeef me mijn onbezonnenheid', en zij wierp zich aan Râma's voeten. Râma vroeg haar: 'Sabari! Weet u iets af van Sîtâ? Hebt u iets over haar gehoord?'

Sabari antwoordde: 'Zou ik niet weten wie Sîtâ is? Geen vrouw die het Râmaprincipe kent, kan onkundig zijn van het Sîtâ-principe, van dat juweel van een vrouw, dat sieraad der deugdzaamheid, dat licht der vrouwelijkheid. O, wat is zij door het lot rijkelijk gezegend! Zij is gelijk Râma's schaduw! Râma! Ik moet U vertellen wat mijn goeroe, rishi Mathanga, mij geleerd heeft over het Sîtâ-principe. Natuurlijk, er is niets dat U niet weet. Maar omdat U mij zojuist heeft gevraagd of ik iets van Sîtâ af wist, zal ik U zeggen wat ik weet. 'Râma heeft de denkwijze van Manthara[*] en Kaikeyi zodanig beïnvloed dat zij misleid werden, opdat Hij zijn opdracht - de vernietiging van het Râkshasa-gebroed - kon vervullen', aldus mijn goeroe. Hij (Mathanga) vervolgde: 'Dientengevolge zijn Sîtâ, Râma en Lakshmana als bannelingen naar het woud gekomen.' Hij zei verder dat zij er âs'rams zouden bezoeken en de asceten die daar verbleven, zouden zegenen. Râma zou de demonen doden die hun rituelen en spirituele oefeningen belemmerden. Hij vertelde mij dat Râma een plan zou smeden waardoor Râvana, die sterke banden met de Râkshasa-clan heeft, verleid zou worden een rol te spelen in een drama dat zich afspeelt rond de ontvoering van Sîtâ! Hij verzekerde mij dat de door Râvana ontvoerde Sîtâ slechts een pseudo-Sîtâ is en niet de werkelijke Moeder. Dat Râma naar dit woud zou komen tijdens zijn zoektocht naar de ontvoerde Sîtâ en dat ik als nooit tevoren beloond zou worden door dat bezoek. Mijn goeroe vertelde mij tevens dat Râma een verbond zou sluiten met Sugriva, die zijn toevlucht heeft gezocht in de heuvels van Rishyamuka - vlakbij deze âs'ram - om te ontkomen aan de dodelijke verwoestingen van zijn oudere broer Vali. Dankzij de hulp van deze Sugriva zou Râma erin slagen Sîtâ op te sporen. Râma! U bent de regisseur en de auteur van dit kosmische drama. Mijn goeroe was op de hoogte van de ontwikkelingen in Uw spel en hij heeft ze mij onthuld. De gehele kosmos is Uw toneel. De toekomst van het universum ligt in Uw hand. Zo zijn de bestendigheid en de vooruitgang van het universum gewaarborgd. Al wat geschiedt, toont ons Uw wil die in daden wordt omgezet. Er kan nimmer ook maar het geringste geschieden buiten Uw wil.

Heer! U speelt Uw rol in dit toneelstuk alsof U geen vermoeden hebt van de intriges en verwikkelingen waarvan Uzelf de auteur bent. U doet alsof U overmand bent door verdriet om het gemis van Sîtâ! Slechts dwazen of godloochenaars, of zij die niet geloven in de atmische werkelijkheid, kunnen dat gedrag voor echt aanzien. Degenen die zich bewust zijn van het bestaan van God en Zijn mysteries, de toegewijden en sâdhaka's die God willen leren kennen als hun eigen werkelijkheid, zullen zich niet laten misleiden en niet geloven dat wat zij zien de werkelijkheid is. U bent de doener van al wat gedaan wordt. Niemand, hoe machtig ook, kan Uw wil weerstreven. Het is Uw wil dat mensen alles wat hun overkomt, ervaren als slecht of als goed. Zijzelf hebben over die gebeurtenissen geen zeggenschap. Een onwetende zal beweren dat hijzelf het is die zijn daden verricht. Râma! Vergeef mij mijn vrijmoedigheid. Ik heb teveel gesproken in Uw aanwezigheid.' Met deze woorden wierp Sabari zich aan Râma's voeten. Zij deed het innerlijk vuur van yoga ontvlammen, waardoor haar lichaam tot as verbrandde, terwijl haar levensadem opging in het door haar aanbeden Râmaprincipe.

Hoofdstuk 4: Râma wordt Sugriva's Bondgenoot

Aldus beantwoordden Râma en Lakshmana aan Sabari's diepste verlangen en vulden haar scheidende ziel met gelukzaligheid. Zij vervolgden hun tocht door het woud. Ze bewogen zich voort als een leeuwentweeling en wisselden van gedachten over de toewijding en mateloze dienstbaarheid van de oude godzoekster Sabari. Zij liepen snel en bereikten spoedig de Rishyamuka-bergketen. Het was naar deze streek dat Sugriva destijds gevlucht was en waar hij thans verbleef met zijn ministers en hovelingen. Sugriva zag de broers naderen en stond versteld van hun nobele verschijning en krachtige tred. Het kwam hem voor dat zij goddelijke personen waren. Sugriva was voortdurend op zijn hoede voor vreemdelingen die in zijn woonomgeving kwamen, want hij vreesde dat zijn oudere broer Vali hem zelfs in zijn huidige verblijfplaats zou kunnen kwellen door afgezanten van dood en verderf op hem af te sturen. Vanuit zijn onherbergzame oord had Sugriva zicht op alle toegangswegen. De onverschrokken gang en majesteit der vreemdelingen joeg hem schrik aan. Hij wilde zo snel mogelijk weten wie zij waren en wat hun opdracht was. Dus riep hij Hanumân bij zich en sprak: 'Machtige held! Heb je die twee stralende verschijningen opgemerkt? Talm niet en ga hun vragen wie zij zijn, waarom zij hier zijn en waar zij vandaan komen. Breng mij al het nieuws dat je hebt kunnen vergaren. Mochten zij bijgeval door Vali gestuurd zijn, geef mij dan een teken. Daar zal ik naar uitzien. Laat je hoofd op je borst zinken; dat is voldoende. Ik zal mij dan onmiddellijk gereedmaken om naar een andere heuvel te vertrekken.'

Sugriva gaf Hanumân allerlei aanwijzingen om elke eventualiteit het hoofd te bieden. Hanumân, die het vermogen bezat van gedaante te veranderen, nam het uiterlijk aan van een bedelmonnik en begaf zich in allerijl naar de vreemdelingen. Toen hij hen bereikt had, wierp hij zich vol eerbied aan hun voeten. Hij sprak: 'O, luisterrijke vreemdelingen! U wekt mijn intense bewondering en nieuwsgierigheid. Uw bekoorlijke gestalte doet een ongekend verlangen in mij oprijzen. U ziet er zo zachtmoedig en onschuldig uit. U bent beslist geen gewone stervelingen, daarvan ben ik overtuigd. Naar ik vermoed, bent U het goddelijke paar Nara-Nârâyana dat naar de aarde is afgedaald. Wilt U mij misschien vertellen waarom U door dit woud trekt zonder bedienden of begeleiders?' Hanumân stelde zijn vragen met grote nederigheid en eerbied.

Râma werd hierdoor aangenaam getroffen. Er speelde een glimlach om zijn mond toen Hij antwoordde: 'Wij zijn de zonen van keizer Dasharatha, de heerser van Ayodhyâ. Wij verblijven in het woud. Dit is mijn broer Lakshmana en mijn naam is Râma. Mijn echtgenote volgde mij destijds naar het woud, doch toen wij in Panchavati woonden, is zij tijdens de afwezigheid van ons beiden door een Râkshasa ontvoerd uit onze hut. Nu zijn wij deze streek aan het verkennen met het vaste voornemen haar te vinden en haar weer terug te krijgen.' Râma sprak zonder enige reserve tot Hanumân en gaf hem zonder omhaal de reden voor hun aanwezigheid in het berggebied. Hij sprak: 'Welnu, ik heb je over mijn voorgeschiedenis en mijn huidige omstandigheden verteld en zou nu gaarne jouw verhaal horen.' Hanumân besefte dat de broers zijn eigen Opperheren waren, dus wierp hij zich ten tweede male aan hun voeten om hun ootmoedig eer te bewijzen. Toen hij overeind kwam en tegenover Râma en Lakshmana stond, stroomden de tranen van vreugde en louter toewijding hem over de wangen en was hij niet bij machte een woord uit te brengen. Tenslotte raapte hij al zijn moed bijeen. Hij stond voor hen met de armen gekruist en stamelde: 'Heer! Ik heb U al die vragen gesteld omdat ik dwaas en onwetend ben, vergeef mij mijn domheid en vrijpostigheid, 0 Koning der Koningen. U vraagt mij naar mijn antecedenten en huidige omstandigheden alsof U beiden gewone stervelingen bent die zoiets slechts kunnen weten wanneer het hun verteld wordt. Is dat wel rechtvaardig? Ik kon niet bevroeden wie U was omdat ik gevangen ben in de sluier van begoocheling die U zelf over ons hebt geworpen. Heer! U bent machtig en onoverwinnelijk. Hoe kan een knecht gelijk zijn aan zijn heer en meester? Alles wat geschapen is, verkeert in de ban van Uw strategieën en wordt erdoor misleid. Ik wil een verklaring afleggen en de Heer is mijn getuige. Ik heb geen andere bezigheid dan het aanbidden van mijn Heer. Als de dienaar wordt beschermd en gekoesterd door zijn Heer, waarom zou hij dan bevreesd zijn? De macht van zijn Heer is de dienaar tot schild.' Met deze woorden nam Hanumân zijn ware gedaante weer aan.

Râma was zeer verblijd over de aanblik van Hanumân. Hij omhelsde hem en zei: 'Jij bent mij even dierbaar als Lakshmana.' Râma trok Hanumân naar zich toe, streelde hem liefdevol over zijn hoofd en raakte zachtjes zijn gezicht aan. Hij sprak: 'Hanumân! Vooral diegenen overlaad ik met mijn liefde die mij dienen en dat dienstbetoon beschouwen als het meest verheven middel om de bevrijding te bereiken.' Hierop zei Hanumân: 'Heer! Sugriva, de heerser der Vanâra-horden, heeft zich door velerlei oorzaken de vijandschap van zijn oudste broer Vali op de hals gehaald. Hij is uit zijn koninkrijk verdreven en verbannen naar dit woud, waar hij thans verblijft. Ook hij is uw dienaar. Hij verdient uw genegenheid en zegen. Schenk hem uw genade en verlos hem van de schande die hij moest ondergaan. Hij heeft de bevoegdheid en het gezag om miljoenen apen over de ganse wereld uit te zenden om Sîtâ te zoeken en te vinden. Hij is de koning der apen en hij is in staat die taak op zich te nemen en tot een goed einde te brengen.' Hanumân gaf een uitvoerige beschrijving van Sugriva's vele uitmuntende eigenschappen en vermogens en drong er bij Râma op aan vriendschap met hem te sluiten. Toen Râma daarin toestemde, bood Hanumân aan de beide broers op zijn schouders te nemen en hen naar de bergtop te brengen waar Sugriva zich bevond.

Sugriva was zeer opgetogen Râma en Lakshmana te zien. Hij begreep wat de redenen waren van Râma's komst naar het woud en ook waarom Hij naar hem toe was gekomen. Zij vatten genegenheid op voor elkaar en beseften hoe bedroefd het de ander te moede was. Zij voelden zich onderling verbonden door banden van vriendschap. Sugriva wierp zich aan de voeten van Râma en Lakshmana en heette hen eerbiedig welkom. Râma verzekerde Sugriva dat Hij diens zorg en vrees zou wegnemen, want Hij was de belichaming van mededogen. Op zijn beurt beloofde Sugriva dat hij alles, zelfs zijn eigen leven, zou opofferen in dienst van Râma. De gelofte van eeuwige vriendschap werd plechtig gevierd, met een ritueel vuuroffer als getuige. Want het vuur is tegenwoordig als warmte en licht in het hart van ieder levend wezen. Het vuur in het innerlijk bewustzijn kan alle weifeling en eigenzinnigheid wegbranden. Het vuur, symbool van Agni - de subtiele, goddelijke schittering en gloed die de ziel is van het vuur - vormt het hoofdbestanddeel van de Ramâyana. Râma werd geboren uit de nectar voortkomend uit het offeraltaar en geschonken door de god van het vuur [zie RRV-3]. Agni was de getuige bij het huwelijk van Sîtâ en Râma [zie RRV-7c]. Lankâ werd door Agni verwoest. Het was aan Agni dat de werkelijkheid, het Sîtâprincipe, in bewaring werd gegeven toen zij door Râvana naar Lankâ werd ontvoerd, en van Agni werd zij weer verlost toen de oorlog met Râvana eindigde in een zege voor Râma. De gevolgtrekking is dat door Agni - zijn oorsprong - Râma's hart volkomen zuiver was en dat deze zuiverheid gewaarborgd bleef door elk contact met Agni.

Râma is het symbool van jñâna, de opperste wijsheid. Hij is tevens het symbool van de hoogste moraliteit. Dus werd het bondgenootschap met Sugriva bevestigd en geheiligd door Agni als getuige aan te roepen. Teneinde het wederzijds vertrouwen en het verbond te versterken, vertelde Lakshmana Sugriva over de waarheid van Râma en over de opdracht die Hem herwaarts had gevoerd. Lakshmana sprak ook over Sîtâ en haar goddelijkheid. Daar zij de dochter is van de koning van Mithila, kan men slechts haar gunst veroveren en zich van haar zegen verzekeren door nimmer aflatende mathana (opwekking tot religieuze beleving) en sâdhana (geestelijke oefening). Terwijl hij Lakshmana aanhoorde, stortte Sugriva tranen van berouw. Hij sprak: 'Meester! Toen ik op zekere dag met mijn ministers aan het beraadslagen was, hoorde ik vanuit de lucht roepen: "Râma! Râma!" De kreet kwam uit de Pushpaka-strijdwagen die wij door het luchtruim zagen vliegen. Terwijl wij dit vreemde tafereel aanschouwden, wierp Sîtâ naar de plek waar wij stonden een bundeltje naar beneden, geknoopt in een lap. Het bevatte juwelen, dus hebben wij de lap weer dichtgeknoopt en alles veilig opgeborgen. Naar alle waarschijnlijkheid heeft de Râkshasa genaamd Râvana haar ontvoerd. Er is immers geen zonde te noemen of Râvana heeft haar begaan.' Sugriva knarsetandde van woede bij de gedachte aan het monster dat hij ervan verdacht deze wandaad op zijn geweten te hebben. Râma verzocht hem de juwelen te halen. Hierop verrees Sugriva zelf om zich naar de grot te begeven waar hij ze had verborgen. Bij zijn terugkeer legde hij de bundel voor Râma neer. De lap waarin de juwelen gewikkeld waren, was een stuk van het gewaad van houtvezel dat zijn stiefmoeder naar Sîtâ had geworpen, opdat zij het zou dragen tijdens haar ballingschap in de afzondering van het woud. Lakshmana, die de stof herkende, barstte in tranen uit. Toen zij zagen hoezeer Lakshmana werd overstelpt door verdriet, werden ook Sugriva en Hanumân diep bedroefd.

Râma maakte de knopen los en spreidde de juwelen op de lap uit om ze aan Lakshmana te tonen, opdat deze kon bevestigen dat ze aan Sîtâ toebehoorden. Lakshmana verklaarde dat hij niet alle juwelen kon herkennen, want hij had nog nimmer zijn ogen naar Sîtâ opgeheven en haar aangezien. 'Ik heb slechts de teenringen gezien die mijn schoonzuster droeg, want ik placht mij elke dag aan haar voeten te werpen. Ja, dit zijn de teenringen die Sîtâ droeg. Daar sta ik voor in. Als wij door het woud trokken, liep ik steeds achter Sîtâ en volgde ik haar op de voet. Ik keek altijd naar haar voeten als ik liep, dus ken ik deze ring en heel goed.' Het was Sugriva en Hanumân droef te moede bij de aanblik van de broers. Dezen speelden hun rol goed en toonden zich zeer ontroerd bij het zien van de juwelen die Sîtâ had laten vallen. Sugriva kon het niet langer verdragen. Hij sprak: 'Heer! Geef niet toe aan Uw verdriet. Vandaag nog zal ik stappen ondernemen om Sîtâ te vinden en de boosaardige Râvana ten val te brengen. Ik zal Sîtâ terugbrengen en U beiden gelukkig maken. Ik geef U daarop mijn woord. Deze belofte is mij heilig.' Râma betoonde zich zeer verheugd over deze belofte. Hij sprak: 'Vertel mij eens precies wat de reden is dat u in dit woud verblijft in plaats van in uw eigen hoofdstad.' Hierop beschreef Sugriva in heldere en kernachtige taal, alsof hij kralen aaneenreeg tot een gebedsnoer, achtereenvolgens wie zijn ouders waren, wat zijn eigenlijke woonplaats was, wat de reden was van de vijandschap die was gerezen tussen hem en zijn oudste broer, enzovoort. Râma zag in dat er enige gelijkenis was tussen Sugriva's geschiedenis en die van Hemzelf, vooral omdat zij beiden van hun echtgenote gescheiden werden en uit hun koninkrijk waren verbannen. Hij besefte dat Sugriva oprecht en rechtvaardig was en dat Vali bestraft diende te worden, daar hij Sugriva zijn vrouw had ontnomen, hetgeen een onvergeeflijke misdaad is volgens de wetten der apen.

Râma vroeg Sugriva Hem de geschiedenis van zijn afstamming te vertellen. Sugriva antwoordde: 'Ja, dat zal ik doen. Ik wil de kroniek van de afkomst en lotgevallen van mijn gehele stam aan Uw voeten leggen. Eens heeft Brahmâ, de Schepper, de gedaante van een aap geschapen. De aap was begiftigd met grote kracht, doch hij was voortdurend in beweging en grillig van aard. Dus noemde Brahmâ hem Ruksharaj. Toen hij wilde weten waar hij moest wonen, zei Brahmâ tot hem: 'Het woud zal je woonplaats zijn, want daar zul je vrij zijn om te gaan zoals je rusteloosheid je ingeeft. En mocht je een Râkshasa vangen, dood hem en verlos de omgeving van zijn wandaden.'

Ruksharaj trok naar het zuiden en volgde Brahmâ's bevelen op. Op zekere dag liep de aap Ruksharaj naar een meer om zijn dorst te lessen en toen hij zich vooroverboog om te drinken, zag hij zijn gezicht weerspiegeld in het heldere water. Hij maakte zich ernstig ongerust, want er verborg zich blijkbaar een vijand in het meer, die voor hem op de loer lag! Hij liep rond het meer, vastbesloten de vijand te vangen zodra die uit het water opdook. De vijand in het meer brulde wanneer hij brulde, knarsetandde wanneer hij dat deed. Hij weerkaatste alle geluiden en weerspiegelde alle gebaren. Onmachtig om zich nog langer te beheersen, sprong Ruksharaj in het meer om zijn rivaal te wurgen. Deze onderdompeling deed hem in een apin veranderen! Verbijsterd klom zij op de oever, keerde zich naar de zon en smeekte om genade. Zij bad tevens tot Indra, vol diepe verwarring en vrees. Door de genade van de zon (Sûrya) kreeg zij een zoon, mijn broer Vali. Door de genade die haar deelachtig werd van Indra, kreeg zij nog een zoon dat wil zeggen mij, Sugriva. Onmiddellijk na de geboorte van de twee kinderen, veranderde zij wederom in Ruksharaj.

Ruksha nam de twee kinderen mee en wendde zich tot Brahmâ voor nadere bevelen. Hij vertelde Brahmâ zijn ganse geschiedenis, opdat hij aan de hand van de gebeurtenissen zou beslissen over hun toekomst. Brahmâ sprak: 'O, Vali en Sugriva! Ga naar zuidelijke streken en vestig je in Kishkindha. De Heer van alle werelden, de Opperheer van het universum, Hij die onder vele namen gekend wordt, zal geboren worden als Râma, als de zoon van keizer Dasharatha van de Raghu-dynastie. Hij zal op zijn vaders bevel naar het woud trekken. Hij zal vele bovenmenselijke prestaties leveren en zich niettemin gedragen als een gewone sterveling. Tijdens zijn omzwervingen zal Hij Kishkindha bezoeken, waar jullie wonen, en Hij zal vriendschap met je sluiten. Streef naar het geluk Hem te mogen aanschouwen, Hem te horen spreken en Zijn voeten aan te raken. Daardoor zal je leven gezegend zijn!' Wij luisterden naar de stem van Brahmâ die tot ons sprak. Wij waren overgelukkig met deze voorspellingen. Voor ons geen herhalen van Gods naam (japa), geen ascese, rituelen, spirituele oefeningen of offerplechtigheden. Al onze talenten en prestaties zouden het rechtstreekse gevolg zijn van de genade die Brahmâ ons die dag zo rijkelijk schonk. Toen de stem ophield te spreken, bewezen wij in gedachten eer aan Brahmâ en begaven ons naar Kishkindha. Daar doodden wij de Râkshasa's die de wouden in de omgeving teisterden.

Op zekere dag kwam een Râkshasa genaamd Mayavi, zoon van Maya, op ons af om wraak te nemen. Hij overviel ons om middernacht en veroorzaakte een enorme chaos. Mijn oudste broer Vali kon de brutaliteit van de vijand geen ogenblik dulden. Vali verhief zich en wierp zich met volle kracht op hem. Mayavi sloeg in paniek op de vlucht. Vali achtervolgde hem tot bij de ingang van de grot waarin Mayavi zich verborgen had. Ikzelf zat de boosaardige Râkshasa eveneens op de hielen, vlak achter Vali. Aleer hij de grot binnenging waar Mayavi zich schuilhield, zei Vali tot mij: 'Broer! Ik ga hier binnen op zoek naar de vijand om hem te doden. Houd de wacht bij de ingang en blijf op je plaats, opdat hij ons niet ontkomt.' Toen ik hem vroeg voor hoe lang, antwoordde hij: 'Vijftien dagen en nachten; zo lang moet je de ingang scherp in het oog houden. Mocht ik op de zestiende dag nog niet tevoorschijn zijn gekomen, dan mag je aannemen dat hij mij gedood heeft en kun je naar huis terugkeren.' Dertig dagen lang heb ik gewacht en de grot bewaakt. Tegen die tijd kwam er een geur van bloed uit de grot die ik voor de geur van mijn broers bloed hield. Ik vreesde dat Mayavi levend uit de grot tevoorschijn zou komen, dus wentelde ik een reusachtig rotsblok naar de ingang en sloot die daarmee af. Wetend dat het geen zin had nog langer te wachten, keerde ik huiswaarts. Ik riep vrienden en anderen die mij gunstig gezind waren bijeen en beraadslaagde met hen over de te nemen maatregelen. Wij waren het erover eens dat Mayavi, die kans had gezien de geduchte Vali te verslaan, wel een uiterst gevaarlijke vijand moest zijn. Daarom bracht ik mijn dagen in angst en vrees door.

De inwoners van de hoofdstad beseften dat in deze moeilijke tijden waarin zij van alle zijden door vijanden bedreigd werden, een leider onontbeerlijk was. Zij smeekten mij om de plaats van de omgekomen Vali in te nemen. Ik voelde geen enkele neiging het gezag te aanvaarden, doch men dwong mij daartoe. Slechts enkele dagen daarna keerde Vali naar de hoofdstad terug. Hij had Mayavi gedood en zo het land verlost van die verachtelijke vijand. Toen het hem duidelijk werd dat ik in zijn plaats het land regeerde, ontstak Vali in razende woede. Hij suggereerde dat ik de uitgang van de grot had afgesloten om te voorkomen dat hij er levend uit zou komen en dat ik doelbewust de positie had trachten te veroveren die mij was opgedrongen. Om deze reden besloot hij zich op mij te wreken. Vanaf dat ogenblik, bejegende hij mij alsof ik het schuim der aarde was, en bij de geringste tekortkoming of vergissing schreef hij mij laaghartige motieven toe. Hij ontnam mij alle gezag en verantwoordelijkheid en keek op mij neer als was ik minder dan een knecht in zijn huis. Hij dwong mij de familiekring te verlaten en nam mijn echtgenote onder zijn hoede. Op zekere dag begon hij woest tegen mij te vechten, vastbesloten mij het leven te benemen. Ik was niet tegen hem opgewassen, dus verliet ik Kishkindha en vluchtte hierheen. Vali eiste dat degenen die mij steunden en mij goedgezind waren eveneens zouden vertrekken, dus ook zij hebben zich hier gevestigd. Mijn echtgenote deed haar uiterste best om bij mij terug te komen, doch hoezeer zij zich daartoe ook inspande, Vali gaf haar geen kans te ontsnappen. Hij behandelde haar als zijn eigen vrouw.' Sugriva huilde bittere tranen terwijl hij zijn droevige relaas deed. Râma troostte hem en was met mededogen vervuld. Râma gaf Sugriva opnieuw de verzekering dat Hij hem tegen alle kwaad zou beschermen. Sugriva sprak: 'Nu verblijf ik noodgedwongen op deze berg, want dit is de enige plaats waar mijn wraakzuchtige broer Vali niet kan komen. Eens heeft een wijze een vloek over Vali uitgesproken, die hem belet deze streek te betreden. Hij zou mij anders reeds lang geleden van het leven hebben beroofd.' Râma vroeg: 'Mijn vriend! Hoe heeft Vali die vloek over zichzelf afgeroepen?' Sugriva verklaarde: 'Meester! Dundubhi, de broer van Mayavi, was een machtige held. Hij had zijns gelijke niet in moed en fysieke kracht. Hij schepte er een genoegen in zich te meten met de bergen en met de zee, uit louter vreugde dat hij hierdoor zijn formidabele kracht kon bewijzen! Op zekere dag, toen hij staande voor een door hem verpulverde bergtop, zich luid beroemde op zijn vermetele daden, hoorde hij een stem uit de ruimte tot zich spreken: "Dundubhi! Heb niet zo'n hoge dunk van jezelf! Neem je in acht! Er is iemand die machtiger is dan jij. Hij zwerft zorgeloos langs de oevers van het Pampameer, hij heeft het bewind in handen genomen en doet zijn macht gelden. Zijn naam is Vali." Toen Dundubhi deze woorden hoorde, veranderde hij zichzelf in een reusachtige buffel en rende naar Kishkindha, waarin het Pampameer ligt. Hij doorploegde de aarde met zijn horens en baande zich brullend een weg langs heuvels en dalen, met een hooghartig vertoon van zijn onaanvechtbare kracht. Gaandeweg werd hij uitzinnig van woede en zaaide paniek waar hij verscheen. Als hij zijn horens in de grond boorde, vielen de met wortel en tak uitgerukte bomen ter aarde. Zijn woestheid deed alle harten beven. Kort nadat hij aldus deze streek was binnengedrongen, gelijk Rahu die de maan poogt te verslinden, werd Vali hem gewaar en deze stortte zich onmiddellijk op hem. De twee wonderlijk ogende tegenstanders streden om de overwinning als twee wilde beesten wier slagtanden verstrikt zijn geraakt tijdens een gevecht op leven en dood. De worsteling duurde meer dan zes uur! Tenslotte diende Vali Dundubhi een dodelijke klap toe. Deze wankelde enkele passen van de pijn aleer hij dood neerviel, zoals een bergtop ter aarde stort tijdens een zware aardbeving. Zijn lichaam trof de grond met zulk hevig geweld, dat rondom hem reusachtige bomen lagen die door de schok waren geveld. Vali verkeerde in een zodanige overwinningsroes, dat hij het lijk verscheurde en de stukken ver weg slingerde, de ene helft naar het zuiden, de andere helft naar het noorden. Eén van deze bloedende vleesmassa's kwam echter in een âs'ram terecht en deed een regen van bloed neerdalen over de heilige plaats. Het bloed besmeurde de asceten die in alle rust en vrede aan het mediteren waren en heilige hymnen reciteerden. Het was de hermitage van Mathanga, de grote heilige. Hij had zich naar de rivier begeven voor zijn rituele wassing. Bij zijn terugkeer trof hij overal bloedsporen aan en weldra stuitte hij op het halve lichaam van een afschrikwekkend monster. Hij werd door toorn overmand. Zijn discipelen en leerlingen, die slechts verlangden zich onder te dompelen in gelukzaligheid, waren nu met bloed overgoten. Zijn verdraagzaamheid verliet hem. Even stond hij stil bij de vraag wie het zou wagen een dergelijke zonde te begaan. Toen nam zijn toorn de overhand en belette hem terug te zien op het verleden of zich op de toekomst te richten. Hij sprak een verschrikkelijke vervloeking uit! "Zo die boosaardige, zondige Vali deze berg durft te naderen of het zelfs maar waagt er de ogen naar op te slaan, moge zijn hoofd in tweeën splijten!" Zo luidde de vloek die hij over Vali afriep. Bevreesd als hij is voor die vervloeking, houdt Vali zich verre van deze berg. Hij kan er niet dichtbij komen of er zelfs maar naar kijken. Die gebeurtenis heeft mij ertoe gebracht mij hier te vestigen. Hier ben ik veilig, al ben ik beroofd van mijn echtgenote, van vrienden en verwanten.' Sugriva vertelde Râma zonder enige terughoudendheid over zijn benarde toestand.

Râma was geschokt door het relaas over Vali's verdorvenheid, waaronder Sugriva al zo lange tijd had geleden. Hij was niet in staat nog langer te luisteren naar de opsomming van diens gruweldaden. Râma duldde geen onrechtvaardigheid en schepte geen genoegen in een beschrijving van iemands wandaden. Hij troostte Sugriva en verzekerde hem dat Vali zijn straf niet zou ontgaan, omdat hij zich louter had verlaten op fysieke kracht en materiële vermogen, zonder acht te slaan 0p de kracht en de sterkte die men moet verdienen door rechtschapenheid en toewijding aan God. Râma beloofde dat Hij Vali met een enkele pijl zou vellen en hem zijn zondige leven ontnemen, al zouden alle veertien werelden tegenstand bieden. Râma sprak:

'Men moet het gelaat dat onbewogen blijft bij leed van een vriend of bij de absurde grootspraak van zijn vijand, geen blik waardig keuren. Kies nooit iemand tot vriend louter om tijdelijk gewin, voor het vervullen van een onweerstaanbaar verlangen, of om je te verlagen tot immoreel gedrag. Vrienden behoren een diepe liefde te koesteren voor elkaar. Hij wiens hart niet vervuld is van de liefde die zijn geest beroert en zijn gelaat verlicht, kan niet anders zijn dan een slechte, onwenselijke 'vriend'. Dergelijke valse vrienden hebben een onbetrouwbare en onzuivere inborst. Een listige bediende, een begerige, vrekkige en boosaardige echtgenoot of echtgenote, een valse vriend - zulke mensen als deze veroorzaken evenveel pijn als wanneer men doorboord zou worden door speren en spijkers. Daarom, 0 Sugriva, wees niet bedroefd. Ik zal je te hulp komen met al mijn fysieke, verbale en geestelijke vaardigheden. Wat deert het hoe sterk Vali is? Jij bent je van je eigen kracht niet bewust en laat je in verwarring brengen door je oordeel over de zijne, dat is alles. Daarin schuilt al je twijfel en vrees. Welnu, misschien wil je je eerst overtuigen van mijn vermogens aleer je zelf voldoende moed en vertrouwen aan de dag legt. Je kunt mij vragen welke taak dan ook te volvoeren, opdat jouw geloof in mij diep wortel zal kunnen schieten. Ik zal mijn kracht bewijzen en je hart met moed vervullen. Als ik dat heb bereikt, zal ik de strijd met Vali aanbinden en hem doden!'

Râma streek Sugriva zacht over zijn rug om zijn vertrouwen te wekken en zijn zorg en vrees weg te nemen. Sugriva keek niet alleen reikhalzend uit naar een proeve van Râma's kunnen, hij zocht tevens naar iets dat hem in zijn geloof tot steun zou zijn. Hij sprak: 'Râma! Eens besloten mijn broer en ik onze krachten en vaardigheden te meten op een rij reusachtige palmbomen. We zouden proberen deze achter elkaar te vellen door een enkele pijl dwars door alle bomen heen te schieten. Ik kwam slechts tot drie, maar mijn broer Vali haalde er vijf om Daar lag de grens van zijn kunnen. Om Vali te verslaan, moet men sterker zijn dan hij. Ik ben zeer benieuwd of U die meerdere kracht bezit en hoeveel bomen U met één pijl kunt vellen.'

Daarop brachten Sugriva en zijn hovelingen Râma naar een plek waar zeven reuzenpalmen op een rij hun kruinen in de lucht staken. Zij vroegen Râma een poging te doen deze palmbomen omver te schieten. Tot elkaar zeiden zij dat men Râma sterk genoeg mocht achten Vali te verslaan, al vielen er slechts twee van deze woudreuzen, aangezien zij vier- tot vijfmaal groter waren dan de vijf bomen die Vali omver had gehaald. Toen Râma de rij bomen in ogenschouw nam glimlachte Hij, riep Sugriva tot zich en sprak: 'Sugriva! In mijn ogen zijn deze palmen van de zwakste en kleinste soort.' Toen spande Hij Zijn boog; Zijn pijl doorkliefde en velde ze alle zeven. Vervolgens droeg Zijn pijl de gevallen bomen een vergelegen berg op en vergruizelde daarbij alle rotsen die in de weg stonden. Sugriva werd overmand door ontzag en toewijding.

Hij wierp zich aan Râma's voeten en riep uit: 'Râma! Nog geen honderd Vali's hadden deze prestatie kunnen leveren. Ik ben waarlijk gezegend. Al mijn zorgen zijn voorbij nu ik mij van Uw vriendschap verzekerd weet! Ofschoon er één Vali van mij vervreemd is, is vandaag een honderdvoudige Vali mijn grootste kameraad geworden! Vergeef mij mijn dwaling. Ik schaam me dat ik mij door mijn kleingeestigheid heb laten verleiden Uw vermogens op deze wijze te beproeven. O! Het geluk is waarlijk met mij nu ik gezegend word door de vriendschap van God Zelf in Zijn huidige gedaante. Hier eindigt mijn treurige geschiedenis. In mijn hart is er hoop gerezen dat ik spoedig mijn Kishkindha zal herwinnen. Ik ben overgelukkig dat ik weer in vrede zal mogen leven met mijn vrouw en kinderen. Het enige wat ik mij nog afvraag is wanneer dit alles werkelijkheid zal worden en hoe spoedig; binnen enkele minuten, uren, dagen? Vanzelfsprekend hangt dat af van Râma's wil en van Zijn genade. Mijn hoop zal in vervulling gaan zodra Hij daartoe besluit!'

Sugriva wist dat alleen Râma hem kon helpen en dat hij alleen op Râma moest vertrouwen. Hij wierp zich aan Râma's voeten en sprak: 'Râma, Uw wil, Uw mededogen, zij zijn mijn enige toevlucht. Wanneer bent U voornemens een eind te maken aan mijn zorgen en verdriet?' Sugriva richtte zich weer op en verklaarde: 'Hoor mij aan, Râma! Lange tijd heb ik Vali bestempeld als mijn grootste vijand en beefde ik van angst voor hem. Nu kom ik tot de ontdekking dat hij mijn grootste weldoener is. Omdat ik hem zozeer vreesde, ben ik hier in de bergen gaan wonen. Dankzij mijn verblijf hier heb ik Uw komst opgemerkt, heb ik U mogen ontmoeten en werd ik gezegend met Uw vriendschap! Het is dus Vali die de grondoorzaak is van al deze ontwikkelingen. Hij is daadwerkelijk mijn weldoener. Râma! Tijdens onze dromen strijden wij met een ander persoon. Wij haten hem uit de grond van ons hart. Wij nemen alle middelen te baat om hem ten val te brengen. Doch zodra wij ontwaken en opstaan, weten wij dat de haat en de strijd onwerkelijk en ongegrond waren. Uw darshan heeft mij uit mijn dromen gewekt. Toen ik nog in deze illusie gevangen was, haatte ik Vali en legde al zijn daden uit als vijandig en schadelijk. Nu ik U heb aanschouwd en Uw raadgevingen heb mogen aanhoren, ben ik uit mijn droom ontwaakt. Het aanraken van Uw heilige voeten heeft mij de waarheid doen inzien. Mijn langgekoesterde haat en afgunst, mijn hebzucht en egoïsme, mijn vijandige gevoelens ten opzichte van Vali en mijn wraakzuchtige plannen, hebben mij steeds meer verzwakt. Ik had slechts een vurig verlangen: dat zich de juiste gelegenheid zou aandienen om een oude rekening te vereffenen. Dat alles was mijn tapas, mijn ascese, waardoor mij Uw genade deelachtig is geworden. Ik kreeg U en mijn zielenstrijd werd beschouwd als ascese, mijn woede werd getransformeerd tot liefde. Heer! Zegen mij en stort Uw genade over mij uit. Ik verlang er niet langer naar mijn koninkrijk te herwinnen. De levensweg van mijn vrouw en kinderen is door het lot voorbeschikt. Wat zou ik kunnen doen om de loop der gebeurtenissen te veranderen? Ik zal mij over hen geen zorgen meer maken. Als u mij de vreugde zou schenken om U te dienen en bij U te zijn, om de rest van mijn leven in Uw tegenwoordigheid te verblijven, dan is mij dat genoeg!'

Toen Sugriva zich op deze smekende wijze tot Râma richtte, streek Râma hem liefdevol over het hoofd en sprak: 'Zoon! Je hebt een waar woord gesproken. Koninkrijken en macht, vreugde en verdriet, boosheid en zorgen, bezittingen en voorrechten, goed en slecht - zij zijn louter het materiaal voor dromen en illusies. De nabijheid van God en het innerlijk Godsprincipe: slechts die zijn de werkelijkheid. Bedenk echter wel dat mijn gelofte, mijn woord, onmogelijk vals kan blijken te zijn. Wat er ook geschieden moge, Ik zal je het koninkrijk teruggeven. Je kunt niet aan de verantwoordelijkheid ontkomen erover te regeren. De strijd met Vali kun je evenmin ontwijken; deze zal morgen moeten plaatsvinden. Komaan, maak je gereed. '

Râma stond op. Zowel Râma als Lakshmana begaven zich op weg, gewapend met pijl en boog en met Sugriva aan hun zijde. Hanumân en de medebewoners van Sugriva's toevluchtsoord in de bergen mochten daar achterblijven. Onderweg kreeg Sugriva de nodige aanwijzingen. Hem werd gezegd alleen voorwaarts te gaan en luid zijn uitdaging te laten klinken aan de hoofdpoort van Kishkindha. Râma's bevel opvolgend, ging Sugriva aan de stadspoort staan en brulde zo luid dat de vestingmuren ervan trilden en de aarde beefde van angst. De roep had Vali's oren nog niet bereikt of hij kwam in zijn bed overeind als een cobra waarop was getrapt. Hij trad naar buiten, gereed om met Sugriva de strijd aan te binden en hem op de vlucht te jagen. Hij wist dat het zijn broer was die hem tot het gevecht had uitgedaagd.

Tara, Vali's vrouw, weerhield hem echter. Zij greep zijn voeten vast en herinnerde hem aan de woorden die zijn zoon enkele dagen tevoren had gesproken. Zij sprak: 'Heer! De broers die Sugriva's hulp hebben ingeroepen, zijn geen gewone mensen. Zij zijn begiftigd met wonderbaarlijke vermogens. Sugriva, die zich al zo lange tijd heeft schuilgehouden, is thans met hernieuwde moed en met zelfvertrouwen tevoorschijn gekomen, en waagt het nu zelfs je uit te dagen. Dat zou hij nimmer doen in een vlaag van onbezonnenheid. Hij moet overtuigd zijn geraakt van hun vaardigheden en er moet hem bijstand zijn beloofd. De prinsen Râma en Lakshmana bezitten goddelijke macht. Het is niet raadzaam met hen de strijd aan te gaan! Bij het aanhoren van haar aandoenlijke smeekbeden, brak Vali in hoongelach uit. 'Lafhartige vrouw', sprak hij, 'er wordt van Râma beweerd dat Hij gelijkmoedig is. Zo dat waar is, dan zal Hij ons beiden zeker op dezelfde wijze bezien. Bovendien heb ik Hem nimmer kwaad gedaan, wel? Mocht Râma mij desondanks toch doden, welnu, dan zal ik geloven dat mijn geboorte en de jaren die ik heb geleefd daardoor zijn vervuld!' Enerzijds was Tara gelukkig dat Vali deze opvatting was toegedaan, anderzijds kon zij de gedachte aan het verlies van haar heer zelfs geen ogenblik verdragen. Dus smeekte zij opnieuw: 'Heer! Als een vrouw bezwaar maakt, wordt dat als een slecht voorteken beschouwd. Neem deze uitdaging niet overijld aan!' Doch Vali zette al haar smeekbeden van zich af. 'Als de strijd roept, bekommert zich niemand om voortekenen. Of de vijand moet sneuvelen, of men moet zelf het leven laten!' Met deze woorden duwde Vali Tara opzij en vloog op de hoofdingang van de vesting af, onderwijl brullend van angstaanjagende razernij.

Sugriva was de enige die hij daar aantrof, dus sprong hij boven op hem. Zij begonnen een hevig gevecht, waarbij hun vuisten elkaars lichaam troffen als mokerslagen. Sugriva kon de meedogenloze afstraffing niet verdragen en wilde vluchten. Vali bezorgde hem een folterende pijn door aan zijn ledematen te rukken en hem te trappen. Tenslotte slaagde Sugriva erin te ontsnappen en liet hij Vali als overwinnaar achter! Vali trok zich in de vesting terug en sloeg zich triomfantelijk op de dijen. Râma en Lakshmana volgden de vluchtende Sugriva. Toen zij bij diens verblijfplaats in de bergen aankwamen, wierp Sugriva zich aan Râma's voeten. Zijn hart was bezwaard met teleurstelling, wanhoop, pijn en vrees. Hij sprak: 'Heer! Ik begrijp niet waarom U mij aan deze schande hebt blootgesteld. Ik heb dit waagstuk ondernomen omdat ik vol goede hoop was dat U mij te hulp zou schieten. Zolang de worsteling duurde, keek ik uit naar het ogenblik dat Uw pijl Vali zou treffen en hem doden. Dat gebeurde echter niet. Ik was niet tegen Vali opgewassen, dus moest ik uit louter lijfsbehoud deze vernederende uitweg kiezen en op de vlucht slaan. Mijn broer is een formidabele vechtersbaas, dus moest ik wel het onderspit delven!'

Râma troostte hem en sprak: 'Sugriva! Wees niet bedroefd. Ik zal je uitleggen waarom ik niet tussenbeide kwam. Je broer en jij lijken zoveel op elkaar, dat de een niet van de ander te onderscheiden is. Er is een zo grote gelijkenis in voorkomen en kundigheid, dat ik niet goed op hem kon richten.' Râma's woorden hadden een diepere betekenis: zij beduidden dat ook Vali aan Râma's voeten was toegewijd. 'Ook hij vereert mij en hij heeft even vurig naar mijn genade verlangd als jij.' Doch Sugriva vatte de verborgen betekenis niet van die verklaring. Hij smeekte: 'U, die zoveel weet, kon U niet zien wie Vali was en wie Sugriva? Ik kan Uw woorden niet geloven. Ik begrijp niet waarom U ons niet uit elkaar kon houden. Wilde U wellicht dat ik mijn uiterste vaardigheid aan de dag zou leggen? Ais dat Uw bedoeling was, had ik daar vanaf het begin aandacht aan kunnen schenken. Wat er in feite gebeurde, was dat ik er zo zeker van was dat U Vali ten val zou brengen, dat ik de strijd nogal zorgeloos en luchthartig ben aangegaan!'

Râma trok de ontmoedigde en terneergeslagen Sugriva naar zich toe en putte zich uit in troostende woorden. Hij streek met zijn goddelijke hand over Sugriva's lichaam, waardoor de pijn in een oogwenk verdwenen was. De wonden en kneuzingen werden ogenblikkelijk genezen. Sugriva werd door verbazing overmand. Hij riep uit: 'Râma! Uw hand is almachtig en bevat de ganse kosmos. De schepping, de instandhouding en de vernietiging, zij zijn alle drie onderworpen aan Uw wil. Ik heb geen enkel verlangen om dit koninkrijk te regeren. Die vreugde is niets vergeleken bij de vreugde die Uw genade vermag te schenken.'

Râma sloeg geen acht op Sugriva's woorden. Hij sprak: 'Jouw woorden zijn slechts weerspiegelingen van voorbijgaande gedachten. Zij zijn uitgesproken toen je een visioen kreeg van mijn macht en majesteit. Ik hecht er niet veel waarde aan, want gevoelens die uit het hart oprijzen, zijn mij liever. Er zijn vele bijzonder toegewijden die alles om zich heen vergeten wanneer zij het spel en de oppermacht van God ervaren en die geloven dat God de Allerhoogste is. Doch na verloop van tijd, of indien hun geestelijke begeerten niet worden vervuld, groeit langzamerhand de twijfel, zelfs aan wat zij hebben ervaren of gezien. Dat zijn de verhullende sluiers die de waarheid vervormen in de geest van degenen die zwak van geloof zijn. Ik weet hoe dit alles kan geschieden en hecht daarom weinig waarde aan dergelijke gevoelsuitingen. Maak je gereed om nogmaals met je broer in het strijdperk te treden.' Aldus dwong Râma Sugriva het gevecht aan te gaan.

Sugriva had weinig lust in de strijd, doch hij was ervan overtuigd dat Râma ditmaal zijn belofte zou nakomen en Vali zou doden. Hij liep voort met krachtige tred en zijn hart was vol vertrouwen. Râma had bloemen tot een krans laten rijgen die Hij Sugriva had omgehangen. Wat Râma daarmee beoogde was: Vali had Tara reeds gezegd dat voor Râma iedereen gelijk was. Het was deze 'gelijkheid' die Râma belet had Vali te doden. Râma dacht: 'Nu heb ik deze bloemenkrans om zijn hals gehangen om te laten zien dat mijn liefde voor Sugriva groter is en ik kan dus met recht Vali anders behandelen. Sugriva is degene die een krans om heeft, hetgeen wil zeggen dat hij het symbool van goddelijke liefde draagt. De liefde heeft geen reden van node om te stromen. Zij komt niet voort uit zelfzuchtige motieven!'

Râma en Lakshmana wisten Sugriva, aldus gesterkt en vervuld van heldenmoed, ertoe te bewegen aan de poort van Vali's vesting wederom zijn uitdaging te laten weerklinken. Zijzelf verscholen zich achter een dichtbijstaande boom. Toen Vali naar buiten kwam stormen, belust op het gevecht, en de aarde beefde onder zijn zware voetstappen, werd het Sugriva angstig te moede. Hij bad van ganser harte tot Râma om hem spoedig te hulp te komen en liep naar voren om zijn tegenstander te ontmoeten. Om zijn eigen vaardigheid en vermogens geen oneer aan te doen, vocht Sugriva zo goed hij kon. Toen zijn krachten het begaven en hij de eerste tekenen van uitputting vertoonde, riep hij slechts eenmaal: 'Râma!' Geen taak is Râma liever dan het beschermen van zijn toegewijden. Toen Hij derhalve de roep hoorde, zette Hij een pijl op zijn boog en schoot deze Vali recht in het trotse hart. Vali zwaaide hulpeloos op zijn benen tot hij onderuit gleed en in zijn volle lengte op de grond viel. Op dat ogenblik kwam Râma dicht bij Vali staan en schonk hem een visioen van zijn goddelijke gedaante.

Hoewel hij door Râma's dodelijke pijl getroffen was, verhief Vali zich en ging hij rechtop zitten. Zo ongeëvenaard sterk en moedig was hij! Hij zat met de handen tegen elkaar en richtte zijn wegkwijnende blik op het gelaat met de donkerblauwe huidskleur en op de ogen als lotusbloemen. Zijn opperste geestvervoering deed de tranen over zijn wangen stromen. Hij was zijn gevoelens van vreugde nauwelijks meester en riep uit: 'O, Râma! U die zulk een goddelijke, gelukbrengende belichaming van schoonheid bent, en de Heer der Schepping, waarom moest u deze twijfelachtige daad begaan? Had U mij slechts gewaarschuwd en mij daarna gedood, dan zou het mij uiterst gelukkig hebben gemaakt te moeten sterven. Zou ik geweigerd hebben U de diensten te bewijzen die Sugriva U bewezen heeft? Wat aldus is geschied, is niet zonder een gerechtvaardigde reden, want de Heer zou nimmer een taak op zich nemen zonder een goede reden. Oppervlakkig gezien zou de opdracht in strijd kunnen zijn met onze opvattingen over goddelijkheid, doch door innerlijke beschouwing zou het duidelijk worden dat zij op waarheid berust. Ik weet dat men Gods daden niet moet verklaren vanuit het gewone, wereldse gezichtspunt. De Heer is niet onderhevig aan de guna's, de eigenschappen die het menselijk gedrag begrenzen en beheersen. Zijn daden kunnen daarom slechts dan goed worden verstaan, als zij worden beschouwd vanuit een standpunt dat niet wordt beïnvloed door emotie, hartstocht of vooroordeel. Slechts vanuit volkomen gelijkmoedigheid kan men de handelingen die zijn verricht met volkomen gelijkmoedigheid begrijpen. Als men wordt geleid door menselijke karaktereigenschappen en eigenaardigheden, dan ziet men natuurlijk louter verwante eigenschappen, zelfs wanneer die afwezig zijn!' Vali was begiftigd met een zeer helder verstand. Daarom redeneerde hij op deze wijze. Hij vervolgde: 'Râma! Ik ben mij ten volle bewust van Uw dapperheid en Uw vaardigheid. U kunt met een enkele pijl niet slechts deze Vali vernietigen, doch het ganse universum. U kunt het universum opnieuw scheppen. Ik zou niettemin gaarne van U willen weten om welke zonde U mij hebt willen doden. Wees zo goed om mij te zeggen aan welke dwaling ik mij heb schuldig gemaakt. U bent op aarde nedergedaald in menselijke vorm om de rechtschapenheid te doen herleven, nietwaar? Wat zijn dan de betekenis en het doel van deze handeling: U te verbergen achter een boom als een gewone jager om mij te doden?'

Râma zette zich genadiglijk naast de stervende Vali en sprak: 'Vali! Je weet dat mijn daden niet worden ingegeven door zelfzuchtige motieven. Laat het onjuiste idee varen dat Ik mij verzekerd heb van Sugriva's vriendschap om te trachten met zijn hulp Sîtâ te vinden. Heb je zojuist niet zelf gezegd dat Ik deze menselijke vorm heb aangenomen met het doel de rechtschapenheid op aarde terug te brengen? Zeg mij dan eens: als Ik enkel toeschouwer zou blijven bij je zondige, onrechtvaardige en verdorven daden, hoe zou jij dat noemen? Zou Ik daarmee de wereld een goede of een slechte dienst bewijzen? Is dat rechtvaardig of onrechtvaardig? De vrouw van je broer, je zuster en je schoondochter hebben alle drie dezelfde status als je dochter. Als jij zondige blikken op hen laat vallen, maakt dat je tot een gruwelijke zondaar. Men wordt niet door zonde aangetast wanneer men een dergelijke zondaar doodt.

Het was buitengewoon onrechtvaardig van je om Sugriva ervan te verdenken dat hij de grot afsloot met de boosaardige opzet jou te laten omkomen! Je had gezegd dat je na hoogstens vijftien dagen weer tevoorschijn zou komen en vroeg hem tot die tijd bij de ingang van de grot te wachten. Hij bleef nochtans angstig en bezorgd een hele maand op je wachten! Toen hij tenslotte werd getroffen door de geur van bloed, was hij zeer bedroefd dat zijn broer door het monster was gedood. Hij aarzelde om de grot binnen te gaan, want hij zou zeker niet opgewassen geweest zijn tegen de demon die jou had verslagen. Toen hij met het rotsblok de ingang van de grot afsloot, was het zijn bedoeling te verhinderen dat het monster eruit zou komen en ervoor te zorgen dat hij in de grot gevangen bleef. Het volk drong hem de heerschappij over het rijk op en hij moest hun wensen inwilligen. Welke misdaad beging Sugriva toen hij aldus handelde? Je hebt niet eens de tijd genomen jezelf die vraag te stellen. Hij heeft immer in volkomen gehoorzaamheid al je bevelen en aanwijzingen opgevolgd omdat hij je liefhad en je vereerde. Hij week nimmer af van het pad der waarheid. Jij echter koesterde in je hart wraak tegen hem, zonder enige reden. Je buitensporige hoogmoed heeft hem naar het woud verdreven.

Toen je hem wegzond, had je zijn vrouw met hem mee moeten laten gaan. In plaats daarvan verkoos je haar zelf tot vrouw te nemen, haar die je had moeten bejegenen als je eigen dochter. Noem je dat een zonde, of niet? Er bestaat geen afgrijselijker zonde. Je bent bovendien de koning van dit rijk. Het is je plicht je onderdanen te beschermen en te koesteren. Hoe kun je degenen straffen die misdaden begaan, terwijl jijzelf je aan soortgelijke misdaden te buiten gaat? "Zo de koning is, zo zijn de onderdanen", zegt het spreekwoord. Mensen volgen altijd het voorbeeld van hun heerser. Dat maakt hetgeen je hebt misdaan nog afschuwelijker en laakbaarder, nietwaar?'

Aldus maakte Râma Vali duidelijk welke misdaden en zonden hij had begaan. Vali luisterde aandachtig en overpeinsde wat hij had gehoord. Tenslotte zag hij zijn dwaling in en sprak: 'Mijn scherpzinnigheid vermocht niet U mijn handelingen te laten goedkeuren. Hoor mij aan! Ik ben in het geheel geen zondaar. Was ik dat wel, hoe had ik dan verslagen kunnen worden door een pijl uit handen van de Heer zeIf, en hoe had ik mijn laatste ogenblikken kunnen beleven met de ogen opziend naar het goddelijk aangezicht en luisterend naar de zoete woorden van de Heer?' Het behaagde Râma zeer deze woorden te horen, omdat zij werden uitgesproken met zoveel verheven wijsheid, uit het diepst van zijn liefde en overgave, zijn vreugde en toewijding. Op dat ogenblik wenste Râma wereldkundig te maken hoe oprecht de geest van onthechting was die Vali bezielde. Hij sprak: 'Vali! Ik breng je weer tot leven. Ik bevrijd je van de last van ouderdom en seniele aftakeling. Komaan. Ik geef je je lichaam weer terug.' Râma legde zijn hand op Vali's hoofd. Doch terwijl Vali toch zo gezegend werd, onderbrak hij Râma met een smeekbede: 'Oceaan van mededogen, hoor mijn bede aan. Hoe vaak men daartoe ook pogingen zou doen in zijn leven, als men eenmaal de laatste adem uitblaast, is de dood niet langer te vermijden. Dan zijn zelfs de grootste heiligen niet meer bij machte Uw naam uit te spreken! Er is mij hier thans een uitzonderlijk groot geluk beschoren, wanneer ik Uw naam uitspreek, Uw gedaante aanschouw, Uw voeten aanraak en luister naar Uw woorden. Als ik mij deze kans laat ontglippen, wie kan mij dan zeggen hoe lang ik zal moeten wachten eer mij deze zegeningen opnieuw deelachtig worden? Wat voor roemrijke daden zal ik verrichten als ik blijf ademen? Neen, ik wens niet langer te leven! Heer! Zelfs de Veda's, de bron van alle kennis, spreken over U als slechts "Niet dit, niet dit" en zo blijven zij het onnoembare aanduiden, totdat zij uiteindelijk verklaren: Er is slechts Dit. Nu Dit veilig binnen mijn bereik is, zal ik het mij dan laten ontgaan? Zou er in de ganse wereld ook maar een dwaas te vinden zijn die de goddelijke wensvervullende boom binnen zijn bereik prijsgeeft voor een of ander onkruid? Deze Vali, die geboren is uit een wilsbeschikking van Brahmâ zelf, en begiftigd met grote lichaamskracht en een scherp verstand, die bovendien befaamd is om die eigenschappen, zal niet bezwijken voor de verleiding zich aan zijn lichaam te hechten alsof dat echt en waardevol is. Neen, als ik nu zou zwichten, zou men mij te schande maken.

Waarom zou ik verder uitweiden? Als er geen innerlijke voldoening is, wat doen andere vormen van tevredenheid er dan toe? Heer, Uw darshan en Uw woorden hebben mij elk gevoel van dualiteit en onderscheid doen verliezen. Afgezien van al het overige, heb ik het inzicht verworven in de Ene. Het geheel van alle gevolgen die ik door mijn zonden had verdiend, is tenietgedaan. Laat het lichaam, dat beladen is met die gevolgen, samen met die last vernietigd worden. Sta niet toe dat een ander lichaam die last moet overnemen.' Vali toonde zich vastbesloten het leven te laten en hij riep zijn zoon bij zich. Hij sprak: 'Deze jongen is tot nu toe opgegroeid als de zoon die uit de zinnelijke lust van dit lichaam is geboren. Hij is sterk, deugdzaam, nederig en gehoorzaam. Ik zou willen dat U voortaan voor hem zorgt als een zoon die Uw liefde verdient. Ik leg zijn leven in Uw handen!' Met deze woorden legde hij de handen van zijn zoon in die van Râma. Râma trok Angada, de zoon, naar zich toe en zegende hem op uiterst liefdevolle wijze. Vali was zo verheugd over die aanvaarding dat de tranen van vreugde over zijn wangen stroomden. Zijn blik was gevestigd op het goddelijk gelaat voor hem. Langzaam sloten zijn ogen zich en toen stierf Vali. Zou een olifant zich zorgen maken over of acht slaan op bloemen die losraken uit de slinger om zijn hals? Met eenzelfde onbezorgdheid liet Vali de laatste adem uit zijn lichaam ontsnappen.

De inwoners van de stad Pampa stonden treurend in groepjes bijeen zodra zij het nieuws hoorden van Vali's dood. Zijn vrouw, Tara, arriveerde ter plaatse met haar gevolg. Jammerend stortte zij zich op het lichaam en verloor het bewustzijn. Tara's hartverscheurende jammerklacht was zo aangrijpend dat sommige stenen smolten uit medegevoel. Toen zij bij vlagen weer tot bewustzijn kwam, keek zij naar het gelaat van haar heer en weende van diepe smart. 'Ondanks al mijn protesten en alle argumenten die ik aanvoerde om je tegen te houden, ging je blindelings je ondergang tegemoet. Een echtgenote moet te allen tijde waken over de veiligheid en het geluk van haar heer. Niemand is er meer bezorgd om het welzijn van haar man dan zijn vrouw. Van anderen, hoe voortreffelijk zij als mens ook mogen zijn, zal het advies dat zij geven altijd vermengd zijn met enige zelfzucht. Heer! Door de boze speling van het lot heeft mijn goede raad niet de doorslag mogen geven. Heer! Hoe moet ik nu mijn zoon beschermen en grootbrengen? Zullen degenen die u gedood hebben, worden weerhouden uw zoon kwaad te doen? Wie zal ons nu leiden? Hoe kon u zich met de gedachte verenigen om ons hier achter te laten en het hiernamaals te verkiezen? Omwille van wie moet ik nog blijven leven?' Vervolgens wendde Tara zich tot Râma en stortte bij Hem haar hart uit. 'U hebt mijn geliefde heer, mijn levensadem, naar het rijk der doden gezonden. Wilt U dat wij, de achtergeblevenen, worden overgeleverd aan de genade van vreemden? Is dat iets om trots op te zijn, voor een edel mens die zich juist wil gedragen? Is dat gepast? Als U niet wenst dat ons leven voortgaat, en U onze smart niet wilt verlichten, dood dan mij en mijn zoon. De pijl die de machtige held heeft geveld, zal niet sidderen voor een zwakke vrouw en een jonge knaap. Laat ons Vali op zijn reis mogen vergezellen.'

Zij wierp zich aan Râma's voeten en weende van ontroostbare zielenpijn. Râma sprak: 'Tara! Vanwaar al die tranen? Je bent een heldhaftige echtgenote. Gedraag je niet op deze wijze, want daarmee maak je jezelf te schande. Wees kalm. Beheers je. Het lichaam is een tijdelijke schijngestalte; het is verachtelijk. Vali zelf beschouwde zijn lichaam als onwaardig! De ondergang en het einde ervan kunnen iedere dag daar zijn, dat is onvermijdelijk. Het is slechts een instrument om het hoogste doel te bereiken. Als men dit doel niet voor ogen houdt en het daardoor ook niet bereikt, is het lichaam niet meer dan een klomp steenkool die bestemd is voor het vuur. Rouwen om Vali alsof hij dit lichaam zou zijn, is dwaas, want het lichaam is hier aanwezig. Treur je dan wellicht om het âtmâ dat in dit lichaam huisde? Datâtmâ is eeuwig. Het kan sterven noch vergaan, verminderen noch uiteenvallen. Slechts degenen die zich niet bewust zijn van het âtmâprincipe, lijden onder de illusie dat zij het lichaam zijn. Zelfs de grootste geleerden onder hen maken die fout. De gehechtheid aan het lichaam, alsof jij dat lichaam bent, is 'onwetendheid'. Je bewust te zijn van het âtmâ dat je in werkelijkheid bent, is 'wijsheid'. De bewustwording van het âtmâ is een even kostbare buitenkans als het vinden van een diamant tussen het steengruis. Het âtmâ is het juweel dat gevat is in deze vleesmassa. Het lichaam voert urine en ontlasting met zich mee, kwalijke geuren en kwaad bloed. Het wordt geteisterd door plagen en problemen. Lichamelijk verval is niet tegen te houden en op zekere dag zal de dood onherroepelijk volgen. Het doel dat men met behulp van dit lichaam kan bereiken, is de rechtvaardiging ervan. Dat is de kroon op het menselijk bestaan. [zie ook S.B. 3.30 & 3.31].

Je echtgenoot heeft menige heldhaftige en eervolle overwinning behaald door middel van zijn lichaam. Gedurende zijn heerschappij over dit koninkrijk beschermde en begunstigde hij zijn dienaren en trouwe aanhangers alsof zij zijn eigen levensadem waren. Hij vernietigde de Râkshasa's. Hij had een intense liefde en toewijding jegens God. Hij heeft evenwel zijn broer groot onrecht aangedaan. Behalve deze zonde heeft hij geen andere wandaad begaan. Zijn dood door mijn toedoen was het gevolg van die zonde. Ook van deze zonde is hij thans gereinigd, geloof mij. Er is dus geen enkele reden meer voor je verdriet.' Toen Tara deze raadgevingen en troostende woorden hoorde, kwam zij tot inzicht en vond zij gemoedsrust. Râma zei dat er thans onverwijld handelend moest worden opgetreden. Hij verzocht Tara terug te keren en vroeg Sugriva de dodenriten voor Vali te laten volvoeren. Râma raadde Sugriva aan om Angada met liefde en zorg op te voeden. Toen de riten beëindigd waren, zond Hij Lakshmana naar de hoofdstad en liet Sugriva kronen. Hanumân en anderen kwamen naar de stad en hielpen Sugriva als vrienden en aanhangers, om de regeringstaken goed uit te voeren. Zodra hij de teugels van het bewind had aanvaard, riep Sugriva de oudsten en leiders van de gemeenschap bijeen. Hij gelastte hun de juiste maatregelen te treffen voor de speurtocht naar Sîtâ. Hij vroeg hun al de nodige stappen te ondernemen om Sîtâ te vinden. Sugriva was niet gelukkig met zijn rol als heerser, noch voelde hij zich vereerd met deze verantwoordelijkheid. Integendeel, zij maakte hem verdrietig en somber omdat die de aanleiding was geweest tot zijn broers dood.

'Ach! Boosheid heeft tengevolge dat men de afgrijselijkste zonden begaat. Zij brengt haat voort en vermoordt de liefde. Tot mijn grote schande ben ik zo diep gevallen doordat ik woede en haat in mijn hart heb toegelaten. Ik word door zielenpijn verscheurd als ik denk aan de woorden van liefde en verering waarmee Vali zich tot Râma richtte. Ik had nimmer kunnen dromen dat Vali zo vol toewijding en overgave was. O! Zijn wijsheid kende geen grenzen. Zijn blinde woede liet niet toe dat zijn wijsheid tot uiting kwam. Ja, boosheid onderdrukt het goddelijke in de mens. Begeerte en woede sleuren hem naar de afgrond.' Hoewel Sugriva zeer ontmoedigd werd door deze gedachte, nam hij niettemin Lakshmana's lessen in de grondbeginselen van het landsbestuur ter harte. Hij bad Râma de hoofdstad te bezoeken en hem en zijn onderdanen te zegenen. Doch Râma zei dat Hij zich slechts in het woud mocht ophouden en geen stad of dorp kon binnengaan, anders zou Hij ongehoorzaam zijn aan de wens van zijn vader.

Sugriva riep de leiders in vergadering bijeen en verklaarde dat, aangezien het laat in het najaar was, het regenseizoen weldra zou aanbreken en het apenleger moeite zou hebben zich te verplaatsen in de kou en tijdens het stormachtige weer. Hij stelde daarom voor te wachten tot de herfst voorbij was en onmiddellijk daarna de zoektocht naar Sîtâ aan te vangen. Sugriva deelde zijn overwegingen tevens mede aan Râma en Lakshmana. Râma zag de juistheid in van dit standpunt en aanvaardde Sugriva's voorstel. De broers trokken zich terug in de Rishyamukaheuvels, waar zij hun intrek namen in de hermitage.

Spoedig daama brak de regentijd aan. Het stortregende alsof het water op elke vierkante centimeter aarde met emmers uit de hemel werd gegoten! Het werd voor Lakshmana een zware opgave tijdig vruchten en knolgewassen voor hun maaltijd te bemachtigen. Zij konden de beschutting van hun kluizenaarshut niet verlaten. De zon liet zich nauwelijks zien. Râma bracht de tijd door met het geven van waardevolle raad aan Lakshmana. Hij placht te zeggen: 'Lakshmana, als er een slechte zoon wordt geboren, zal de morele code worden aangetast. Bij het ontstaan van een cycloon beven de wolken van angst. Het gezelschap van slechte mensen luidt het einde in van de wijsheid. Het gezelschap van goede mensen daarentegen, doet de wijsheid bloeien.' Aldus brachten zij lerend en onderrichtend hun dagen door, sprekend over wijsheid en hoe die te verwerven en te bewaren.

Hoofdstuk 5: De Geslaagde Zoektocht

De regen was opgehouden en de winter deed zijn intrede. De aarde lag te pronken in weelderig, fris groen. Overal schoot het gras omhoog en weldra was de aardbodem bedekt met een bonte bloementooi. De hebzucht verflauwt als de blijdschap ontkiemt. Evenzo verdampte het water toen de Âgastya-ster aan de hemel verscheen. Als verlangens en begoocheling verdwijnen, wordt de geest gezuiverd en helder, zoals het water van de rivieren weer schoon en helder was geworden na de overvloedige regenval.

Râma zei tot Lakshmana: 'Broer! Ik acht nu de tijd gekomen Sugriva te waarschuwen.' Lakshmana gaf onmiddellijk gehoor aan Râma's bevel en verzocht Hanumân, die de hermitage dagelijks bezocht, om Sugriva te herinneren aan de taak die hij beloofd had te zullen verrichten. Hanumân was immer vol ijver en vurig verlangen om Râma's opdrachten uit te voeren, dus ging hij terstond Sugriva waarschuwen, met goed resultaat. Deze riep de aanvoerders der apenlegers bijeen en maakte een aanvang met de organisatie. Sugriva schonk iedereen de moed en vastberadenheid die nodig waren om de hem toegemeten taak tot een goed einde te brengen. Aangespoord door de vaste wil de opdracht te doen slagen, zond hij zijn legers uit naar de vier windstreken. De algehele bevelvoering vertrouwde hij toe aan Hanumân. Alle apen die daar samengestroomd waren, met Hanumân aan het hoofd, riepen: 'Jai' naar Sugriva en 'Jai' naar Râma, de Heer. Dansend en springend van blijdschap spoedden de apen zich voort langs de verschillende aangewezen paden, geïnspireerd door Hanumân en de heiligheid van hun opdracht.

Hanumân ging met een groep volgelingen in oostelijke richting. Sushena en Mandava trokken naar het noorden. Zij doorzochten de heuvels van de Gandhamadana-bergketen, de hoge Sumeruberg, de Arjunaheuvel, de heuvels van Nilagiri en alle grotten van die gebieden, tot zij tenslotte de kust van de Noorderzee bereikten. Ook Hanumâns troepen legden zich met grote ijver toe op hun speurtocht. Zij bekommerden zich niet in de geringste mate om slaap of voedsel. Ze waren bereid zelfs hun leven te offeren aan Râma's voeten. Slechts één wens hadden zij: het welslagen van hun taak om Râma te dienen. Iedereen, van hoog tot laag, was bezield met een zelfde trouw en toewijding. Onder het voortdurend aanroepen van Râma's naam, doorzochten zij alle hoeken en gaten, elke bergtop en klip, elke grot en inham, elke vallei en rivieroever, want zij waren in staat door te dringen tot streken en plaatsen waar mensen niet kunnen komen.

Op zekere dag bereikten zij de oever van een uitgestrekt meer. Daar ontwaarden zij een vrouw die in diepe contemplatie verzonken was. Op eerbiedige afstand wierpen zij zich voor haar ter aarde. Zij opende haar ogen en sprak toen zij zag hoe uitgeput de dieren waren: 'Apen! Het lijkt mij dat jullie zeer vermoeid en hongerig zijn. Verkwik jezelf met deze vruchten', en zij voorzag hen rijkelijk van voedsel. Toen de apen om haar heen zaten, vernam zij van hen met welke opdracht zij door het land trokken. De vrouw vertelde hun dat zij op weg was naar de heilige plaats waar Râma verbleef. 'Luister naar mijn verhaal', sprak zij. 'Mijn naam is Svayamprabha. Ik ben de dochter van een hemelse Gandharva (een godheid die de geheimen des hemels en de goddelijke waarheid kent en openbaart). Ik heb een vriendin genaamd Hema; zij is een apsara. Terwijl ik verzonken was in contemplatie, verscheen Heer Brahmâ aan mij en vroeg wat ik verlangde. Hij verzekerde mij dat hij mijn wens zou inwilligen. Toen antwoordde ik: "Ik zou God willen zien in een menselijke gedaante en verblijvend op aarde." Hij sprak: "Zonder je af op deze plaats. Na verloop van tijd zal hier een aantal machtige apen langskomen en op jouw verzoek halthouden. Van hen zul je over Râma horen, die God is in menselijke vorm. Naderhand zul je Râma met eigen ogen aanschouwen." Ah! Die zegen wordt thans werkelijkheid. De eerste twee tekenen dat mijn wens in vervulling gaat, zijn reeds zichtbaar. Jullie komst is de eerste aanwijzing. De tweede is dat jullie mij de geschiedenis van Râma vertellen en tevens waar Hij nu verblijft. Ik voel mij nu al zo gelukkig alsof de derde voorspelling, het aanschouwen van Râma, reeds is uitgekomen.' De vrouw verzonk in mateloze vervoering en stortte tranen van gelukzaligheid. Ook de apen waren vol vreugde en tot tranen toe bewogen. Svayamprabha was intussen verdiept in innerlijke waarneming en hield de ogen gesloten. Na enige tijd verbrak zij de stilte met de aankondiging: 'Apen! Ergens aan de zeekust, in een prachtige stad, zit midden in een lieflijke tuin Sîtâ, geheel alleen en zij betreurt haar lot. Jullie zullen haar zeker vinden. Wees daarvan overtuigd. Vervolg je weg moedig en vol vertrouwen!'

Op zekere dag tijdens de tocht werd het de apen somber te moede. Zij verzuchtten: 'Ach! Van de tijd die onze meester Sugriva ons heeft toegewezen, resten ons slechts twee dagen, en nog steeds hebben wij Sîtâ niet kunnen opsporen!' Angada en de anderen werden door wanhoop bevangen en beklaagden hun lot. De tranen stroomden hun over de wangen. Zij hadden de zeekust bereikt en waren bedroefd dat geen van hen de zee kon oversteken en de zoektocht voortzetten. Zo zaten zij in groepjes op het strand bijeen en waren mistroostig en teleurgesteld. Jâmbavântha, de oude leider, gaf Angada allerlei goede raad. 'Waarom treur je? Wij hebben ons uiterste best gedaan. We hebben overal gezocht zonder op enigerlei wijze onze plicht te verwaarlozen, of ook maar een seconde te verspillen. Wij hebben ons zelfs niet bekommerd om eten of drinken en zonder ophouden naar Sîtâ gezocht. Onze meester en koning Sugriva mag dan wel geen getuige zijn geweest van onze inspanningen, doch geloof mij, Râma is dat wel! Râma zal daarom niets willen weten van enige strafmaatregel tegen ons. Reden om Sugriva's toorn te vrezen is er evenmin. Aangezien dit Râma's opdracht betreft, laat ons die uitvoeren met Zijn naam op onze lippen en Zijn vorm in onze gedachten.'

Terwijl Jâmbavântha Angada aldus troostend en bemoedigend toesprak, kwam er een enorme, oude vogel met korte sprongetjes het strand op om de dodenriten voor zijn gestorven broer uit te voeren en door met sesamzaad gewijd water te offeren aan de heilige zee. De apen schaarden zich rond de zojuist aangekomene en vroegen zich af of het een Râkshasa was die zich in die gedaante veranderd had. De vogel begon echter als eerste te spreken: 'Apen! Mijn naam is Sampathi. Ik ben de broer van Jatâyu. Lang geleden vlogen wij, zoals arenden plegen te doen, met elkaar wedijverend steeds hoger naar de zon. Mijn broer kon de verschroeiende hitte van de zon niet verdragen toen wij dichterbij kwamen en vloog terug. Doch mijn hoogmoed dreef mij ertoe mijn vlucht te vervolgen. Geleidelijk klom ik hoger en hoger, tot mijn vleugels verbrandden en afvielen. Uit de hoge hemel stortte ik ter aarde. Toevallig passeerde een wijze, genaamd ChandRâma, de plaats waar ik was neergekomen en zag in welke toestand ik verkeerde. Hij zette zich naast mij neer en leerde mij menige wijze les. Hierdoor kwam ik tot inzicht en mijn hoogmoed verdween. Hij zei tot mij: "O, Koning der vogels! Hoor mij aan. In het komende Treta-tijdperk zal God Nârâyana incarneren in menselijke vorm. Zijn gemalin zal door Râvana naar een onbekende plaats worden weggevoerd. Een leger apen (Vanaras) zal een speurtocht ondernemen naar haar verblijfplaats. Jouw leven zal geheiligd worden en de moeite waard zijn bij het zien van die afgezanten van God tijdens hun heilige missie. De waarheid van deze voorspelling zal bevestigd worden doordat je vleugels op datzelfde moment zullen aangroeien. Op jou zal de plicht rusten hen in te lichten over de plaats waar Sîtâ gevangen wordt gehouden." Ik ben vandaag naar deze kustplaats gekomen om de dodenriten voor mijn broer Jatâyu te volvoeren. Toen ik jullie zag, herinnerde ik mij de woorden van die wijze, die hij zo lang geledentot mij richtte. Welnu, ik heb ze mij nog niet herinnerd of ziedaar, zijn woorden worden bewaarheid!' Hierop riepen de Vanara's opgewonden uit: 'Sampathi! Bewaar uw levensgeschiedenis maar tot later. De tijd die ons toegemeten is, loopt ten einde. Vertel ons snel welke aanwijzingen u hebt die ons naar Sîtâ kunnen leiden. Zeg ons wat u weet, vertel wat er met haar gebeurd is!'

Gehoorgevend aan hun wens, vervolgde Sampathi: 'O, Vanara's! Op zekere dag, toen ik door een onbedwingbare honger werd gekweld, riep ik mijn zoon Suparna bij mij en zei tot hem: "Zoon! Vlieg snel heen en bezorg mij iets te eten. Ik ben oud, ik heb honger en mijn vleugels heb ik ook niet meer." Hij zag hoe slecht ik eraan toe was en vloog het woud in. Hij keerde echter niet terug. Mijn ongerustheid om hem onderdrukte de ergste honger. Eindelijk verscheen hij met een stuk hertenvlees. Mijn honger deed mij mijn zelfbeheersing verliezen die de wijze kenmerkt. Ik was woedend dat hij zo buitensporig lang was weggebleven en wilde een vloek over mijn zoon uitspreken. Mijn zoon had daar een bang vermoeden van en terwijl hij smekend mijn voeten vastgreep, sprak hij: "Vader! Ik heb onderweg geen minuut verspild. Ik smeek u, hoor mij aan. Vergeef mij dat ik zo lang op me liet wachten; het was onvermijdelijk!" Hij zette mij het hertenvlees voor en toen ik het gegeten had en mijn honger gestild was, vroeg ik hem naar de oorzaak van zijn verlate terugkeer. Hij sprak: "Toen ik het woud invloog, zag ik een individu met twintig handen en tien hoofden voorbijsnellen. Er was een vrouw bij hem die onbeschrijflijk schoon was. Zij weende en jammerde erbarmelijk. Ik wist dat ik met een monster te doen had, dus viel ik hem aan. Toen zag ik de vrouw in de strijdwagen. Zij riep slechts een naam: 'Râma! Râma! Râma!' Er kwam haar geen ander woord over de lippen. Mijn vergeefse pogingen om hun voortgang te beletten en de vrouw te redden, waren de oorzaak van mijn oponthoud." Luisterend naar zijn relaas, schaamde ik mij diep over het verlies van mijn vleugels en ook mijn ouderdom bracht mij in verlegenheid. Ik werd door verdriet overmand en vermoedde dat het monster met de tien hoofden een Râkshasa was, dus vroeg ik mijn zoon in welke richting hij zijn weg had vervolgd. Mijn zoon antwoordde dat hij naar het zuiden was gegaan. Hierop riep ik uit: "Ach! Dat monster moet Râvana zijn, over wie de wijze heeft gesproken en de vrouw is de goddelijke Moeder Sîtâ! Daar bestaat geen twijfel over. Dat monster heeft haar gestolen als een hond of een vos en gaat er nu met zijn prooi vandoor." Ik ziedde van toorn. Wat kon ik anders doen?' Aldus verklaarde Sampathi wat er was voorgevallen en wat hij van het incident wist. 'Ik heb de komst van de Vanara's die door de wijze was voorspeld, afgewacht. Iedere dag hoopte ik dat zij langs zouden komen. Vandaag is mijn gebed verhoord. Mijn leven is geheiligd.'

Toen kondigde Sampathi aan: 'O, Vanara's! De stad Lanka ligt op de heuvel met de drie toppen aan de zeekust. De stad bezit vele fraaie tuinen en parken. Daar verblijft Sîtâ in As'okavana - een woud van opvallende bomen met oranjerode bloemen - en beweent haar lot. Zij wacht op jullie komst, dus trek verder zuidwaarts.' Angada vroeg de vogel hoe hij te weten was gekomen dat Sîtâ in As'okavana onder een boom zat te treuren om haar ongelukkig lot. Sampathi antwoordde dat het zicht van de adelaar een gebied van vierhonderd yojana's (ca. 6.500 km) bestrijkt en dat hij zeker meer zou hebben geholpen bij hun missie als zijn hoge leeftijd hem dat niet had belet. Nu was het de vraag hoe zij de oceaan moesten oversteken! Sampathi sprak: 'O, Vanara's! U kunt succes behalen in de taak die Râma u heeft toebedeeld als er een onder u is die de kracht en de vaardigheid heeft een sprong van honderd yojana's (ca. 1.600 km) te maken.' Terwijl hij deze woorden sprak, groeiden de vleugels van Sampathi en kon hij ze een weinig uitslaan. Hij kon een korte afstand fladderen en niet lang daarna echt vliegen. De voorspelling van de wijze was uitgekomen. Sampathi werd met ontzag vervuld toen hij zijn vleugels terugkreeg. Hij sprak: 'O, dappere Vanara's, grote helden! Om aan Râma's bevel gevolg te geven hebt u zeer doeltreffend en met grote geestdrift uw zoektocht uitgevoerd zonder u in uw pogingen te laten belemmeren door honger of dorst. Tijdens het speuren hebt u een standvastig geloof en grote toewijding getoond en menigmaal uw leven op het spel gezet. Het is Râma die uw kracht en uithoudingsvermogen heeft geschonken. U mocht Zijn werktuig zijn in het volbrengen van Zijn taak. Het is thans uw plicht al uw gedachten aan Râma te wijden en van ganser harte tot Hem te bidden. Als u dat hebt gedaan zult u Sîtâ stellig vinden en Râma voldoening schenken. Met Râma's genade kunt u gemakkelijk over de oceaan heen springen, Sîtâ vinden en Râma's hart verblijden. De vreugde die wij in Gods hart teweegbrengen, is de enige prestatie die de moeite waard is. Wat valt er te zeggen van levens waarin deze gave niet aan God wordt geofferd? Slechts van diegenen die volgens de door God voorgeschreven regels leven en die door hun daden Gods wil gehoorzamen, heeft het bestaan betekenis. Alle andere levens zijn onvruchtbaar en vergeefs. Zij doen niets dan kostbaar voedsel verbruiken en de aarde belasten door zich her en der te verplaatsen.' Met deze woorden sloeg Sampathi zijn vleugels uit en vloog heen.

De Vanara's, die hem hemelwaarts zagen vliegen, waren aangenaam verrast dat hij zo plotseling zijn vermogens had teruggekregen. Zij zeiden tot elkaar dat het reciteren van Râma's naam het onmogelijke tot stand kan brengen. Zoals de heilige tekst luidt: 'De stommen kunnen spreken, de lammen kunnen bergen beklimmen.' De vleugelloze Sampathi had louter door Râma's genade zijn vleugels teruggekregen en kon zich hoog in het luchtruim verheffen. Die genade had hij verworven door voortdurend de heilige naam te herhalen. Sampathi's woorden verschaften de Vanara's een juist en helder inzicht. Elk der apenleiders maakte een schatting van zijn eigen lichaamskracht en springvaardigheid. Toen richtte Jâmbavântha zich tot hen. 'Vrienden', sprak hij, 'mijn hoge leeftijd speelt mij parten. Mijn vermogens zijn afgenomen. Aangespoord door de vreugde om het uitvoeren van Râma's bevelen en bemoedigd door Zijn zegen, heb ik tot dusverre kunnen volhouden en met u kunnen meegaan. Ik beschikte nog volledig over lichaamskracht en intelligentie en was in de bloei van mijn leven toen de Heer incarneerde als Vâmana en zijn TrivikRâma ('drie stappen')-vorm aannam.'

Toen zij dit hoorden, schaarden de Vanara's zich rond Angada, de prins van hun koninkrijk. 'O, Prins', smeekten zij, 'bezin u toch op een mogelijke oplossing. Beslis wie van ons moet pogen over de oceaan te springen.' Toen riep Angada de Vanara's in voltallige vergadering bijeen en verklaarde dat hij van iedereen wilde horen tot welke prestatie hij zichzelf in staat achtte bij deze onderneming. Hierop verrees Vikata en sprak: 'Ik kan hoogstens dertig yojana's (ca. 500 km) ver springen.' Nila verklaarde: 'Prins! Ik ben in staat veertig yojana's af te leggen met een sprong, maar tot mijn spijt ook geen duimbreed meer.' Durdhara was de volgende die opstond en zei dat hij met gemak een afstand van vijftig yojana's kon springen. Nala trad naar voren en met zwierige handgebaren beweerde hij dat hij wel zestig yojana's ver zou komen. De snoeverijen en het vertoon van kundigheid waarmee zij elkaar trachtten te overtroeven, werden onderbroken door Angada die verklaarde: 'Luister! Ik kan eenmaal over deze oceaan springen, doch ik betwijfel of ik daarna nog voldoende kracht zal hebben om de sprong terug te maken. Men moet niet slechts de overkant bereiken, maar zonodig ook strijd kunnen leveren tegen de Râkshasa's. Het gevecht zou mij nog verder verzwakken en mijn krachten zouden uitgeput zijn. Ik vrees dat mijn vermogens niet toereikend zijn voor deze drie verrichtingen tezamen.'

Toen Angada zich in deze ontmoedigende bewoordingen uitliet, verrezen gelijktijdig alle hoofdleiders der Vanara's en betoogden: 'Prins! U bent de rechtmatige troonopvolger. De vraag of u al dan niet in staat bent deze opdracht op u te nemen, is niet relevant. Het zou niet juist zijn als u overstak naar het land van de Râkshasa's. Dat is tegen de regels van het koningschap. Dit is een taak die u moet opdragen aan een dienaar van het koninkrijk. Als u miljoenen dienaren hebt die vol enthousiasme zullen doen wat u van hen vraagt, dan is het niet juist als u zou overwegen deze taak zelf uit te voeren.' Jâmbavântha stelde voor een ander met de opdracht te belasten. Angada keek om zich heen en liet zijn blik rusten op Hanumân. Hij sprak: 'O, zoon van de Windgod, jij bent een toegewijde dienaar van Râma. Je liefde voor Râma is groot en oprecht. Jij werd als eerste van ons gezegend met de darshan van Râma. Door je intelligentie, diplomatie en morele invloed heb je de vriendschap bewerkstelligd tussen Râma en onze vorst Sugriva. En juist nu wij in moeilijkheden zijn bij het uitvoeren van Râma's missie, bewaar jij het stilzwijgen. Ik kan de betekenis van dit stilzwijgen nauwelijks begrijpen.' Angada ging voort Hanumân te prijzen en sprak: 'Er is geen avontuur dat jij niet tot een goed einde weet te brengen. Je bent sterk en zeer intelligent. Je bent begiftigd met alle deugden. Beoordeel zelf hoe kundig je bent, hoever je vermogens reiken waarin je uitblinkt en sta op.' Angada's woorden gaven Hanumân nieuwe kracht. Met een snelle beweging stond hij op en sprak: 'O, Vanara's! Blijf allen hier en wacht op mijn terugkeer. Jullie hebben dagen achtereen bergen en dalen, wouden en vlakten doorkruist en geen ogenblik kunnen rusten. Voed je met de knolgewassen en vruchten die in dit gebied te vinden zijn en blijf hier op je post. Ik zal nu onmiddellijk over de oceaan springen, Lanka binnengaan, Sîtâ vinden en weerkeren. Het uitvoeren van Râma's bevel is mijn enige taak. Hoe zouden wij anders ons leven waarde kunnen geven dan door Râma's genade te verwerven?'

Met deze woorden hief Hanumân de gesloten handpalmen ten groet voor de grote menigte. Hij nam afscheid van de kroonprins Angada. De verzamelde groepen apen lieten in koor de juichkreten horen: 'Jay Râma', en 'Aan Râma de overwinning.' Hanumân hield zich de glorieuze vorm van Râma voor de geest en met een hemelwaartse sprong verdween hij over de oceaan. Bomen die niet opgewassen waren tegen de enorme luchtstroom die door zijn sprong en vlucht veroorzaakt werd, werden met wortel en al uitgerukt en meegevoerd. De kracht waarmee hij zich afzette was zo groot, dat de bergtop waarop hij stond in de diepte verzonk. Toen de zee hem zag overvliegen, dacht zij bij zichzelf: 'Deze Hanumân is een dienaar van Râma en is op weg om Râma's opdracht te vervullen. O, wat een geluk voor hem! Hij bezit de kracht en de intelligentie om de overwinning te behalen bij die missie van Râma. Er is geen grotere toegewijde van Râma dan hij.' De zee werd onstuimig van de vreugde die haar beving toen zij Hanumân langs zag suizen. De Mainâkaberg, die in zee verzonken lag, verhief zich boven het water, want hij wilde degene dienen die zich in dienst had gesteld van de Heer. Hij sprak: 'O, zoon van de Windgod! Het moet wel uiterst vermoeiend zijn de hele afstand in een enkele sprong af te leggen. Rust alsjeblieft wat uit op mijn top en schenk mij het geluk deelgenoot te zijn in je liefdevolle dienstbetoon!' Hanumân luisterde wel naar Mainâka's bede, doch hield niet stil. In plaats daarvan raakte hij even de bergtop aan en spoedde zich voort. Hij boog naar de gastvrije berg ten teken van zijn erkentelijkheid. 'Mainâka! Ik ben onderweg om Râma's missie te vervullen. Tot ik die heb volbracht, komt de gedachte aan rust, of zelfs eten en drinken, niet bij mij op. Het past mij niet onderweg stil te houden', sprak hij. Even verderop trachtten een demon in de vorm van een slang genaamd Surara en een menseneetster genaamd Simhaka hem de doorgang te beletten, doch Hanumân wist hen te weerstaan en bereikte de kust van Lanka.

In die stad bij de zee zag hij, badend in het zonlicht, vele prachtige tuinen, parken en lusthoven die Hanumân deden vergeten waar hij was. Hij werd verrast door de grote verscheidenheid aan zwermen bontgekleurde vogels die in de parken af en aan fladderden. Hanumân klom op een nabijgelegen fraai begroeide heuvel en dacht bij zichzelf: 'Mijn welslagen heb ik niet aan mijn kracht of vaardigheid te danken, doch louter aan Râma's genade en zegen.' Bij het zien van de bijzondere monumentale huizen, de lange, brede lanen, de schitterende tuinen en dergelijke in deze stad, overviel Hanumân een gevoel van verwondering en ongeloof. Was dit een evenbeeld van de hemel zelf? Overal waren welgebouwde Râkshasa-soldaten te zien die door de straten marcheerden, en Râkshasa-vrouwen, beroemd om hun vermogen zich in elke gewenste gedaante te veranderen. Hanumân merkte op hoe zij zich uitleefden in losbandig vermaak. Deva, Naga, Gandharva en menselijke maagden die Râvana tot slavinnen had gemaakt, kwijnden weeklagend weg in de paleizen, wachtend op de dag van hun verlossing. Hanumân besloot dat het niet verstandig zou zijn rond te lopen in zijn oorspronkelijke gedaante tussen de grote menigten die zich in de straten ophielden. Hij nam een nauwelijks waarneembare vorm aan en ging de stad binnen.

Vlakbij de ingangspoort van Lanka stond een vrouwelijke demon, genaamd Lankini, die daar geposteerd was om iedere vreemdeling, met onverschillig welke bedoelingen, te beletten de stad te betreden. Zij ontwaarde de ongewone gestalte van Hanumân terwijl hij poogde naar binnen te gaan en sprak hem op dreigende toon aan: 'Wie gaat daar? Waar kom je vandaan? Wie ben je? Een schepsel als jij hebben wij hier nog nooit gezien. Je kunt niet van over de landsgrenzen van Lanka komen, want Lanka is omgeven door de zee. Ah! Kom je soms van overzee? Hoe wil je mij ontlopen en de stad binnengaan? Halt! Blijf staan waar je staat!' Hanumân sloeg geen acht op haar aanmatigende toon. Hij kwam naar voren, zijn staart rustig langs de grond slepend alsof hij haar dreigementen niet had gehoord. Lankini werd nog razender en dreigender. Zij brulde van woede: 'O, jij ongelukkige dwaas! Hoor je niet wat ik zeg?' Hanumân negeerde haar protest en haar vragen en liep glimlachend op de poort af. Lankini schreeuwde: 'Lelijk beest! Wie het waagt mijn bevelen te negeren, wordt verslonden. Denk erom. Het kost mij slechts een paar seconden om je botten te vermalen, wees gewaarschuwd.' Zij rende naar voren om het kleine aapje waarin Hanumân zich veranderd had, te vangen terwijl hij poogde de stad binnen te gaan. Toen zij vlak voor hem stond, balde Hanumân zijn kleine vuist en bracht haar een harde slag toe. Zij rolde bewusteloos op de grond. Het bloed stroomde uit haar mond. Na enige tijd herstelde zij zich en schoot als een bezetene naar voren om Hanumân te grijpen. Toen Hanumân haar echter nogmaals sloeg, kwam de klap zo hard aan, dat zij viel en zich niet meer kon oprichten. Uiteindelijk slaagde zij er met grote moeite in te gaan zitten. Zij hield de handpalmen tegen elkaar en sprak op smekende toon: 'O, wonderbaarlijke verschijning! Lang geleden, toen Brahmâ, de eerste der Drie-eenheid, zich had afgekeerd van Râvana, na hem vele gunsten te hebben verleend, verscheen hij plotseling voor Râvana en sprak: "De dag waarop je poortwachter dodelijk wordt verwond door de vuistslag van een aap, weet dan dat dit het begin is van je ondergang. Jouw vermogens zullen je niet meer kunnen redden. Laat dat voorval je een waarschuwing zijn dat de dood nabij is. Die aap zal Lanka binnengaan in opdracht van God om zijn missie te volbrengen. Zijn komst kondigt de vernietiging der Râkshasa's aan, wees je daar wel van bewust." Jij bent de bedoelde boodschapper. Wat een geluk dat mijn lichaam geheiligd werd door de aanraking van die heilige hand. Ach! Hoe zacht en ontroerend trof mij die vuistslag!' Terwijl zij aldus sprak, streelde zij de plek waar Hanumân haar had getroffen.

Hanumân, die zich niet om haar woorden bekommerde en onbewogen bleef bij zowel lofspraak als afkeuring, was intussen Lanka binnengetreden terwijl hij Râma's naam herhaalde bij elke ademtocht. Toch werd hij door een gedachte gekweld. Wie zou hem een aanwijzing kunnen geven omtrent Sîtâ's verblijfplaats? Als hij Sîtâ vond, hoe zou hij haar dan herkennen? Hij nam een nog subtielere vorm aan om aan de aandacht te ontsnappen en slingerde zich van de ene boomtop naar de andere. Onopgemerkt bewoog hij zich tussen de menigten op de marktplaatsen en groepen Râkshasa's. Plotseling viel zijn blik op een gebouw dat eruit zag als een tempel van Hari (Vishnu, van wie Râma de goddelijke incarnatie was). Het was omgeven door een tuin vol tulsî-planten (heilige, op basilicum gelijkende planten, die vooral gebruikt worden door toegewijden van Vishnu). Boven de toegangsdeur stond fraai gegraveerd de naam Hari. Het huis was zonder twijfel een tempel voor de god Vishnu. Hanumân was zeer verrast! 'Hoe komt de naam van Hari boven deze deur?' vroeg hij zich af. 'Dit moet een gewijde plaats zijn', concludeerde hij.

Hanumâns nieuwsgierigheid was gewekt. Hij sprong op het dak en gluurde door een venster om te zien wat er daarbinnen voorviel. Op datzelfde ogenblik rekte een man zich uit voor hij opstond, terwijl hij Hari's naam uitsprak. Hanumân was zeer verblijd toen hij dit hoorde. Hij werd gesterkt door de wetenschap dat er zelfs in Lanka mensen waren die de naam van Hari reciteerden. Hij werd aldus bezield met nieuwe moed en zijn bezorgdheid en vrees namen af. 'De bewoner van dit huis lijkt mij een vrome en goede man. Misschien kan hij mij vertellen waar Sîtâ verblijft. Ik zou hem er wellicht toe kunnen bewegen mij te helpen, aangezien wij allebei getrouw zijn aan dezelfde vorm van God!' Met deze gedachte veranderde Hanumân zich in een priester van de kaste der brahmanen en betrad het huis. Ofschoon Vibhishana, de huiseigenaar, een ogenblik door lichte twijfel werd bevangen bij het zien van de vreemdeling, besloot hij hem, wie hij ook mocht zijn, in ieder geval de eer te bewijzen die een brahmaan toekwam. Dus liep Vibhishana naar voren en wierp zich aan Hanumâns voeten. 'Meester! Wat is uw geboorteland? Waar komt u vandaan? Hoe is het mogelijk dat u niet werd opgemerkt en aangevallen door de Râkshasa's in de straten?' vroeg Vibhishana. Hij beschreef zijn gast aan welke gruwelen de Râkshasa's zich overgaven en verheerlijkte de stoutmoedigheid en onverschrokkenheid van Hanumân. Deze antwoordde: 'Ik ben een dienaar van Hari. Mijn naam is Hanumân. Ik ben gekomen omdat Râma mij gezonden heeft.'

Vervolgens sprak hij uitvoerig over Râma's deugden en uitmuntendheid. Hanumân bemerkte dat bij zijn beschrijving van Râma de tranen bij Vibhishana over de wangen rolden. 'O, wat een blijde dag! Wat ben ik gezegend! Wat een geluk om deze heerlijke woorden, die vrede en vreugde brengen, te hebben gehoord zodra ik was opgestaan', dacht Vibhishana bij zichzelf. Hanumân beschouwde deze ontmoeting als een genade van Râma. Het kwam hem als een groot wonder voor dat er in Lanka, het land van de vrees, iemand te vinden was die zo verzonken was in Hari. Hij vroeg: 'Edele heer, hoe is het mogelijk dat u zonder vrees leeft in deze verdorven sfeer?' Vibhishana antwoordde: 'Dat is te danken aan Gods genade. Hij beslist over onze levensduur. Wij zullen moeten leven zolang Hij dat wil, daar is geen ontkomen aan. Hij is de Heer der stoffelijke wereld, dus kan niemand zijn wetten herroepen of veranderen. Beweegt de tong zich niet onophoudelijk in de mondholte, waar zij omringd is door scherpgerande tanden? Wie helpt voorkomen dat zij wordt gebeten? Mijn leven hier is daarmee te vergelijken. Maar genoeg over mij. Vertel mij liever met welke taak u hierheen bent gezonden.' Hanumân besefte dat Vibhishana een goede man was en dat het samenwerken met dergelijke mensen wel tot goede resultaten moest leiden. Voor hij Vibhishana's vragen beantwoordde, herhaalde Hanumân vele malen vol blijdschap en dankbaarheid de heilige naam Ram, Ram, Ram, Ram en bad Hem om toestemming tot het onthullen van zijn missie aan de vrome, zuivere ziel Vibhishana. Hij voelde dat het niet juist zou zijn iets voor hem te verbergen.

Ter inleiding vroeg hij: 'Edele heer, hoe is uw naam? Wat doet u hier in Lanka?' Ontroerd door Hanumâns nederigheid en welgemanierdheid, antwoordde Vibhishana: 'Edele heer, ik ben een betreurenswaardig mens, de broer van Râvana. Mijn naam is Vibhishana. Ik bevind mij in een erbarmelijke situatie, want ik ben niet in de gelegenheid om naar hartelust de naam van Hari hardop te herhalen. ' Deze woorden gaven Hanumân het antwoord op zijn bede. Hij maakte een vreugdesprong en sprak: 'Ik ben een boodschapper van Râma en gekomen om Sîtâ te zoeken!' Vibhishana viel terstond aan Hanumâns voeten en vroeg: 'Waar is mijn Râma nu? Ik heb er al zo lang naar gesmacht Hem te zien, doch ik mis de deugden die mij het recht zouden geven op dat geschenk. Ik behoor tot de demonische Râkshasa-stam. Heb ik enige kans op de darshan van Râma? Ik heb mij niet beziggehouden met spirituele oefeningen en ben hier niet vrij om een ascetische levenswijze te betrachten of riten te volvoeren. Ik heb dat grote geluk niet verdiend. Zal Râma mij zegenen?' Vibhishana's smeekbede deed Hanumâns hart smelten van medegevoel.

Hanumân sprak vol vertroosting tot Vibhishana. 'Vibhishana! Voor Râma telt slechts het hart. Hij zal zich niet laten beïnvloeden door familiebanden, godsdienstige overtuigingen of verworvenheden door sâdhana. Bovenal behagen Hem uw zuivere gevoelens. Hij zal u zegenen om uw hooggestemde idealen en de zuiverheid van uw dagelijks leven. Wees niet bedroefd, Hij zal u de darshan verlenen waarnaar u verlangt. Ben ikzelf niet het beste bewijs dat het waar is wat ik zeg over Râma's mededogen en genade? Ik ben een aap; eigenzinnigheid en grilligheid zijn de kenmerken van mijn stam. Het begrip 'aap' is spreekwoordelijk geworden voor schelmsheid, speelsheid en kleingeestigheid. Ik heb nimmer de shastras bestudeerd en wat ascese betreft: ik heb geen idee wat dat inhoudt. Ik heb niet, zoals de regels voorschrijven, Gods naam gereciteerd, noch ben ik ooit op bedevaart gegaan naar de heilige rivieren! Hoe komt het dan dat Râma mij gezegend heeft? Omdat Hij slechts acht slaat op de liefde die ons bezielt en de gevoelens die ons drijven. Ook in uw geval zal Hij alleen letten op de zuiverheid van uw gevoelens. Heb vertrouwen en twijfel niet!'

Verlicht door deze woorden vertelde Vibhishana Hanumân omstandig hoe Sîtâ naar Lanka was gekomen. Hanumân weigerde iets te eten of te drinken, omdat hij had besloten van beide af te zien tot hij Sîtâ had gevonden en haar Râma's boodschap had overgebracht. Hij popelde om de zoektocht onverwijld te hervatten. Doch Vibhishana raadde hem aan voorzichtig en niet te overhaast te werk te gaan en voor zijn vertrek te weten te komen wat de sterkte en zwakheid was van Râvana's rijk. Hijzelf stelde Hanumân op de hoogte van enkele bijzonderheden op dat punt. Daarna gaf hij Hanumân toestemming om zijn zoektocht te vervolgen. Hanumân was zo verheugd te horen dat Sîtâ inderdaad in Lanka was, dat hij zowaar vergat te vragen waar zij zich in feite bevond! Hij ging het ene na het andere huis binnen om te zien of Sîtâ daar verborgen was. Vaak trof hij vrouwen bijeen die zich in een roes van drank en dans op hun bed hadden laten vallen, gevloerd door de banaliteiten van een leven in weelde. Met de gedachte aan de karaktereigenschappen en uitmuntende deugden van Sîtâ, die Râma hem had beschreven, sloeg hij elke vrouw in deze huizen nauwlettend gade, doch Sîtâ vond hij niet. Haast wanhopig sprong hij op de top van een heuvel en dacht lang en diep na. 'Hoe kan ik naar Râma terugkeren zonder dat ik mijn missie heb volbracht en Sîtâ heb gevonden en getroost. Ik zou verkiezen in gindse oceaan te verdrinken. Ach, mijn leven is nutteloos en beschamend', zei hij bij zichzelf.

Op datzelfde ogenblik ontwaarde hij in de verte een prachtig aangelegde en onderhouden tuin vol weelderig groen. Terwijl hij de heuvel afdaalde, besefte hij dat hij de tuin van beneden niet had kunnen zien omdat deze in een dal lag en omgeven was door hoge huizen. Niet wetend wat te doen, spoedde hij zich naar het huis van Vibhishana die hij verzonken in het reciteren van Râma's naam aantrof. Toen hij Hanumân zag, stond Vibhishana op en kwam hem vriendelijk verwelkomend tegemoet. Hij vroeg: 'Hanumân! Heb je Sîtâ gezien?' Hanumân toonde zijn teleurstelling, maar Vibhishana stelde hem gerust en vertelde hem wat hij wilde weten. 'Hanumân! In deze stad ligt een tuin, genaamd As'okavana. Daar, temidden van de verschrikkelijke en machtige Râkshasa's, wordt Sîtâ gevangen gehouden. Mijn vrouw en dochter zijn bij haar als haar dienaressen.' Hij onthulde Hanumân tevens de route naar de tuin en de plek waar hij Sîtâ zou vinden.

Hanumân hield het geen seconde langer uit. Hij vertrok onmiddellijk en bereikte in een ommezien de tuin. Degenen die hem opmerkten, begonnen te schreeuwen en hem lastig te vallen, want voor hen was hij een onbekende en eigenaardige figuur. Toen Hanumân begreep dat zijn verschijning teveel opviel, veranderde hij zichzelf in een uiterst klein aapje. Ongezien sprong hij van tak tot tak en verborg zich in het dichte gebladerte tot hij de As'okavana-tuin bereikt had. Daar bespeurde hij een vrouw, zittend onder een boom. Zij zag er zwak en afgemat uit door gebrek aan voedsel en slaap. De wrede Râkshasa's die haar bewaakten, spraken dreigende taal tegen haar om haar wil te breken. Ondertussen naderde er een grote optocht die werd aangekondigd door tromgeroffel en trompetgeschal. Aan het hoofd van de stoet zag Hanumân een koninklijk personage, rijk uitgedost en getooid met schitterende juwelen. Hij werd gevolgd door honderden dienaressen die schalen vol juwelen, zachte zijde, lekkernijen en welriekende geschenken droegen. Hanumân sloeg het tafereel gade, veilig verscholen in het dichte lover van een nabije boomtop. Dit personage moest Râvana zijn, want hij trachtte Sîtâ met allerlei argumenten te overtuigen dat zij liefde voor hem zou kunnen opvatten. Hij poogde haar daartoe een belofte af te dwingen door te dreigen met wrede straffen. Hanumân hoorde hoe Râvana zijn omstanders aanspoorde om Sîtâ te kwetsen en te verwonden. Geen enkele maal sloeg de kwetsbare, tere vrouw haar ogen op naar Râvana, zolang de tirade duurde. Al wat zij zei was: 'Dwaas! Ellendige schurk! Slechts Râma heeft recht op mijn liefde en trouw. Niemand anders dan Râma kan aanspraak op mij doen gelden. Ik zal dit lichaam tot as verbranden in de vlammen van verdriet omdat ik van Hem gescheiden ben. Ik zal nimmer van mijn besluit afwijken. Neem dat van mij aan en wees op uw hoede!' Hanumân hoorde deze krachtige woorden en besefte dat de vrouw niemand anders dan Sîtâ kon zijn. Die zekerheid schonk hem rust en vrede. Râvana, die gekwetst en teleurgesteld was en vertoornd over zijn nederlaag, werd weldra nog woester in zijn uitlatingen. Hij gaf Sîtâ een maand respijt om zijn voorstellen te overdenken en te aanvaarden. Bij zijn vertrek uit de tuin werd Râvana begeleid door de stoet en de dienaressen met de geschenken. Toen zij allen waren vertrokken, hief Sîtâ haar ogen ten hemel en verzuchtte: 'Râma! Is er nog geen plaats voor mededogen in uw hart? Waarom hebt u mij tot deze kwelling veroordeeld? Wanneer zal ik van deze beproeving verlost worden?' en zij barstte in tranen uit.

Een Râkshasi, genaamd Thrijata, was een van Sîtâ's bewaaksters. Zij was zeer gehecht aan de lotusvoeten van Râma en was een vrome toegewijde die zowel wereldse wijsheid als spirituele ervaring bezat. Zij sprak tot haar medebewaaksters: 'Zusters! Vannacht heb ik een droom gehad die ik jullie moet vertellen. Laat me echter beginnen met te zeggen dat wij Sîtâ moeten dienen en vereren en trachten haar genade te verwerven. Want luister maar naar de gebeurtenissen die mij in mijn droom werden geopenbaard. Een aap kwam Lanka binnen, richtte een bloedbad aan onder de Râkshasa's en stak de stad in brand! Râvana had geen kleren aan. Hij reed merkwaardigerwijze op een ezel en bewoog zich met grote snelheid in zuidelijke richting. Het viel mij op dat zijn hoofd kaalgeschoren was. Bovendien bemerkte ik dat zijn armen waren afgehouwen. Vibhishana werd tot keizer van Lanka gekroond. De naam van Râma weerklonk door het ganse rijk. Toen liet Râma Sîtâ halen. Zusters van de Râkshasa-stam! Luister goed. Ik droom nooit. Mijn hele leven heb ik geen enkele maal gedroomd. Dus als ik dan droom, kun je er zeker van zijn dat alles precies zo zal uitkomen als in de droom is voorspeld. Het zal bovendien niet lang duren voor hij werkelijkheid wordt. Binnen een dag of vijf zal alles precies zo gebeuren als ik heb gezien.' De Râkshasa-vrouwen waren verbijsterd door Thrijata's onthulling. Zij wierpen zich onmiddellijk aan Sîtâ's voeten en hervatten daarna zwijgend hun dagelijkse bezigheden.

Sîtâ die Thrijata's gedragingen had opgemerkt, richtte zich tot haar en sprak: 'Thrijata! Râma zelf moet je hierheen gezonden hebben om deel uit te maken van het gezelschap dat mij hier omringt. Voorwaar, het is te danken aan een paar vrouwen zoals jij hier in Lanka, dat ongelukkigen als ik onze kuisheid en deugdzaamheid kunnen bewaren. Wat zou er anders van mij geworden zijn? Je hebt toch gehoord, nietwaar, in welke termen Râvana zich zojuist tegen mij heeft uitgelaten? Hij heeft mij een maand respijt gegeven. Als Râma niet komt voor die maand is verstreken, zal ik, of liever gezegd dit lichaam, aan stukken worden gereten en de gieren en kraaien tot aas dienen. Als de gemalin van Râma zal ik nimmer dulden dat mijn lichaam zo'n verschrikkelijk lot ondergaat. Help mij te bedenken hoe ik mij voor die tijd van dit lichaam kan bevrijden.' Vanaf zijn boomtak had Hanumân alles gehoord. Hij werd door smart overmand toen hij Sîtâ in deze wanhopige trant hoorde spreken. Thrijata wierp zich aan Sîtâ's voeten en verzekerde haar: 'Moeder! Verlies de moed niet. Râma is geen gewone sterveling. Zijn macht en majesteit zijn ongeëvenaard. Zo zal het altijd zijn. Hij zal u zeker redden. Hij zal spoedig hier zijn en uw hand in de zijne nemen. Houd goede moed.' Zij troostte Sîtâ met liefdevolle woorden en ging toen naar huis.

Hanumân nam de gelegenheid te baat en sprong naar een lagere tak. Vlak voor Sîtâ's voeten liet hij de ring vallen die Râma hem gegeven had. De schitterende ring viel als een heldere zonnestraal voor haar neer. Hanumân bleef daarbij in opperste gelukzaligheid de naam van Râma herhalen. Toen haar blik op het kleinood viel, kon Sîtâ haar ogen nauwelijks geloven. 'Is dit droom of werkelijkheid? Kan dit waar zijn? Hoe kan deze gouden ring, die mijn Heer aan zijn vinger droeg, in Lanka terechtgekomen zijn? Is dit toverij van een Râkshasa, of louter zinsbegoocheling? Nee, ik mag niet langer aarzelen om hem op te pakken, zeker niet nu ik hem heb herkend als het eigendom van mijn Heer. Ik zou een zonde begaan als ik hem niet zou oprapen.' Met deze woorden nam zij de ring op en drukte hem eerbiedig tegen haar ogen. Tranen van dankbaarheid stroomden langs haar wangen. 'Râma! Schenkt u mij Uw darshan, de vreugde van Uw tegenwoordigheid door deze ring?' sprak zij en hief haar hoofd op.

Toen ontwaarde zij een klein aapje op een boomtak, dat voortdurend met volle toewijding de naam Râma reciteerde. Sîtâ herinnerde zich in een flits de gebeurtenissen uit Thrijata's droom, zoals deze daarover verteld had. 'Ah! De goede tijd belooft weldra aan te breken. Tien maanden lang heb ik Râma's naam hier op Lanka niet horen uitspreken. Vandaag mag ik een levend wezen aanschouwen dat die heilige naam reciteert. Daarbij mocht ik ook nog die dierbare ring van mijn Heer ontvangen', zei Sîtâ vol blijdschap tegen zichzelf. Zij kon haar vreugdevolle opwinding niet bedwingen. Sîtâ, die zo lang niet tegen een vreemdeling had gesproken, keek naar het schepsel in de gedaante van een aap en richtte zich tot hem: 'O aap, wie ben je? Waar komt deze ring vandaan?' Zij durfde de aap niet volledig te vertrouwen, want zij was maandenlang bedrogen door listige Râkshasa's die een andere gedaante hadden aangenomen. Zij ondervroeg de aap op velerlei wijzen om na te gaan of hij was die hij voorgaf te zijn. Van tijd tot tijd vroeg zij hem naar Râma's welzijn. De gedachte dat Hij alleen was in het woud deed haar tranen rijkelijk vloeien. Sîtâ werd heen en weer geslingerd tussen vreugde en verdriet. Hanumân merkte hoe droef het haar te moede was. Hij kon niet langer voor haar verbergen hoezeer hij aan Râma verknocht was door banden van liefde en trouw. Hij verhaalde Sîtâ de dynastieke geschiedenis van Râma en bracht zijn heldendaden in herinnering. Bovendien vertelde hij haar over zijn eigen leven tot op de dag dat hij Râma had ontmoet. Toen zij die geschiedenis aanhoorde, voelde Sîtâ zich zo gelukkig als in de tijd dat Râma zelf bij haar was. Zij had een levendige voorstelling van Râma aan haar zijde in Ayodhya en in de kluizenaarsverblijven in het woud. Zij was zo opgetogen dat zij zichzelf en haar omstandigheden vergat.

Weldra keerde zij tot de werkelijkheid terug en wist ze weer waar zij zich bevond. Zij sprak: 'O aap, ik ben verheugd dat je mij dit alles verteld hebt, doch laat mij je een vraag stellen. Hoe heb je deze zwaarbewaakte stad binnen kunnen komen, ofschoon je een zwak, klein aapje bent? Hoe is het mogelijk dat die Râkshasa's je niet hebben opgemerkt, dat je erin geslaagd bent deze plek te vinden en naar mij toe te komen? Hanumân antwoordde: 'Moeder! Welke vaardigheid of kracht heb ik uit mezelf? Ik ben dienaar, de slaaf van Râma. Hij laat mij alles doen naar zijn wil of naar het Hem behaagt. Zonder Hem kan ik geen seconde blijven leven. Ik ben als een marionet in zijn handen. Hij trekt aan de touwtjes en laat mij mijn rol spelen. Ik heb geen eigen wil!' Toen bezong Hanumân in alle toonaarden de glorie van Râma en gaf daarmee op indrukwekkende wijze blijk van zijn liefde voor en toewijding aan Hem. Het was zeer aangrijpend hem zo te horen spreken.

Râma had Hanumân verteld over enkele incidenten waar niemand anders iets van afwist, opdat Hanumân het gehoorde zou overbrengen aan Sîtâ. Râma had daarbij gezegd: 'Het zou kunnen zijn dat Sîtâ je niet gelooft en twijfelt aan je ware identiteit. Dan kun je haar aan gebeurtenissen herinneren die slechts haar en mij bekend zijn.' Daarom begon Hanumân deze incidenten te beschrijven en sprak: 'Moeder Sîtâ! Râma vroeg mij u te vertellen hoe de boze kraai heeft getracht u te verwonden en hoe Hij u te hulp is gekomen en die demon bijna had gedood.' Hierop begon Sîtâ luid te wenen en sprak: 'Hanumân! Waarom talmt Râma, die destijds zo goed voor mij was, zo lang met mij te verlossen van deze kwellingen? Râma is de oceaan van genade. Jawel. Waarom toont Hij zich dan zo ongevoelig voor mijn lot? Neen, neen, dat zie ik verkeerd. Râma is de belichaming van mededogen. De rol die Hij moet spelen, brengt al deze schijnbare hardvochtigheid met zich mee, dat is alles. Hanumân! Jij bent geen gewoon schepsel! Râma zal nooit zo nauw willen samenwerken met een laag individu. Hij zal evenmin zijn ring meegeven aan een minderwaardige persoon. Wat ben jij gezegend dat je zijn boodschapper mag zijn! Laat mij je eenmaal zien in je volle lengte en ware gedaante.'

Hanumân sprong uit de boom en ging in aanbidding met de handpalmen tegen elkaar voor Sîtâ staan. Toen Sîtâ hem zag uitgroeien tot een reusachtige, vreeswekkende gestalte, geloofde zij welhaast dat er een of andere demonische list in het spel was. Zij sloot haar ogen en keerde zich af. In het besef van haar vrees en de argwaan waarop deze gebaseerd was, sprak Hanumân: 'Moeder! Ik ben Râvana niet, noch een van die duivelse Râkshasa's. Ik ben de trouwe dienaar van Râma, met zijn zuivere, heilige lichaam van onvergelijkelijke schoonheid. Hij is het die de adem is van mijn bestaan. Geloof mij, ik spreek de waarheid. Vermoedend dat u wellicht niet zou geloven dat ik zijn echte boodschapper was, nam Hij deze gouden ring van zijn vinger en overhandigde hem aan mij om aan u te geven. Ik werd vergezeld door Jâmbavântha, Nila, Angada en duizenden andere grote helden. De anderen zijn allemaal nog aan gindse kust. Van Jatâyu en Sabari mochten wij vernemen hoe u hierheen bent gebracht door de doortrapte Râkshasa-koning. Toen wij drie dagen geleden nieuwe bijzonderheden hoorden die bevestigden dat u hier was, waren wij zo gelukkig dat het was alsof wij u met eigen ogen konden aanschouwen. Râma en Lakshmana wachten tot ik terugkeer met goede berichten. Als u mij toe staat, zal ik nu onmiddellijk terugkeren en hun het nieuws over uw welzijn overbrengen.

Sîtâ zei smekend: 'Hanumân! Ik weet niet of en wanneer je naar deze plaats zult terugkeren. Wees zo goed om nog een dag langer te blijven en verblijd mij door mij te verhalen over Râma en Lakshmana.' Omdat echter de Râkshasa-vrouwen zich rondom hen in groepen verzamelden, om elk hun verschillende taken te verrichten, nam Hanumân weer zijn uiterst kleine gestalte aan en sprong op een boomtak.

Sîtâ zat onder een boom en overdacht alles wat Hanumân haar had verteld. Het vervulde haar met vreugde en zij zond haar zegenende blik naar Hanumân, die boven haar op een tak zat. Die dag voelde zij honger noch dorst. Ze raakte de vruchten en dranken niet aan die de bewaaksters haar brachten. Haar deerniswekkende toestand deed Hanumâns tedere hart pijn. In zijn ogen was Sîtâ het toonbeeld van alle ellende. Hanumân hoorde de gevoelloze en scherpe woorden die de bewaaksters tegen haar bezigden en hij knarsetandde van woede, omdat hij niet tegen hen kon optreden zoals hij wilde. AIleen Sîtâ kon hem bevelen hoe hij moest handelen.

Na enige tijd kwamen Sarama, Vibhishana's vrouw, en haar dochter Thrijata naar de boom en wierpen zich aan de voeten van Sîtâ, die daar mistroostig zat. Zij informeerden naar haar gezondheid. Daar de vrouwen haar gunstig gezind waren, vertelde Sîtâ hun dat Thrijata's droom was uitgekomen en dat er, zoals in die droom, inderdaad een aap tot Lanka was doorgedrongen. Sarama en Thrijata toonden zich uitermate enthousiast en opgewonden toen Sîtâ vertelde wat er was voorgevallen. Zij vroegen haar honderduit en wilden alle bijzonderheden weten. Sîtâ wees naar de aap die op de boomtak zat en liet hun tevens de ring zien die hij had meegebracht. Beiden hielden zij de ring vol liefde en eerbied tegen de ogen gedrukt. Hanumân zocht naar een gelegenheid om Sîtâ alleen te spreken en weldra diende die zich aan. Hanumân sprong op de grond en fluisterde tegen Sîtâ: 'Moeder! Laat u niet meeslepen door bezorgdheid en verdriet. Laat mij u op mijn rug in een oogwenk naar de plaats brengen waar Râma en Lakshmana op nieuws van u wachten!' Hanumân voerde allerlei argumenten aan opdat Sîtâ met zijn plan zou instemmen. Sîtâ antwoordde: 'Hanumân! Ik ben oprecht verheugd je zo te horen spreken. Ik ben terneergeslagen en worstel met mijn verdriet omdat ik van Râma gescheiden ben. Je liefdevolle woorden zijn voor mij als een lichtbaken voor een schip in nood. Maar weet je niet dat ik nimmer iemand anders zal aanraken dan mijn Heer? Hoe kan ik dan op jouw rug zitten, denk daar eens over na.' Sîtâ's woorden hielden een scherpe terechtwijzing in die Hanumân in het hart trof. Zij verrieden de kleinheid en hoogmoed van Hanumân, die een plan had geopperd dat haar zou onteren. Hanumân herstelde zich echter spoedig en sprak: 'Moeder! Ben ik niet uw zoon? Waarom is het verkeerd als een zoon zijn moeder op zijn rug draagt? Wat zouden daarvan de kwade gevolgen kunnen zijn?' Hij verdedigde zijn idee met uiteenzettingen en overwegingen. Sîtâ gaf ten antwoord:

'Hanumân! Voor jou en mij zijn de gevoelens van moeder en zoon natuurlijk en vanzelfsprekend. Stel je echter eens voor hoe de wereld daarover zal denken. Daar moeten wij ook rekening mee houden, nietwaar? Wij moeten ons zodanig gedragen dat wij een voorbeeld zijn voor anderen. Wij mogen door onze daden geen aanleiding geven tot spot, minachting of afkeuring van anderen. Niemand mag ons vol misprijzen met de vinger nawijzen. En wij moeten bovenal zelfvoldoening kunnen ontlenen aan onze handelingen. Wanneer ik weet dat ik met mijn handelingen die voldoening niet kan smaken, zal ik mij er nimmer aan wagen! Zelfs al zou ik van dit leven moeten scheiden, dan nog heb ik de hulp van een ander niet van node. Mijn Râma moet bovendien zelf deze verachtelijke demon vernietigen die mij zo kwelt. Hij is degene die zich van deze verantwoordelijkheid moet kwijten. Die kan niemand anders op zich nemen. Hijzelf moet naar Lanka komen, Râvana doden, Sîtâ teruggeleiden en haar lot in zijn handen nemen. Dat is het teken van de ware held die Râma is. Dat is het bewijs van ware heldenmoed. Kijk eens naar die Râvana. Hij verscheen als een dief in de nacht in een valse gedaante en stal mij van mijn Heer. Doch Râma is de belichaming van rechtschapenheid. Hij houdt zich aan de normen van moreel gedrag. Hij respecteert het eens gegeven woord. Als het nieuws zich verspreidt dat deze Râma een aap heeft gestuurd om Sîtâ hier weg te halen buiten medeweten van Râvana, dan zou dat een smet werpen op Râma's goede naam. Wij mogen niet onze toevlucht nemen tot laaghartige listen. Wij behoren de goede naam van Râma te bewaken als onze eigen adem. Zijn grote roem is de goddelijkheid die wij in ons hart aanbidden. Die moeten wij bewaren, ongeschonden door gedachte, woord of daad. Het is om deze reden dat je voorstel mij geen voldoening kan schenken.'

Hanumân bewonderde haar smetteloze deugd en haar standvastige verering en liefde voor haar Heer, en ook de verhevenheid van de idealen die zij verdedigde. In gedachten verheerlijkte hij haar en bewaarde haar woorden in zijn herinnering, om er inspiratie uit te putten. Hij sprak: 'Moeder! Vergeef mij. Sinds ik met eigen ogen heb gezien welke kwellingen u moet ondergaan en hoezeer Râma er onder lijdt van u gescheiden te zijn, vatte ik het idee op u zo snel mogelijk naar de lotusvoeten van de Heer te brengen. Vergeef mij als dat verkeerd was' , en hij wierp zich vol berouw aan haar voeten.

Hierop stelde Sîtâ hem talloze vragen over het welzijn van Râma en Lakshmana en hun wedervaren in het woud. 'Waarom zou men zich over mannen zorgen maken? Zij kunnen elke last of beproeving dragen. De vrouwen lijden het meest, want het is een verschrikking voor hen om gescheiden van hun echtgenoten te leven!' Hanumân zei tot haar: 'Moeder! Râma en Lakshmana verkeren weliswaar in goede gezondheid. U moet hen echter niet met gewone mensen vergelijken. Dat is niet eerlijk. Ach! Iedere seconde bent u in Râma's gedachten en wordt Hij eraan herinnerd dat Hij van u gescheiden is. Daarom bekommert Hij zich niet om honger of dorst. Hij eet of drinkt niet, tenzij Lakshmana Hem liefdevol aanspoort om enkele vruchten of een weinig drinken tot zich te nemen. Ik kan mij geen enkele gelegenheid voor de geest roepen waarbij Râma uit zichzelf ook maar een slokje water dronk. U moet niet van de veronderstelling uitgaan dat zij u zijn vergeten of zich niet om u bekommeren. Lakshmana wijdt al zijn dagen aan het waken over Râma, zoals de oogleden de ogen beschermen. Hij is de adem van Râma's heilige adem. Hij wordt door smart overmand omdat hij van u gescheiden is en omdat hij getuige is van het leed van zijn broer. Hij is als een rots in de branding die niet wordt beïnvloed door enige gevoelens, behalve zijn bezorgdheid om Râma. Hij is de nimmer opdrogende bron van moed en bijstand. Hij heeft de afgelopen tien maanden niet geslapen of enig voedsel tot zich genomen.'

Toen Hanumân de deerniswekkende toestand beschreef waarin de broers verkeerden, gaf Sîtâ voor verbaasd te zijn over Râma's liefde en genegenheid voor haar. Steeds herhaalde zij: 'Ja, ook jij beschrijft het lijden van de mannen. Wat weet jij van de onpeilbare smart van vrouwen?' Zij deed alsof zij geen woord geloofde van wat Hanumân haar vertelde! Zij sloeg Hanumân gade en bewonderde zijn wijsheid en kracht. Zij haalde zich de geschiedenis voor de geest van de ontmoeting tussen Râma en Hanumân en voelde zich verbonden in liefde en trouw. Deze gedachte schonk haar vreugde en tevredenheid. Tenslotte kreeg zij een vast vertrouwen in Hanumân en in de opdracht die hij moest vervullen.

Keer op keer smeekte Hanumân: 'Moeder! Waarom laat u zich beheersen door het gevoel van Râma gescheiden te zijn? Waarom leeft u dagen- en maandenlang in vertwijfeling en verdriet? Sta mij toe u op mijn rug te nemen en ik breng u in een oogwenk in de tegenwoordigheid van Râma.' Sîtâ merkte dat Hanumân eropuit was het op dit punt van haar te winnen, ondanks haar argumenten van morele, spirituele en wereldlijke aard. Zij besloot daarom een einde te maken aan verdere discussies hierover door een scherpe terechtwijzing. Zij sprak: 'Hanumân! Ben jij wel of niet iemand die de bevelen van Râma nauwgezet opvolgt?' Hanumân antwoordde: 'Ja, ik zou liever mijn leven geven dan tegen Râma's wensen en bevelen ingaan.' Hij trommelde met zijn vuist op zijn borst om zijn verklaring kracht bij te zetten. 'Welaan. Denk eens goed na. Heeft Râma je bevolen mij te zoeken en nadat je mij gevonden had, Hem op de hoogte te stellen van mijn verblijfplaats, of heeft Hij je opgedragen mij mee terug te brengen?' Bij deze vraag stond Hanumân met de mond vol tanden en gaf zich gewonnen. Hij sprak: 'Moeder! Ik heb de gevolgen van mijn voorstel niet diep genoeg overdacht. Ik vraag u vergiffenis.' Vanaf dat ogenblik sneed hij het onderwerp niet meer aan.

Hoofdstuk 6: Lankâ door Vuur Verwoest

Hanumân wist dat het verkeerd zou zijn als hij nog langer in Lanka bleef. Zijn gevoel zei hem dat, hoe eerder hij Râma het welkome nieuws over Sîtâ bracht, hoe beter dat voor iedereen zou zijn. Hij verzocht Sîtâ om te mogen vertrekken. Zij sprak: 'Ga gerust. Ga snel en wees voorzichtig. Zeg tegen Râma dat Hij spoedig hierheen moet komen om mij met Hem mee terug te nemen.' Zij schreide van hoop en verdriet tegelijk. Hanumân werd ontroerd door dat aandoenlijke tafereel en droefheid overweldigde zijn dappere hart. Hij troostte haar en sprak: 'Moeder, Râma zal weldra met zijn Vanara-horden Lanka belegeren. Hij zal dit leger van Râkshasa's vernietigen, u redden en u naar Ayodhyâ terugvoeren.'

Sîtâ was echter niet te troosten en haar onzekerheid bleef. 'Hanumân! Wat zeg je nu toch! Denk je werkelijk dat apenlegers in staat zullen zijn tegen deze Râkshasa's te vechten en hen te doden, terwijl die zoveel sterker zijn en meesters in allerlei geheimzinnige krijgslisten? Hoe kunnen de twee broers Râma en Lakshmana zich verweren tegen deze duivels en hen overwinnen? Het is een illusie te denken dat zij over deze geweldenaren kunnen zegevieren. Deze onderneming zal zeker tot mijn dood leiden. Ik zou liever zelf sterven en al die levens sparen, dan de dood op het slagveld veroorzaken van zovelen van jullie.' Zo weeklaagde Sîtâ, tot Hanumân haar onderbrak: 'Moeder! Treur niet. Wij die behoren tot de Vanara-stam, zijn de slaven van Râma. Allen geloven wij dat het Râma is die ons kracht en moed geeft. De naam Râma ademen wij in met elke ademtocht. Hij alleen is voor ons de bron van alle leven. Al zou elke Râkshasa nog duizendmaal duivelachtiger worden dan hij al is, dan nog kunnen wij apen hen gemakkelijk vernietigen. Hun sluwheid en boosaardigheid kunnen niet verhinderen dat wij hen verslaan. U twijfelt aan de reikwijdte van onze krachten en vaardigheden, omdat wij ons laten zien in onze gebruikelijke vorm. Laat mij u de gedaante tonen die ik in de strijd kan aannemen!' Hanumân groeide uit tot een reusachtige gestalte en stond voor Sîtâ als een bergtop van glanzend goud. Zijn verschijning verbijsterde Sîtâ. Zij sprak: 'Hanumân! Stop, stop. Genoeg. Beperk je tot je normale grootte. Als de Râkshasa's je in het oog krijgen, zouden ze je weleens kunnen beletten spoedig naar Râma terug te keren.' Zo protesteerde Sîtâ en smeekte hem zijn oude gedaante weer aan te nemen. Hanumân gaf zijn ontzagwekkende vorm weer prijs en veranderde in een oogwenk in een rustig klein aapje. Hij wierp zich aan Sîtâ's voeten en maakte toen aanstalten om te vertrekken. Doch Sîtâ's droevige toestand en haar gepijnigde gelaatsuitdrukking stonden zo diep in zijn hart gegrift dat hij nauwelijks een stap kon zetten.

Toen hij tenslotte Sîtâ's verblijfplaats had verlaten, zag Hanumân onderweg een boomgaard. Hij plukte wat van de smakelijke vruchten en deed zich er aan te goed. De onrijpe en de teveel geplukte vruchten gooide hij weg. Een Râkshasa-wachter merkte Hanumân op en wilde hem afschrikken, doch Hanumân sloeg hem met een harde klap tegen de grond. De Râkshasa vluchtte in paniek naar de hoofdwacht, die zich op zijn beurt tot zijn superieur wendde.

Aldus bereikte het nieuws van een ordeverstorende aap in de tuin, de keizerlijke oren van Râvana, die dit als een slecht voorteken beschouwde. Hij kon zijn woede over de kwade streken en de belediging niet verkroppen. De vlammen van zijn toorn laaiden hemelhoog op. Hij beval enkele honderden Râkshasa's het brutale dier te overmeesteren en te vangen. Aangezien dezen er niet in slaagden hun opdracht uit te voeren, zond Râvana een paar duizend geoefende en zwaarbewapende Râkshasa-soldaten naar de tuin waar Hanumân hun hevige aanval afwachtte. Doch zelfs dat geduchte leger kon de aap niet deren, of hem bewegen te verdwijnen! Hanumân brak een droge tak af van de boom waarop hij zat. Met dat nietige wapen dat hij onder het aanroepen van Râma's naam rondzwaaide, sloeg hij elk werptuig af dat op hem werd gericht. Toen zij dit zagen, vroegen de Râkshasa's zich af wie hij was. Was hij door de goden gezonden? Of was hij de voorbode van Lanka's vernietiging?

De verslagen helden keerden terug naar hun kamp, gekweld door voorgevoelens van naderend onheil. Zij hadden nog nauwelijks de moed hun heerser van hun nederlaag verslag te doen. 'U hebt talloze, speciaal daartoe geselecteerde Râkshasa's op krijgstocht uitgezonden. Wij konden echter ons doel niet verwezenlijken. Honderden van onze manschappen stierven van louter angst, toen de aap slechts een enkele maal brulde. De grond beefde onder onze voeten. Het gebrul van de aap weerklonk tegen alle huizen in de stad. Toen zij zagen in welke hopeloze situatie wij ons bevonden, besloten onze aanvoerders u te benaderen en u te melden dat dit geen gewone vijand is en dat de voortekenen wijzen op een groot onheil.' Aldus luidde hun verklaring aan Râvana. Zonder enige terughoudendheid vertelden zij hem de naakte feiten: als men de aap vrij liet rondzwerven, zou het land zeker in gevaar komen.

Daarop stuurde Râvana zijn eigen dierbare zoon, prins Akshaya, naar Hanumân, aan het hoofd van duizenden ervaren krijgslieden. Hanumân maakte echter korte metten met zijn aanvallers. Râvana had bovendien het verlies van zijn geliefde zoon te betreuren. Het ganse land sidderde van vrees bij het zien van de dood van de prins en de slachting onder zijn manschappen. Angstig fluisterden de mensen onder elkaar dat dit geen gewone aap kon zijn, dat het een goddelijk fenomeen moest zijn, dat gekomen was om de zonde van Sîtâ's ontvoering naar Lanka op een verschrikkelijke wijze te wreken. Velen smeekten Sîtâ in het diepst van hun hart Lanka van de aap te verlossen, bevreesd als zij waren dat het haar wraak was die gestalte had gekregen in dat vreemde dier. Râvana ontbood zijn zoon Meghanada bij zich en gelastte hem deze indringer te doden. Hij stelde hem een enorm leger ter beschikking van duizenden krijgers. Meghanada besteeg zijn strijdwagen en voerde zijn heldenleger aan met grote pracht en praal. Zoals zij daar voortmarcheerden, verbijsterden zij hemel en aarde met hun machtsvertoon en hun dreigende pas. Strijdkreten doorkliefden het hemelgewelf. Allen die getuige waren van hun glorie en hun wapenrusting, waren van verbazing en verwondering vervuld.

Volkomen onbezorgd sloeg Hanumân deze opmars gade en hoorde het trompetgeschal aan. Hij zat onbeweeglijk op een twijg van de wijdvertakte boom en vermaakte zich met de capriolen van de Râkshasa's tot zij hem dicht genaderd waren. Van alle kanten schoten de soldaten een regen van pijlen op Hanumân af. Deze brulde eenmaal oorverdovend, sprong naar beneden en rukte een boom met wortel en al uit de grond. Hij zwaaide daarmee in het rond en sloeg alle pijlen die op hem afkwamen van zich af. Deze werden razendsnel weggemaaid. Toen zij terugkeerden naar de Râkshasa's, die ze hadden afgeschoten, troffen ze hen zo hard dat zij in groten getale sneuvelden. Er bleven slechts enkelen over om de strijd voort te zetten. Meghanada werd met één klap geveld. Hij rolde over de grond en het bloed gutste uit zijn lichaam. Hij besloot daarop zijn toevlucht te nemen tot de heilige boog van Brahmâ, die hij bij zich droeg. Hij wist dat Brahmâ, de eerste van de Drie-eenheid, Râvana had gezegd dat hij de dood zou vinden door toedoen van mens en aap. Dat onheil wilde hij voorkomen. Hij schoot de Brahmâstra af, met de daarbij behorende rituele formules. Hanumân had diepe eerbied voor het wapen dat door dergelijke mantra's is geheiligd en aan Brahmâ gewijd. Hij bood daarom geen weerstand en wierp zich voor de pijl ter aarde. Zo kon Meghanada hem moeiteloos vastbinden met een slangentouw.

De jubelende Râkshasa's brachten de goede tijding onmiddellijk over aan Râvana.

Honderdduizenden nieuwsgierigen verdrongen zich in de straten om de gevangengenomen aap te aanschouwen. Hanumân bleef onaangedaan door vrees of bezorgdheid. Rustig en beheerst ging hij voort en sloeg de menigte gade met een geamuseerde glimlach. Tenslotte kwam hij aan bij Râvana's audiëntiezaal. De hovelingen en ministers die daar bijeenwaren, stonden verbluft bij Hanumâns beledigende onverschilligheid tegenover het vertoon van macht en weelde in de zaal. Râvana lachte luidkeels om de absurde gestalte van de aap. Het volgende ogenblik werd hij echter overvallen door de vrees voor een naderende dood. Zijn woede won het evenwel van alle andere gevoelens. Hij vroeg: 'Zeg aap, wie ben jij eigenlijk? Aan wie behoort de macht die jij hebt tentoongespreid en aangewend? Waarom heb je deze boomgaard en dit park verwoest? Alhoewel je vastgebonden bent, heb je geen enkel gevoel van schaamte. Je kijkt in het rond met opgeheven hoofd. Komaan, zeg mij de waarheid!'

Hanumân lachte zijn ondervrager hartelijk uit. Voor zijn antwoorden gebruikte hij een spreektrant en een woordkeus die het begrip van de omstanders te boven ging. Doch Râvana, die een deskundige was op het gebied van retoriek en grammatica, begreep hem volkomen. De dialoog die zich tussen hen beiden ontspon, kwam de toehoorders voor als een woordenstrijd tussen twee intellectuele giganten. Râvana gaf Hanumân een demonstratie van enkele magische kunststukjes om hem te imponeren met zijn onoverwinnelijkheid. Hij vertoonde menig staaltje van zijn yogische krachten en vermogens. Hanumân bleef evenwel onbewogen. Hij sprak: 'Râvana! Ik weet van uw prestaties. Ik heb gehoord dat u vecht met duizend armen. Ook is mij uw beroemde gevecht met Vali bekend. Wat heb ik eigenlijk misdaan? Ik had honger en heb een paar bomen ontworteld. Zo is nu eenmaal mijn aard. Ik was in mijn element, in mijn natuurlijke omgeving en zat in de top van een boom. Vanzelfsprekend heeft iedereen de wens en de vaste wil om zijn eigen leven veilig te stellen en zijn eigen lichaam te beschermen. Uw soldaten zijn vreselijk boosaardig. Zij wilden mij kwaad doen, dus sloeg ik terug. Omdat zij de pijn niet konden verdragen, stierven zij. Ik vocht met hen om mijn eigen leven te redden. De pijl die uw zoon afschoot, dwong mij me aan hem te onderwerpen. Ik ben er echter niet op uit u daarom te misleiden. Ik heb slechts één wens: de bevelen van mijn Heer op te volgen. Luister goed naar wat ik u zeg. Laat elk besef van persoonlijke trots en reputatie varen. Overdenk de grootsheid van uw stam, de familie waartoe u behoort. Vergeet niet dat u de achterkleinzoon van Brahmâ bent. U bent tevens de kleinzoon van de grote Pulastya en de zoon van Vis'ravâ. Jaag niet langer de hersenschim na van het vergaren van nog meer macht, van pracht en praal. Vereer met heel uw wezen Hem die de vrees wegneemt uit het hart van allen die Hem zijn toegewijd, het kroonjuweel van de Ikshvâku-dynastie, de parel van de Raghu-dynastie: Râma! Geef u over aan Hem en zoek bij Hem uw toevlucht. Zelfs de tijd huivert van vrees voor Hem. Het is niet goed voor u vijandschap jegens Hem te koesteren. Luister naar mij: breng Sîtâ terug naar de lotusvoeten van Râma en overdenk de genade die uit deze lotusvoeten vloeit. Heers dan, gesterkt door die genade, ten eeuwigen dage over de staat Lanka. Laat de glorie van uw grootvader, Pulastya, zich zonder smet of blaam tot in alle windstreken uitstrekken, zolang zon en maan de hemel verlichten. U mag de goede naam van uw geslacht op generlei wijze aantasten. Laat uw hoogmoed en uw waanbeelden varen. O, keizer! Rivieren die ontspringen op bergketens zwellen aan tot woeste stromen in de regentijd, doch binnen enkele weken drogen zij op tot er nauwelijks meer water door vloeit. Evenzo zullen uw macht en rijkdom spoedig opdrogen en weggevaagd worden. Vereer Râma als de eeuwige bron van alle macht en rijkdom die onuitputtelijk is, want Hij is de oorsprong van vrede en voorspoed. U kunt niet van Hem winnen en toch uw heil bij Hem vinden. O, Râvana! Ik zeg dit alles zonder enige terughoudendheid en zonder vooroordeel. Niemand kan de ongelukkige redden die verblind is door haat jegens Hem. Neem mijn goede raad aan.

Hanumâns woorden waren mild en weldadig, vol wijsheid en van hoge morele waarde. Râvana was echter niet van zins zijn raad ter harte te nemen. Hij sprak: 'Dwaas! Wil jij me zeggen wat mij te doen staat? Je moest je schamen! Je dood nadert, anders zou je de vermetelheid niet hebben mij zo lang de les te lezen. Ik heb genoeg van je gewauwel, houd je mond!' Hanumân liet zich door Râvana niet van de wijs brengen en wierp tegen: 'Râvana! Uw woorden betekenen uw ondergang. Ach! U bent krankzinnig geworden. De waarheid van mijn diagnose zal u mettertijd duidelijk worden. Binnen enkele dagen zult u weten wie de dood nabij is, u of ik!'

Toen Hanumân aldus sprak, zonder een spoor van vrees en met onbegrensd zelfvertrouwen, werd Râvana buitenzinnig van woede. Hij spuwde vuur en dreigend balde hij zijn vuisten. Hij brulde naar zijn trawanten het bevel de onbeschaamde aap te doden. Allen snelden naar de plek waar Hanumân in de slangentouwen zat vastgebonden. Op datzelfde ogenblik trad Râvana's broer, Vibhishana, met zijn gevolg de zaal binnen. Hij boog diep voor zijn oudere broer en sprak bezwerend: 'Meester! Het is verkeerd een afgezant te doden. Rajadharma zal die daad nimmer goedkeuren. Straf hem op welke wijze dan ook, doch spreek geen doodvonnis over hem uit!' Râvana's ministers deelden Vibhishana's standpunt en gaven te kennen dat zijn voorstel getuigde van de meest verheven waarheid.

Râvana lachte aanvankelijk smalend om hun absurde ideeën over goed en kwaad. Toch bond hij in en sprak: 'Welnu, vermink hem en laat hem daarna gaan.' De ministers staken de hoofden bij elkaar en overwogen welke verminking gepast zou zijn. Zij kwamen tot de slotsom dat apen trots zijn op hun staart en dus veel waarde hechten aan een lang, sterk exemplaar. Iemand stelde voor dat de beste straf zou zijn een in olie gedrenkte lap om de staart te binden en die dan in brand te steken. Dit voorstel werd met algemene stemmen aangenomen en men prees elkaar om het briljante idee. De staartloze aap zal naar zijn Meester gaan en deze hierheen leiden om het verlies te wreken. Dan zullen wij getuige zijn van de manhaftigheid en kracht van zijn Meester. Het gonsde in de zaal van de fluisterende opmerkingen over en weer.

Hanumân die het gewoel gadesloeg en hun praatjes opving, had al die tijd heimelijk plezier. Toen zij uitgesproken waren, barstte Hanumân uit in daverend gelach! De Râkshasa's ontstaken in razernij bij deze openlijke belediging. Zij voorzagen zich van lappen die zij in olie drenkten. Hiermee omwonden ze zijn staart. Doch hoe langer zij daarmee bezig waren, hoe groter de staart werd. Steeds meer moest worden aangedragen: kilometers stof en vaten vol olie! Het nieuws van dit wonder verspreidde zich door de stad en grote menigten mannen, vrouwen en kinderen kwamen naar het paleis om het mirakel met eigen ogen te aanschouwen. Er had zich intussen een optocht gevormd, voorafgegaan door muzikanten. Overal begonnen mensen in de handen te klappen. Hanumân werd door de straten gevoerd, zijn staart over de volle lengte omwikkeld met de in olie gedrenkte lappen. Tenslotte bereikte de stoet het hoofdplein van de stad Lanka. Daar werd voor de ogen van een enorme, onstuimige mensenmassa een vlam gehouden bij het puntje van Hanumâns staart. Plotseling nam Hanumân zijn nietige gestalte aan, zodat de touwen waarmee hij vastgebonden was geweest, te ruim werden en van hem afvielen. Nu kon hij zijn natuurlijke grootte aannemen en zich vrijelijk bewegen. Met een enkele sprong bereikte hij het dak van een goudkleurig herenhuis, onder het aanroepen van Râma's naam. De Râkshasa's beefden van vrees toen vanuit het niets een stormachtige wind opstak. Hanumân maakte salto's in de lucht en was buiten zichzelf van vreugde. Hij sprong van het ene huis naar het andere, zijn brandende staart die nog steeds langer werd, achter zich aanslepend. Terwijl hij van straat tot straat ging, breidde de vuurzee zich steeds verder uit. Alle huizen uit de stad Lanka werden door de vlammen gegrepen en in de as gelegd. De Râkshasa's met hun vrouwen en kinderen ontvluchtten wanhopig hun brandende huizen en trachtten het vege lijf te redden.

De chaos werd nog groter toen runderen, paarden, ezels en olifanten uit hun stal losbraken en in paniek en dol van de pijn door elkaar renden. Door de ganse stad weerklonk het gejammer en geschreeuw van de Râkshasa's en het gebrul en getrompet van de dieren. 'O! Red ons. O! Breng ons in veiligheid...' Dergelijke wanhopige smeekbeden rezen op uit de kelen van vrouwen en kinderen en vervulden de lucht.

Koningin Mandodari hoorde het geweeklaag. Zij ontbood de paleiswachten en gelastte hun de vrouwen en kinderen een schuilplaats te verschaffen in het paleis. Zij gaf uiting aan haar gevoelens van vrees en verdriet. 'Ach! Râvana's dwaze koppigheid is er de oorzaak van dat de Râkshasa-stam zal uitsterven en slechts kan eindigen in algehele vernietiging. Mijn zwager Vibhishana en ikzelf hebben hem meer dan eens gewaarschuwd en hem nederig gesmeekt naar onze goede raad te luisteren. Hij sloeg echter geen acht op onze smeekbeden. Wij klaagden dat zijn halsstarrigheid zou eindigen in de dood van alle Râkshasa's. Doch het is zoals men zegt: Als de ondergang nabij is, is het onderscheidingsvermogen ver te zoeken. Slechte tijden zijn in aantocht, daarom gedraagt hij zich op deze schandelijke wijze!' Rondom haar zag Mandodari hoe het vuur meedogenloos om zich heen greep. Ook Hanumân kon zij duidelijk onderscheiden, rondspringend temidden van de vlammen. Uit iedere woning klonk de kreet: 'Hanumân! Red ons, spaar dit huis!' Met de handpalmen tegen elkaar smeekten de mensen: 'Heb medelijden met onze kinderen.' De vrouw van Kumbhakarna, Râvana's jongere broer, kwam aangesneld met de bede: 'O, boodschapper van Râma! Mijn echtgenoot is in diepe slaap verzonken. Steek ons huis niet in brand. Red mijn man van de vuurdood.'

Lanka was in een doodsstrijd gewikkeld. Het nieuws van de rampspoed kwam weldra ook Râvana ter ore. Hij gaf het bevel de aap te omsingelen met zwaarbewapende soldaten. De krijgers die op Hanumân afstormden, verspreidden zich in paniek toen Hanumâns brandende staart genadeloos om zich heen zwiepte. Velen werden door de vlammende staart gedood. Vrouwen schreeuwden van angst en riepen de wolken aan om het te laten regenen en zo te verhinderen dat het vuur zich nog verder zou uitbreiden. Malyavantha (Minister of Râvana) zag in welk een benarde toestand zij verkeerden en zei bij zichzelf: 'Neen, dit is geen vuur dat door regen kan worden gedoofd. Dit is het ondraaglijke verdriet van Sîtâ.' Anderen zeiden: 'Dit is de vlam van toorn die tegen Râvana is gericht. Het is de vurige manifestatie van de vervloeking die hij moet ondergaan. Die zal deze stad tot de grond doen afbranden.' De enorme vlam sprong over van het ene dak op het andere, zonder ook maar iets aan kracht te verliezen. Soms maakte Hanumân zichzelf klein en dan weer reusachtig groot, doch welke gedaante hij ook aannam, de snelheid waarmee de verwoesting om zich heen greep, bleef gelijk. Het geknetter van de vlammen en het onophoudelijk neerploffen van vallende muren was van alle kanten te horen.

Sîtâ hoorde wat was voorgevallen. Zij hief het hoofd en wierp een lange blik op de rookwolken en de vonkenregen die de tuin omgaven. De lucht werd door de rook verduisterd! Ook in de tuin was het onaangenaam heet. Sîtâ riep onmiddellijk de god van het vuur aan en bad dat hij Hanumân, de ware toegewijde van Râma, zou redden. Omdat zij sprak vanuit een mededogend hart, werd het plotseling koel en aangenaam rondom Hanumân.

Râvana moest verlies en schande lijden voor het negeren van het advies van de oude wijze mannen en het zich te buiten gaan aan grove taal toen hem de juiste weg werd gewezen. In minder dan een oogwenk werd de hoofdstad van zijn keizerrijk door het vuur weggevaagd. Het huis waar Kumbhakarna lag te slapen en dat van Vibhishana, die ongeëvenaarde toegewijde, waren de enige twee die door het vuur werden gespaard.

Hanumân sprong in zee en doopte zijn staart in het water om de vlam te doven. Toen nam hij de gestalte aan van een dwergaapje en begaf zich naar de plek waar Sîtâ zich bevond. Daar aangekomen wierp hij zich aan haar voeten en sprak: 'Moeder! Alles wat u mij gevraagd heeft aan Râma te vertellen, zal ik Hem zeggen. Geef mij iets om te bewijzen dat ik u heb ontmoet.' Sîtâ dacht even na en nam toen een met edelstenen bezette kam uit heur haar en overhandigde die aan Hanumân. Deze hield het juweel eerbiedig tegen de ogen gedrukt en knielde nogmaals, door blijdschap overmand, aan Sîtâ's voeten. Sîtâ zegende hem en sprak: 'Hanumân! Je hebt met eigen ogen gezien hoe Râvana mij kwelt en ik hoef daarover dus niet uit te weiden. Zeg tegen mijn Heer dat Hij mij het geluk van Zijn darshan moet schenken. Zeg Hem dat ik daar keer op keer om heb gebeden. Zeg Hem tevens dat Hij, samen met Lakshmana, binnen een maand Lanka moet belegeren. Hanumân! De afgelopen drie dagen was ik gelukkig met jou over Râma te kunnen spreken. Ik ben innerlijk kalm en vol vertrouwen. Hoe de komende dagen en nachten zullen zijn, als jij hier niet langer bent, kan ik mij niet voorstellen. Ik zal mij voelen als een vis op het droge. Natuurlijk houdt de alwetende Heer immer de wacht over mij, maar ach, wanneer zal ik mij mogen verlustigen in de aanblik van Zijn lotusogen?' Hanumân trachtte haar moed en vertrouwen in te spreken door geruststellende beweringen van allerlei aard. Hij bad en smeekte en wierp zich meerdere malen aan haar voeten. Tenslotte begaf hij zich op de weg die hij moest gaan. Aleer hij het Ashoka-park verliet, brulde Hanumân zo luid ten afscheid, dat het de aarde deed beven en de mannen, vrouwen en kinderen van het eiland doodsangst aanjoeg.

Zonder enig oponthoud bereikte Hanumân de kust. Hij verzadigde zijn geest met gedachten aan Râma en hield slechts Râma's bekoorlijke gestalte voor ogen. Al mediterend op die naam en vorm nam hij een reuzesprong over de zee en bereikte in luttele seconden de overkant. Die dag was het volle maan in de maand Kârttika (oktober/november). Het koele maanlicht was als balsem voor het hart, en de naam van Râma gaf hem kracht en vreugde. Hanumân had gezegevierd. De apenlegers die Hanumân vanuit de verte aan de horizon zagen verschijnen, waren in opperste vervoering. De blijdschap die zij gevoelden, deed hen opbloeien. Hun gezichten straalden met nieuwe glans toen zij hem steeds naderbij zagen komen. Zij waren buiten zichzelf dat zij de taak hadden volbracht waartoe Râma hen had opgeroepen. Drie dagen lang hadden zij op Hanumâns terugkeer gewacht en wanhoop had hun harten verdord. Nu hadden zij zich uitgedost met slingers van bladeren en bloemen. Zij stelden zich op langs de kust en drongen naar voren om Hanumân aan hun boezem te kunnen drukken wanneer hij aan land zou komen. Zodra Hanumân de eerste stap aan vaste wal zette, vroegen zij hem honderduit over wat er in Lanka was geschied, hoe het met Sîtâ was, in welke situatie hij Lanka had achtergelaten. Hanumân beantwoordde vol geestdrift al hun vragen en begaf zich toen naar Râma.

Kort daarop gingen de apen Madhuvana in en aten naar hartelust van de vruchten die er groeiden, want Sugriva had hun allen beloofd dat zij vrij over de tuin zouden kunnen beschikken zodra zij hadden ontdekt waar Sîtâ zich bevond. De wachters die daar geposteerd stonden, poogden de horde de toegang te beletten, maar de apen stroomden niettemin naar binnen. De wachters renden daarop naar hun heer en meldden hem dat zij niet bij machte waren de plundering te voorkomen. Toen Sugriva dat hoorde, riep hij uit: 'O, zij hebben overwonnen en de taak volbracht die hun door Râma was opgedragen!' Hij was buiten zichzelf van vreugde. Sugriva zei tot de wachters: 'Het is hun feest; dit is een feest van gelukzaligheid. Ga maar en wees niet bezorgd!' Intussen waren er groepjes apen aangekomen, die zich aan de voeten van hun koning en meester wierpen. Sugriva glimlachte hen toe en sprak: 'Zo, het is mij ter ore gekomen dat je de vruchten van je zoektocht hebt geplukt!' Zij antwoordden: 'Heer! Dankzij uw genade en heilwensen zijn wij geslaagd in onze onderneming. Hij die de zege heeft behaald, is een grote held. Hij heeft ons nieuw leven ingeblazen. Hij alleen is er de oorzaak van dat wij hier levend en wel voor u staan en tot u spreken.' Toen brachtten zij Sugriva uitvoerig verslag uit van de situatie in Lanka en de benarde toestand waarin Sîtâ daar verkeerde. Hierop verrees Sugriva plotseling en verklaarde: 'Wij zullen onmiddellijk vertrekken'. Hij spoedde zich naar Râma's verblijfplaats. Râma besefte dat de apen naar hen op weg waren met het nieuws van hun geslaagde missie en nam plaats op een enorme steen met Lakshmana aan zijn zijde. Hij sloeg de voorwaarts snellende groep gade. De apen naderden met grote sprongen en in hevige opwinding. Bij aankomst vielen zij aan Râma's voeten.

Eerst informeerde Râma naar hun gezondheid en welbevinden. Jâmbavân, de oudste van de groep, stond op en sprak: 'Zij die uw mededogen hebben verworven, zijn waarlijk gezegend. Zij worden daardoor begiftigd met alle deugden. De vermaardheid van zo iemand zal zich uitstrekken tot de drie werelden.' Hij prees Hanumân in alle toonaarden. Deze stond op en wierp zich toen aan Râma's voeten. Uitvoerig beschreef hij het eiland Lanka en vertelde Râma hoe treurig Sîtâ eraan toe was. Terwijl de tranen van vreugde en medeleven hem uit de ogen stroomden, legde hij de met edelstenen bezette kam, die hij met uiterste zorg en behoedzaamheid had overgebracht, in Râma's handen.

Râma drukte Hanumân aan zijn borst en sprak: 'O, zoon van de Windgod! Vertel verder over Sîtâ, over haar omstandigheden en gevoelens.' Hanumân sprak: 'O, Heer van mijn leven. Ik kan het u onmogelijk beschrijven. Sîtâ is vel over been, want zij eet noch slaapt. Zij telt de seconden, biddend om uw darshan. Het enige waar zij aan kan denken, is het aanroepen van uw naam. Zij vroeg mij u te vertellen over de talloze malen dat zij zich in ootmoedige aanbidding ter aarde werpt. Zij dacht dikwijls aan Lakshmana en daarbij vloeiden haar tranen rijkelijk. De scherpe woorden die Râvana haar elke ochtend en avond toevoegt als hij haar opzoekt en die haar treffen als een dolkstoot, heb ik met eigen oren gehoord. Moeder schenkt niet de geringste aandacht aan zijn gebazel. Al haar gedachten zijn op u gericht, terwijl zij wegkwijnt van zielenpijn omdat zij van u gescheiden is. Ach, haast u toch om Sîtâ te redden!' riep Hanumân en wierp zich aan Râma's voeten. Bij het aanhoren van deze woorden werd Lakshmana vervuld door gevoelens van wraak en toorn en weende hij om Sîtâ's benarde toestand. Het beeld van Sîtâ in Lanka verteerde zijn gemoed. Tenslotte sprak hij: 'Broer! Talm niet langer en red mijn schoonzuster!' Glimlachend antwoordde Râma: 'Lakshmana! Je moet niets overhaasten, doch rustig afwachten, want voor elke volgende stap is er het juiste ogenblik. Wees niet ontmoedigd als verdriet je aangrijpt, noch opgetogen wanneer vreugde je toestroomt (zie ook B.G. 2.14, 2.15 & 2.38).' Râma troostte Lakshmana met tedere en kalmerende woorden.

Toen riep Hij Hanumân bij zich en vroeg hem dichtbij te komen zitten, aan zijn voeten. Hij vroeg: 'Hanumân! Van welke aard is Râvana's bewind over Lanka? Hoe heb je Lanka in vlammen doen opgaan?' Hanumân sprak: 'Heer! Er is niets wat U niet weet. Wat valt er te zeggen over de kracht van een aap? Apen zijn dieren die van tak tot tak springen, meer niet. Hoe kunnen wij van de ene kust naar de andere springen, de Râkshasa's overmeesteren of de stad Lanka door vuur verwoesten? Dat alles konden wij louter dankzij Uw genade en glorie volbrengen. De kracht en moed die ons door Uw naam worden verleend, hebben geholpen ons doel te bereiken. Alleen, zonder U, ben ik absoluut tot niets in staat. Uw ring, die ik bij me droeg, beschermde mij en wees mij de juiste weg. Heer! Toen moeder de ring zag en in haar handen hield, was zij zo gelukkig!' "Droom ik? Of was het werkelijk Râma die mij dit gezonden heeft?" Op deze wijze twijfelde zij, tot zij tenslotte haar vaste geloof hervond, Heer. Het was haar smart en zielennood die Lanka deed branden en de stad heeft verwoest, en niet ik. U hebt mij tot Uw instrument gekozen en U hebt deze grootse taken volbracht, met mij als Uw werktuig. Dit alles is mij als een zegen ten deel gevallen, omdat U diepe genegenheid koestert voor uw toegewijden. Heer! Voor degene die uw genade heeft ontvangen is niets onmogelijk!'

Deze woorden doordrenkt van oprechtheid en nederigheid behaagden Râma zeer. Hij wendde zich tot Lakshmana en sprak: 'Broeder! Maak onverwijld voorbereidingen tot de veldtocht! Toen de goden zagen hoe de strijdkrachten zich in zo groten getale verzamelden dat de aarde ervan dreunde en welke voorbereidingen door Jâmbavân en Sugriva werden getroffen, waren zelfs zij verbaasd en voldaan. De apenkrijgers raakten Râma's voeten aan en lieten een triomferend gebrul horen. Râma maakte hen allen gelukkig met Zijn blik vol mededogen en zegening. Iedere krijger werd gelijk een bergtop die vleugels gekregen had! Voortmarcherend wakkerde hun enthousiasme aan bij iedere stap. Goede voortekenen begroetten hen zodra zij zich op weg begaven.

In de tuin van Ashoka voelde ook Sîtâ op datzelfde ogenblik dat het lot een gunstige wending had genomen. Râvana daarentegen werd door deze gebeurtenissen bevangen door voorgevoelens van onheil. Jâmbavân en sommige van zijn strijdmakkers trokken reusachtige bomen uit de grond en zwaaiden daarmee als wapens. Zij stootten onderweg zulke luide oorlogskreten uit dat de aarde beefde onder hun voeten en het daverde aan de hemel. Van tijd tot tijd juichten zij: 'Aan Heer Râmacandra de victorie!' In Lanka leefde elke Râkshasa in grote bezorgdheid, zich afvragend wat de eerstkomende dagen hem zouden brengen. Zij waren bevreesd voor het naderende onheil en beseften dat zij niet aan de rampspoed zouden ontsnappen. Zij konden hun angstgevoelens slechts op fluistertoon met elkaar delen, zo doodsbang waren zij voor Râvana.

Overal in Lanka waar zich groepen Râkshasa's verzamelden, spraken zij over niets anders dan de rampzalige schade die de boodschapper van Râma had aangericht. 'Als de dienaar al dergelijke ontzagwekkende heldendaden kan verrichten, hoe vernietigend moet dan de aanval wel niet zijn waartoe zijn Meester in staat is?' zo vroegen zij zich af. In hun verbeelding had Râma een immense overmacht. Deze gevoelens van vrees werden door haar dienaressen overgebracht aan Râvana's gemalin, Mandodari. Zij werd vervuld van bange voorgevoelens en grote bezorgdheid. Zij besefte dat, de gebeurtenissen in aanmerking nemend, men gegronde redenen had bevreesd te zijn. Zij wachtte een gunstig ogenblik af waarop zij Râvana in een ontvankelijke stemming zou treffen en hem onder vier ogen zou kunnen spreken. Toen de gelegenheid zich voordeed, sprak zij: 'Heer! Laat geen haatgevoelens ontstaan jegens de Alwetende. U hebt zelf te kennen gegeven dat Râma geen gewone sterveling is. Toen uw zuster Surpanakha werd verminkt kon uw leger zich niet op Râma wreken en Hem evenmin kwaad berokkenen of tot berouw bewegen. Nu heeft Hij miljoenen geduchte Vanara-helden bij zich. Wat kunnen onze Râkshasa-krijgers nu tegen Hem beginnen? Zij slaagden er zelfs niet in de boodschapper die zich toegang tot dit koninkrijk had verschaft, gevangen te houden of te straffen. Door hem zijn wij getroffen door dit grote onheil. Als een dienaar reeds zoveel ontzetting en wanhoop kon veroorzaken, hoeveel grotere rampspoed zouden miljoenen als hij dan wel niet teweeg kunnen brengen? Ik smeek u daarom mijn verzoek aan te horen. Zend Sîtâ naar Râma terug, onder de hoede van uw broer Vibhishana of uw ministers. Sîtâ is immers geen gewone vrouw. Zij is voorbeeldig kuis en is de belichaming van spirituele energie die voortkomt uit een rechtschapen karakter. Zo iemand te doen lijden, kan u nimmer heil brengen. Geef gehoor aan mijn smeekbede en laat Sîtâ naar Râma terugkeren. Dan zal alles ten goede keren voor u en onze Râkshasa-stam. Anders zullen Râma's pijlen de Râkshasa-horden doen verzwinden, zowaar slangen kikkers verzwelgen. Laat uw koppigheid en hoogmoed varen. Draag Sîtâ op aan de voeten van Râma! Met deze deerniswekkende bede wierp zij zich voor Râvana ter aarde.

Râvana, die zelfingenomen domkop, keek naar Mandodari en antwoordde met een schaterlach: 'Je moest je schamen! Teergevoelige vrouwen laten zich snel angst aanjagen, dat is hun natuur. Hun woorden, door vrees ingegeven, zullen zelfs geluk in ongeluk doen verkeren. Als de apen aan onze deuren verschijnen, zullen ze door de Râkshasa's worden verslonden. De goden beven in doodsangst als zij mijn naam horen uitspreken, dus waarom zou jij dan bevreesd zijn voor deze woeste boombewoners? Schaam je om je bezorgdheid! Ga heen van hier!'

Na deze woorden betrad hij met een hooghartig air de audiëntiezaal, er uitziend als de vermetelheid in eigen persoon. Zodra hij haar had verlaten, zei Mandodari dieptreurig bij zichzelf: 'Ach, het lot beraamt een dRâma van ongeëvenaarde omvang. Wat zal dat voor mijzelf betekenen? Daar zelfs maar naar te gissen is onverdraaglijk! Gebukt onder haar verdriet en niet wetend welk ander plan zij zou kunnen bedenken, trok zij zich terug in haar vertrekken en lag in bed te woelen, onrustig geworden door de gedachten die haar door het hoofd spookten.

In de audiëntiezaal riep Râvana de ministers bijeen met het verzoek hun oordeel over de situatie te geven. 'U bent allen op de hoogte van de rampspoed die door de boodschapper van Râma is aangericht. Welke voorbereidingen moeten er worden getroffen? Wat zijn uw toekomstplannen? Heb niet de geringste vrees om volkomen openhartig te zijn!' De ministers keken elkaar aan en lachten besmuikt, doch niemand waagde het te spreken. Plotseling verscheen Kumbhakarna in de zaal. Hij was zojuist ontwaakt na maandenlang geslapen te hebben, waardoor hij niets had gemerkt van de grote brand ten tijde van Hanumâns verblijf in de stad. Luidkeels riep hij tot zijn broer: 'Zo! Je snoefde dat er in alledrie de werelden geen grater held is dan jij. Je trotseerde de werelden en daagde iedereen uit zich tegen je te verzetten. En nu hoor ik dat een heel klein aapje Lanka binnenkwam, dat de stad in de as gelegd heeft! Het is een schande! Schaam je! Hoe kon je de aap laten ontsnappen?' Met deze honende woorden verliet hij de hal en spoedde zich naar huis. Toen verrees minister Atikaya van zijn zetel en richtte zich tot de keizer. 'Meester! Wij zullen uw bevelen gehoorzamen. Als wij slechts een genadige blik uit uw ogen ontvangen, stelt ons dat in staat alle mensen en apen te doden en hen van de aardbodem weg te vagen. Waarom zou ik aan deze verzekering iets toevoegen?' Hij zette zich neer met een zucht van voldoening. Hierna verrees Meghanada, de generaal die het vermogen bezat zich in elke gewenste gedaante te veranderen, en begon te spreken. 'Opperste heer en meester! Heel de wereld verkondigt uw macht en majesteit. De goden zijn uw borg. Waarom zouden wij in uw tegenwoordigheid over het lot der mensheid spreken? Want wie zou er sterker kunnen zijn dan deze goden?' Zijn woorden waren gedrenkt in gezwollen trots. De atheïstische zonen van Kumbhakarna, de van grote eigenwaan vervulde broers Kumbha en Vikumbha, allen spraken zij in gelijke trant. Akampana en andere krijgslieden voegden hun eigen melodie toe aan hetzelfde lied. Van tijd tot tijd stond de onstuitbare Mahodara op en klopte zich op de dijen als om zijn strijdlustigheid te demonstreren. Natuurlijk waren zij een voor een door heimelijke angst aangestoken, hoewel zij dat in woorden noch gelaatsuitdrukkingen lieten blijken. Dit had tot resultaat dat zij Râvana gelukkig maakten en erin slaagden hem te bemoedigen. Tenslotte stond een der Râkshasa's op en poogde Râvana's aandacht te trekken. Hij sprak: 'Majesteit! Ik zal als brahmaan gekleed naar Râma en Lakshmana op zoek gaan en hen benaderen. Ik zal hen voor het middagmaal uitnodigen en hen dan, zodra zij mijn kluizenaarsverblijf zijn binnengetreden, aan handen en voeten knevelen. Indien u mijn list goedkeurt, zal ik daartoe een poging wagen.'

Râvana was zeer ingenomen met zijn ministers en andere medestanders. Vibhishana was intussen de hal binnengekomen. Râvana zag hem aan en vroeg: 'Broer! Wat is jouw mening over deze Râma en Lakshmana en die apen?' Vibhishana antwoordde: 'Uiterst barmhartige broer! Ik zal u zo goed mogelijk antwoorden, zonder franje of pretentie. Ik smeek u alleen mij geduldig en oplettend aan te horen. Vergeef mij, 0 oppermachtig heer! Indien u een goede plaats in het hiernamaals begeert, een smetteloze reputatie tijdens uw leven, voorspoed en geluk in heden en toekomst, dan moet u uw bewondering voor de schoonheid van vrouwen die anderen toebehoren, laten varen. Wat zou één enkele sterveling als u kunnen doen om Hem die de veertien werelden regeert, schade toe te brengen of te dwarsbomen? Zou iemand kunnen overleven na Hem te hebben bestreden? Hoe kan zo iemand voorspoed genieten? Hebzucht vertroebelt al de deugden van een mens. Begeerte en woede openen de poorten tot het verderf. Râma is geen gewone sterveling. Hij betekent de dood van de god des doods. Hij is de ordenende kracht van de tijd. Hij kan niet worden aangetast door ziekte, nood of zwakheid. Hij is niet geboren en daarom onsterfelijk. Laat uw haat tegen zo'n goddelijk wezen varen en bid dat u aanvaard moge worden als Zijn dienaar. Laat Zijn gemalin weer naar Hem terugkeren en verwerf Zijn genade. Ik werp mij aan uw voeten en smeek u met alle kracht waarover ik beschik.' Malyavantha, een oude en eerbiedwaardige minister, knikte instemmend terwijl hij Vibhishana aanhoorde. Hij stond op en sprak: 'Meester! De woorden die uw broer heeft gesproken zijn rechtvaardig en juist. Als u zijn voorstellen aanvaardt, zal u dat tot eer strekken en uw faam vergroten.' Râvana was evenwel zeer verbolgen over beider advies en diende hun een scherpe berisping toe. Hij sprak: 'Dwazen zijn jullie, alletwee! Weet je wel wat je al die tijd hebt gedaan? Je was bezig mijn vijand te verheerlijken. Je hoort hier niet aanwezig te zijn terwijl dit onderwerp wordt besproken.' Hij gaf orders hen uit de zaal te verwijderen. Hierop wierp Malyavantha zich ter aarde voor Râvana, waarna hij zich naar huis spoedde. Ook Vibhishana wierp zich aan de voeten van zijn oudere broer en toen, met de handpalmen tegen elkaar, sprak hij vermanend: 'O, koning! Het staat geschreven in de Veda's en de S'âstra's dat in het hart van ieder mens de bij elkaar horende naturen, goed en kwaad, wonen. Als het goede overheerst en het volledige gezag krijgt, zal de mens vreugde, vrede en allerhande voorspoed genieten. Als het kwade de overhand heeft en alle macht wordt toegekend, zal de mens worden getroffen door alle mogelijke tegenspoed. Thans wordt uw rechtschapen natuur overweldigd door uw laaghartige kant, dus wijst u diegenen af als vijanden, die u goede raad geven en trachten uw hoogste goed te dienen. Sîtâ is als de nacht der vernietiging voor de Râkshasa's. U toont geen enkel mededogen met haar. Dat is uw boosaardige karaktertrek. Ik smeek u om deze gunst: wees zo goed mijn verzoek in te willigen en laat Sîtâ terugkeren naar Râma. Ik weet zeker dat alle mogelijke vreugde en voorspoed u dan ten deel zullen vallen.'

Hierop verrees Râvana plotseling van zijn troon en riep uit: 'Dwaas! De dood is je zeer nabij. Het was louter mijn genade die je tot dit ogenblik in leven liet. Nu reken je mijn vijanden tot je weldoeners. Ik kan niet begrijpen wat de aanleiding is geweest voor je respect en trouw jegens hen. Is er ook maar een levend wezen op deze aarde dat niet kan worden onderworpen door de kracht van mijn schouders? Je eet het voedsel dat ik je geef, je woont in het huis dat ik je heb verschaft en verblijft in mijn gebied. Waar haal je de moed vandaan mijn vijanden te verheerlijken? Doornstruiken die zijn gekweekt om het fort te beschermen, zijn nu voor datzelfde bolwerk schadelijk geworden. Jouw doornstruik heeft te zeer gewoekerd om mij nog tot nut te kunnen zijn. Ga nu maar naar een of andere âs'ram en leer ze daar de les over moraal en rechtschapenheid.' Zo sprekend, schopte hij Vibhishana, die aan zijn voeten geknield zat, van zich af. Hoe hard hij ook was geschopt, toch bleef Vibhishana doorgaan met zijn smeekbeden en hield hij de voeten vast die zo naar hem hadden getrapt. 'Koning! Râma is de waarheid toegewijd en zijn vastbeslotenheid kan nimmer verzwakken. Er rest u en uw volgelingen nog weinig tijd. Ik zal mijn toevlucht zoeken bij Râma. Ik heb mijn best gedaan u te redden. Ik heb geen enkel berouw, want ik heb niets verkeerds gedaan.' Met deze woorden verliet hij de zaal.

Terwijl hij Râma's naam aanriep met iedere ademtocht en buiten zichzelf was van blijdschap en opwinding, stak hij de zee over en bereikte de overkant. De Vanara's die hem opmerkten, hielden hem voor een boodschapper van Râvana en meldden zijn aankomst aan hun koning, Sugriva. Vibhishana werd tegengehouden en mocht de legerplaats niet binnenkomen. Het nieuws werd aan de Heer overgebracht met de volgende woorden: 'O, Râma! De broer van Râvana is gekomen voor uw darshan.' Râma vroeg Sugriva die Hem de tijding bracht, naar diens gedachten over het incident. Sugriva antwoordde dat het moeilijk was de plannen en de bedoelingen van de Râkshasa's te doorzien, omdat zij allerlei gedaanten kunnen aannemen op elk gewenst ogenblik en daardoor ondoorgrondelijk zijn. 'Wij weten niet waarom Vibhishana tot ons gekomen is. Ik vermoed dat hij een wig wil drijven tussen mij en Angada, de zoon van Vali. Ik denk dat het raadzaam is hem onverwijld in de boeien te sluiten en af te zonderen.' Râma antwoordde: 'Vriend! Je woorden zijn juist. Je hebt gesproken overeenkomstig de geboden in de S'âstra's betreffende afvalligheid en desertie. Toch moet je horen wat Ik te zeggen heb over de gelofte die Ik heb afgelegd en die wellicht indruist tegen jouw advies. Die gelofte houdt in dat Ik een ieder zal beschermen die zich aan Mij overgeeft. Zelfs als diegene een vijand is, zou het verkeerd zijn in dat geval een uitzondering te maken. Ik zal nimmer enig schepsel verstoten dat zich aan Mij heeft toevertrouwd, zelfs al zou dat de zonde van het doden van een miljoen brahmanen ten gevolge hebben. Het is mogelijk dat hij door Râvana hierheen gezonden is om het zaad van tweedracht onder ons te zaaien. Welnu, wat hebben wij van hem te duchten, al zou dat waar Mij overgeeft, zal Ik hem beschermen en koesteren als Mijn eigen levensadem. Ga hem dus snel halen', beval Râma en Sugriva haastte zich Hem te gehoorzamen.

Hanumân spoedde zich naar Vibhishana en bracht hem ogenblikkelijk naar Râma. Toen zijn blik viel op de lotusvoeten van Râma, stortte Vibhishana in vervoering een vloed van tranen. Hij kon zich nauwelijks staande houden. 'Heer', stamelde hij en wierp zich aan Râma's voeten. 'Red mij, verlos mij. Ik ben uw slaaf', bad hij. 'O, Beschermer van de goden! Ik ben een afstammeling van het ras der Râkshasa's. Mijn naam is Vibhishana. Dat ik als Râkshasa geboren ben, is het gevolg van de enorme zondenlast uit vorige levens. Ik word beheerst door onwetendheid en traagheid van begrip. Zoals de uil hunkert naar de nacht, zo verlang ik slechts naar de duisternis. U koestert al diegenen die zich aan U overgeven en smachten naar Uw liefde en genade. Ik heb niemand anders tot wie ik mijn toevlucht kan nemen.'

Toen Râma zag hoe nederig en oprecht Vibhishana smeekte om hem te vertrouwen en te verlossen, was Hij vol vreugde. Hij trok hem naar zich toe, streelde hem en gaf hem uiterst liefdevol, zachte schouderklopjes. Vol tederheid sprak Râma tot hem, zeggend: 'Mijn geliefde Vibhishana! Wees niet bezorgd. Alleen al door Mij te aanschouwen zijn terstond je Râkshasa-eigenschappen vernietigd. Je bent me even dierbaar en vertrouwd als Lakshmana en Sugriva.' Deze woorden wisten alle vrees weg uit Vibhishana's hart. Toen sprak Râma: 'O, heerser van Lanka! Zijn al je volgelingen en metgezellen gezond en wel? Hoe bracht je je dagen door temidden van miljoenen Râkshasa's? Hoe kon je in die omgeving je toewijding en trouw aan God bewaren?' Râma vroeg hem eveneens naar allerlei bijzonderheden in verband met zijn bezigheden.

Uiteindelijk sprak Vibhishana: 'O, Heer van de Raghu-dynastie! Begeerte, boosheid en al dat andere kwade gebroed zullen het hart teisteren totdat U er binnentreedt, met pijl en boog in Uw handen. Als men zich bewust wordt van Uw wezen en Uw liefde, dan vlieden zij uit de geest. Gehechtheid en haat kwellen het duistere hart dat het licht van de wijsheid niet kent. Heer! Ik heb mijn meest gekoesterde dromen tot vervulling zien komen op het ogenblik dat ik mijn blik mocht richten op Uw lotusvoeten en deze mocht aanraken met mijn handen en voorhoofd. Mijn vrees en droefheid zijn tenietgedaan. Ik heb nog niet een dag een enkele goede daad verricht en toch hebt U mij omarmd. O, wat een groot geluk valt mij ten deel!' Vibhishana's tranen vloeiden rijkelijk. Het waren tranen van vreugde en dankbaarheid.

Râma onderbrak hem en sprak: 'Vibhishana! Je bezit alle goede eigenschappen die men zich kan wensen. Anders zou je deze darshan niet zijn geschonken of de gelegenheid zijn geboden in mijn nabijheid te komen, mij aan te raken of met mij te spreken.' Râma's woorden bezielden Vibhishana met oneindige vreugde. Keer op keer wierp hij zich aan Râma's voeten. Râma zei tot hem: 'Ga je nu baden in de heilige wateren van de zee en keer snel weer terug. '

Dus begaf Vibhishana zich naar de kust. Râma verzocht Hanumân een kruik gevuld met het heilige zeewater bij Hem te brengen. Toen Vibhishana zich na zijn bad aan Râma's voeten wierp, nam Râma een handvol water uit de door Hanumân meegebrachte kruik. Terwijl Hij de druppels op Vibhishana's hoofd sprenkelde, verklaarde Hij: 'Met deze rite benoem ik je tot heerser van het koninkrijk van Lanka.' Vibhishana stond op en sprak: 'O, Heer! Waartoe heb ik een koninkrijk van node? Ik ben tevreden als ik mij verzekerd weet van een plaats dichtbij deze lotusvoeten.' Doch Râma sprak: 'Neen. Je kunt niet ontkomen aan deze taak.' Vibhishana antwoordde: 'Ik buig het hoofd voor het bevel dat ik van U ontvang.' Hij hield de handpalmen tegen elkaar met vrome nederigheid. De Vanara's stonden er omheen en werden getroffen door het mededogen en de genade die Râma schonk aan hem die zijn ganse wezen had toegewijd aan Zijn lotusvoeten. Hun harten waren vervuld van gelukzaligheid. Râma ontving de generaals van de Vanara-legers en richtte zich tot hen. 'Aanvoerders! Neem Vibhishana met je mee. Beschouw hem niet als een speciaal iemand doch behandel hem als je kameraad. Hij behoort mij toe. 'Vibhishana werd zeer bemoedigd door deze vertederende woorden. Weldra begaven zij zich op weg naar de kust.

Hoofdstuk 7: De Brug

Râma keek naar de zee en vroeg de Vanara's hoe zij van plan waren het water over te steken. Menigeen had een idee over hulpmiddelen en methoden die men zou kunnen toepassen. Tenslotte stond Vibhishana op en richtte zich tot Râma: 'Heer! De oceaan dankt zijn oorsprong aan Uw voorvaderen, Sagara en zijn zonen. Hij is de geestelijke leidsman van Uw geslacht. Indien het Uw wil is dat de Vanara's de oceaan oversteken, dan zullen zij daar zonder moeite in slagen!'

Even later merkte Vibhishana een door Râvana gezonden boodschapper op. Deze werd door de Vanara's gevangengenomen en naar hun heerser, Sugriva, gebracht. Sugriva gaf het bevel hem zijn ledematen af te hakken. Toen de Vanara's zich voorbereidden om dat bevel uit te voeren, ging het schepsel hevig te keer. Hij riep gepijnigd uit: 'O, Vanara's! Ik bezweer u bij Râma, snijd niet mijn neus en oren af.' Lakshmana die zijn meelijwekkende kreet hoorde, liet de Râkshasa bij zich brengen. Hij sprak op vriendelijke toon tot hem en berispte de Vanara's om het kwellen van een afgezant van Râvana. Hij schreef een brief die hij aan de boodschapper overhandigde met de woorden: 'Geef dit schrijven aan Râvana en herhaal daarbij hetgeen ik thans tot u zeg: O, vernietiger van de toekomst van uw eigen stam! Kom tenminste vandaag tot inkeer en werp u aan Râma's voeten. Râma zal u vergeven. Sta niet toe dat de Râkshasa-stam wordt weggevaagd en vernietigd louter om uw listen kracht bij te zetten. Weet dat u op geen enkele andere wijze de naderende dood kunt ontwijken.' Met deze pijnlijke en ernstige waarschuwingen werd de boodschapper naar zijn meester teruggezonden. De Râkshasa was overgelukkig dat hij het er levend vanaf had gebracht. Hij riep luid: 'Jai aan Heer Râmachandra' en wierp zich aan Râma's voeten alvorens zich huiswaarts te spoeden.

Aan het hof van Râvana vertelde hij wat hem was overkomen en begon met onbedwingbare vreugde de verheven bekoring van Râma te beschrijven. Hij overhandigde Râvana de brief die Lakshmana hem had toevertrouwd. Râvana vroeg hem hoe het met Vibhishana, zijn broer, gesteld was. 'Hij moest zich schamen', riep hij uit. 'Zijn dagen zijn geteld en de dood zal hem spoedig verzwelgen. Hij is een lastpost die in deze graanschuur is grootgebracht. Hij verliet Lanka en sloot zich aan bij het vijandelijke kamp. Het ongeluk zal hem achtervolgen tot hij sterft.' Râvana wendde zich tot de boodschapper en vroeg: 'Je hebt onder het mom van benieuwd te zijn naar de toestand van mijn broer hun kamp bezocht. Heb je hun toen niet verteld over onze krijgsmacht en onwrikbare vastbeslotenheid? Zeg me bovendien wat je te weten bent gekomen over hun verdedigingsmiddelen en vermogens.'

S'uka, de boodschapper, stond voor de troon met de handpalmen tegen elkaar en sprak: 'Heer, ik bid dat u mij genadig zult zijn en rustig en verdraagzaam zult luisteren naar wat ik te zeggen heb. Op hetzelfde ogenblik dat uw broer vriendschap sloot met Râma, werd hij door Hem tot keizer van Lanka gekroond! De Vanara's die wisten dat ik als uw boodschapper hun kamp binnengekomen was, namen mij gevangen en martelden mij op allerlei wijzen. Ik zwoer bij Râma's naam en smeekte Hem mij te redden. Bijgevolg lieten zij mij gaan zonder mij te verminken en ik behield derhalve mijn neus en oren. Al had ik duizend tongen, dan zou ik nog niet de macht van de Vanara-Iegers kunnen beschrijven. Welk een uitgelezen schaar van heldhaftige krijgslieden is dat. Er zijn Vanara's van allerlei kleur, leeftijd en rang, van reusachtige lichaamslengte en kracht. Men beeft van angst bij hun aanblik. Ja, zelfs de gedachte aan hen is een vreesaanjagende ervaring. Stel u de macht eens voor van die ene Vanara die uw zoon heeft gedood en de stad in de as gelegd! Dat alles komt doordat zij de weerspiegeling en weerklank zijn van de onoverwinnelijke macht van Râma zelf. Evenzo wordt dus het kleinste en jongste aapje onder hen een afschrikwekkend monster. Er zijn Vanara-krijgslieden die ieder de kracht bezitten van vele kudden olifanten. Zij dragen namen als Dvivida (zie ook S.B. 10.67), Mainda, Nila, Nala, Angada, Vikata, Dadhimukha, Kesari, Kumuda, Daja, Gavaksha en Jâmbavântha (zie ook S.B. 10.56). Dat zijn de generaals. Zij allen evenaren stuk voor stuk hun heerser Sugriva in kracht en krijgskunst. Er zijn bovendien honderdduizenden meer onder hen die even sterk zijn. Hun aantal valt niet te schatten. Hun woestheid en furie kunnen aarde, hemel en onderwereld verwoesten alsof zij niet meer dan stapels stro zijn. Heer, ik hoorde dat zij achttien padma's in getal zijn, elk met een heldhaftige generaal aan het hoofd. Majesteit! Van hoog tot laag heb ik niet één Vanara ontmoet die twijfelt aan hun overwinning. Evenmin was er één die ook maar een spoor van angst toonde op de vooravond van de mars. Allen spannen hun spieren, gereed om deze stad te bestormen. Zij wachten slechts op een teken van Râma, dat zij tot dusverre nog niet hebben gekregen. Of de oceaan nu voor hen wijkt en hun vrije doorgang verleent of niet, zij zijn vastbesloten een dam van keien aan te leggen en om te slagen in hun onderneming. Zij laten dreigend hun tanden zien en pochen dat zij Râvana zullen vermorzelen tot er niets van hem overblijft.

Eenieder die hun triomfantelijk gebrul en uitdagende kreten hoort, wordt van vrees vervuld. Zodra zij de naam van Râvana horen noemen, worden zij zo razend dat zij reusachtige bomen met wortel en al uitrukken en er met dreigend vertoon van haat mee zwaaien. Zij springen en slingeren, schreeuwen en verdringen elkaar in hun gretigheid deze stad te verwoesten. Er bevinden zich bovendien even geduchte beren onder hen. Doch hun grootste zegen is dat zij Râma tot leider hebben. Hij die in staat is miljoenen goden des doods te overweldigen. Honderdduizenden Âdis'esha's, elk begiftigd met duizend koppen en tongen, kunnen zich nog niet meten met Râma in heldenmoed en krijgskunde. Met een enkele pijl uit zijn boog kan Hij zelfs de oceaan droogleggen.'

Râvana reageerde op dit verslag van de spion en boodschapper met een luide, woeste lach. Hij sprak: 'Je moest je schamen. Doordat je luistert naar het gezwets van de apen in zijn omgeving en dat van die aartslafaard Vibhishana, prijs je die dwaas zo hemelhoog. Het is pure nonsens om de kracht en heldhaftigheid van gewone apen te beschrijven. Genoeg hierover! Alsof apen ooit zo sterk zouden kunnen zijn! Ik heb in een ver verleden voldoende gehoord over de vermogens van Sugriva en wat die lafhartige Vibhishana betreft, die thans zijn minister is, wat kan hij dan wel doen? Kan hij ook maar enige rijkdom, zege of verdedigingsmiddel bijdragen ten gunste van Râma?'

De boodschapper kon slechts inwendig het gebrek aan intelligentie betreuren dat Râvana tentoonspreidde. Hij hield de handpalmen onderdanig tegen elkaar en bewaarde het stilzwijgen. Toen scheurde Râvana de omslag van de brief open die Lakshmana voor hem aan S'uka had meegegeven. Nadat hij hem gelezen had, overhandigde hij het schrijven aan zijn minister. Hij sprak: 'Je bent als de thithiri (patrijs)-vogel die bevreesd is dat de hemel op haar jongen zal vallen! Het arme dier! Zij bedekt haar kleintjes met haar kop om ze te beschermen. Hoe kan de hemel ooit neerkomen en de vogels doden? Kunnen deze kluizenaars, deze door rituelen bezeten priesters, die mij trachten af te schrikken met een vloed van woorden, daarin ooit slagen?'

S'uka hoorde de hoogdravende taal van Râvana enige tijd aan. Toen onderbrak hij hem, zeggend: 'Heer! Wat ik u zojuist heb verteld, is de volle waarheid. Lees de inhoud van de brief met grote aandacht en handel ernaar, zonder enig gevoel van wrok of trots. Luister! Laat uw vijandigheid varen. Râma is zeer teerhartig en vol mededogen. Hij heerst over de drie werelden. U hoeft Hem slechts te benaderen, dan zal Hij u in bescherming nemen en u voor alle onheil behoeden. Hij zal u al uw zonden vergeven. Laat Sîtâ naar Râma terugkeren. Sla acht op mijn bede.' Treurig smeekte de afgezant Râvana om zichzelf van de ondergang te redden. Terwijl S'uka bad en smeekte, vlamden Râvana's ogen van toorn en schaamte. Hij protesteerde brullend: 'Wat! Houd je mij voor een misdadiger? Heb ik jou, dwaas die je bent, erop uitgezonden om je aan de voeten te werpen van die babbelende, onnozele halzen? De grenzen van je vrijpostigheid en onbeschaamdheid zijn thans bereikt', en oprijzend van zijn troon, zette hij S'uka, de Râkshasa, hardhandig buiten de deur. Deze zocht zijn toevlucht in het kamp van Râma.

Maar bij de Vanara's die hem weer in hun midden zagen verschijnen, riep hij wraakgevoelens op. Zij wisten zich evenwel te beheersen en wachtten de bevelen van Râma af. Het was Sugriva zelf die S'uka naar Râma geleidde. S'uka wierp zich aan Râma's voeten en vertelde Hem uitvoerig wat hem was overkomen. Hij smeekte om te worden aanvaard gelijk Vibhishana en beschermd door zijn nieuwe Heer en Meester. Râma, als de verpersoonlijking van mededogen, ontbood de Vanara-aanvoerders bij zich en zei hun S'uka voortaan te beschouwen als hun broeder. Deze werd overstelpt door dankbaarheid en verklaarde dat zijn leven zijn einddoel had bereikt. Vervolgens verzocht Râma Lakshmana om zijn pijl en boog te halen en toen ze Hem werden gebracht, sprak Râma: 'De hooghartigen verdienen geen gunsten. Zij die onheil aanrichten door hun wreedheid, hebben geen recht op zachtaardigheid. Geboren gierigaards verdienen geen morele lessen. De zelfzuchtigen zijn geen goede raad waardig en de hebzuchtigen hebben er geen baat bij als er op ascese wordt aangedrongen. Zij die door woede zijn aangetast, verdienen geen hulp bij het zoeken naar innerlijke vrede. De slachtoffers van hun eigen zinnelijke begeerten mogen niets goeds verwachten van lezingen uit de heilige geschriften. In zouthoudende grond moet geen korenzaad worden gezaaid. Deze oceaan verdient evenmin genade als hij niet zwicht voor een vriendelijk verzoek.'

Toen Râma met deze woorden een pijl op zijn boog zette, vreesde Lakshmana de gevolgen voor de oceaan. Alleen al de aanstalten die Râma maakte om een pijl naar de diepte te schieten, deed de wateren koken. De bewoners in de diepte van de oceaan leden ondraaglijke pijnen. De golven, als door panische angst bevangen, schreeuwden het uit. Golf na golf rolde op Râma aan en kabbelde zacht aan zijn voeten, alsof zij om genade smeekten. Op dat ogenblik klonk een stem die uit de hemel leek te komen: 'Heer! Er zijn twee generaals in het kamp, Nala en Nila, die het doelwit zijn van een vloek die door een wijze over hen is uitgesproken. Deze vloek kan thans in een zegen verkeren. Luister naar de geschiedenis die vandaag verteld mag worden.'

Het was de oceaan zelf, die de bijzonderheden van die droevige gebeurtenis meedeelde. 'Destijds woonde een groot aantal kluizenaars in hutten aan de oever van de rivier. Toen Nala en Nila nog jong waren, drongen zij de âs'ram binnen en terwijl de wijzen in diepe meditatie waren verzonken, maakten zij zich meester van de heilige ikonen, die saligrams genoemd worden en door de kluizenaars werden vereerd, en wierpen ze in de rivier. De wijzen ontstaken in toorn bij deze heiligschennis en spraken een vloek uit over Nala en Nila: 'Jongens! Moge al wat je in het water werpt, nimmer zinken. Moge het in plaats daarvan blijven drijven en bovendien precies daar blijven liggen waar je het in het water hebt geworpen, al is de rivier nog zo gezwollen en de stroming nog zo sterk.' Daarom zal nu elk rotsblok dat in het water terechtkomt op zijn plaats blijven drijven. Laat Uw naam griffen op elk plat stuk steen en elk rotsblok. Uw heilige naam is licht en in het geheel niet zwaar. Aldus zullen zelfs enorme bergtoppen blijven drijven als zij in het water worden geworpen en een brug vormen. Ik zal mijn deel bijdragen om te helpen, want bij zijn zoektocht naar de waarheid moet de ganse natuur de zoeker dienen!'

Râma besloot de pijl die Hij had opgezet niet op de oceaan af te schieten. Aangezien een eenmaal opgezette pijl zijn doel moet vinden, richtte Hij die op een bosgebied in de verte wat tot gevolg had dat het woud veranderde in een dorre woestijn. Râma riep de ministers bijeen en gaf hun opdracht een brug over de oceaan te bouwen. Hanumân sprak: 'Heer! Uw naam is de brug die de mens veilig over de oceaan van het leven kan brengen. Welke brug zou sterker en veiliger zijn?' Jâmbavân, de oude generaal sprak: 'Heer, uw dapperheid is een laaiend vuur dat deze watermassa kan laten opdrogen. De oceaan zal zeker weer tot de rand toe gevuld worden met de tranen der vrouwen in Lanka die tot weduwe gemaakt zullen worden in de komende strijd met Râvana en zijn legers.'

Râma glimlachte om de natuurlijke en oprechte trouw en moed van deze toegewijden. Jâmbavân herinnerde Nala en Nila aan de verzekering van de onzichtbare bron - die niemand anders was dan de oceaan zelf - dat de vervloeking die zij over zichzelf hadden afgeroepen in hun jeugd, thans ten goede kon worden aangewend. Hij spoorde hen aan Râma in hun hart te vestigen en bergen, heuvels en rotsen in zee te werpen. Hierop renden de Vanara-helden in alle richtingen en keerden terug met volledige heuvels en bergen op hun hoofd en schouders, die zij droegen alsof ze zo licht als een veertje waren. Zij stonden in een enkele lange rij en gaven de bergen door van schouder tot schouder, onderwijl voortdurend de naam Râma aanroepend. Van tijd tot tijd trokken zij tevens reusachtige bomen met wortel en al uit de grond, die ze naar de plaats brachten waar de brug in aanbouw was en waar Nala en Nila alle materiaal in het water wiepen.

Die ganse dag werkten zij zonder ophouden en zonder ook maar te denken aan voedsel. In een dag vorderde de brug veertien yojana's (ongeveer 225 km). Verfrist door goede nachtrust stonden zij voor het ochtendgloren op tijdens de Brahma muhûrta, en hervatten hun arbeid. Onder het gejubel van: 'Jai aan S'rî Râmacandra, onze Heer', spoedden zij zich verder het land in, op zoek naar meer heuvels en bergen. Die brachten ze naar de kust, waar zij ze opstapelden om door Nala en Nila gebruikt te worden. De tweede dag werd de brug twintig yojana's (ongeveer 325 km) langer en de dag daarop bouwden zij een stuk ter lengte van 21 yojana's. De vierde dag werden er 22 yojana's aan toegevoegd en op de vijfde dag wisten zij met een uiterste krachtsinspanning de brug van honderd yojana's te voltooien, door nog een deel van 23 yojana's aan te bouwen.

Nala en Nila hadden zich niet bekommerd om uitputting of de behoefte aan rust, omdat zij vastbesloten waren de door Râma opgedragen taak te vervullen die zou leiden tot het volbrengen van Zijn missie. Thans konden zij aankondigen dat de brug gereed was, omdat Zijn naam en vorm steeds in de gedachten waren geweest van allen die zo hard gewerkt hadden om haar te voltooien. Het was Sugriva die Râma ervan in kennis stelde dat de honderd yojana's-lange brug, die Hij besloten had te laten bouwen, nu af was en gereed voor gebruik. Râma en Lakshmana waren verheugd over de toewijding en het plichtsbesef van de Vanara's, die zich zo snel en goed van hun taak hadden gekweten. Râma gaf Sugriva, de koning der apen, de opdracht aan de lange rij Vanara's het bevel door te geven dat eenieder de heuvel die hij op dat ogenblik vervoerde, moest neerzetten op de plaats waar hij stond en een weinig moest uitrusten, aleer hij naar het kamp terugkeerde. Sugriva bracht het bevel over aan degenen die nog bezig waren de rotsen en bergtoppen voor de brug van schouder naar schouder door te geven. Hanumân droeg juist een enorme berg die hij uit het verre noorden had gehaald. Toen hij hoorde dat Râma had bevolen hem neer te zetten, wierp hij hem ter plekke op de grond, nabij Vrindavan. Hij was verrast een luid gejammer vanuit de gevallen berg te horen komen. 'Ach', klaagde deze, 'nu is mijn kans voorbij om Râma te dienen.' Het was onmogelijk hem te troosten of te bemoedigen.

Toen Hanumân Râma's aandacht vestigde op de bittere teleurstelling van de berg, glimlachte Râma begrijpend. Hij sprak: 'Ah! Zelfs de bergen verlangen er vurig naar deel te nemen aan deze taak!' Râma toonde zich verheugd over hun geestdrift. Hij sprak tot Hanumân: 'Ga snel naar de berg om hem te troosten. Zeg hem dat hij niet bedroefd moet zijn. In het volgende Dvâpara-tijdperk zal ik deze berg in de palm van mijn hand omhooghouden, zeven dagen en nachten lang [zie voor dit verhaal S.B. 10.25]. Als hij dit hoort, zal hij gelukkig zijn.' Deze belofte gaf hem de naam Govardhana-berg, welke door de Heer in de hoogte gehouden werd, zoals was beloofd in het Tretâ-tijdperk.

Op de vijfde dag zat Râma op het strand en keek met grote vreugde naar de brug. 'O, Vanara's', sprak Hij, 'jullie toewijding en vaardigheid in dienstbetoon tarten elke beschrijving. Jullie plichtsbetrachting heeft mijn hart veroverd.' Op dat ogenblik voegde Vibhishana zich bij Râma en sprak: 'Heer! Morgen moeten wij in Lanka zijn, dus heb ik thans een bede aan u.' Râma antwoordde: 'Welke is dat. Zeg het mij.' Vibhishana vervolgde: 'Râvana is een vurig vereerder van S'iva. Hij is zeer gehecht aan die verschijningsvorm van God. Het staat niettemin vast dat hij door Uw hand de dood zal vinden. Ik bid dat u om Râvana's toewijding aan S'iva te herdenken, hier een S'iva-lingam wilt plaatsen, aan de vooravond van ons vertrek naar Lanka, dat wij door middel van deze brug zullen bereiken. Dan zullen in de komende eeuwen de mensen die deze route volgen om Lanka binnen te gaan de S'iva-lingam kunnen aanbidden en aan deze gebeurtenissen herinnerd worden. Zij zullen zich werkelijk gelukkig prijzen met een dergelijke ervaring. Zij kunnen de lingam dan vereren als de Râma Linges'vara, het godenbeeld dat door Râma is geplaatst. Zelfs wanneer de brug door de tijd is afgesleten en vergaan, zal de plek door toekomstige generaties kunnen worden herkend door het beeld dat hier wordt aanbeden.'

Râma was gelukkig met het voorstel. Hij sprak: 'Ik zal je wens vervullen. Je bent de toekomstige vorst van Lanka en om je een genoegen te doen, ben ik bereid je wensen te verwezenlijken, wat die ook met zich meebrengen.' Hierop droeg Sugriva de Vanara's op alle benodigdheden voor de oprichtingsceremonie te verzamelen. Hij wist een indrukwekkende lingam te verwerven, die hij door Hanumân zelf liet halen. Râma volvoerde de ceremoniële wassing met water uit de zee en bezielde de lingam met goddelijke energie en genade. Râma's woorden hadden de uitwerking van een mantra of heilige formule, zodat er verder niets nodig was om de lingam te wijden. De Vanara's lieten lofzangen horen en hun jubelkreten weerklonken van de heuvel. Onder het Jai, Jai-geroep van de omringende horden hielpen Lakshmana en Sugriva Râma om de lingam op zijn plaats te zetten en de wijdingsceremonie te volbrengen.

Toen zetten de Vanara's zich in beweging en marcheerden in ordelijke opstelling over de brug, met het beeld van Râma voor ogen en zijn naam op de lippen. Het was een tafereel van onbeschrijfelijke verhevenheid. Râma en Lakshmana stonden op de brug en keken naar de aan weerszijden aanzwellende golven. De tegenwoordigheid van Râma, die de oceaan van mededogen is, deed de wezens beneden in de oceaan omhoogkomen. De golven verhieven zich om een glimp van Râma op te vangen. De zeebewoners keken boven het water uit en dartelden blij rond bij de aanblik van Râma. Hun natuurlijke staat vergetend staarden zij lang en smachtend naar zijn goddelijke vorm. De Vanara's hadden een kamp opgeslagen op het uiteinde van de brug aan de kant van Lanka. Dus toen de voorhoede de hoogten bereikte, verspreidde het nieuws van hun komst zich over het ganse eiland.

Weldra bereikten ook Râma, Lakshmana, Sugriva en Vibhishana, die met kalme tred de brug waren overgestoken, de hoofdpoort van de vesting Lanka. Gehoorzamend aan Râma's bevelen, rukten de Vanara's bomen met wortel en al uit de grond. Dansend van vreugde aten zij de vruchten en wierpen de takken en twijgen over de kantelen. Zij tilden enorme rotsblokken over de muur en lieten ze in de straten daaronder vallen. Zij zochten Râkshasa's op die alleen liepen, buiten de vesting. Zij vielen hen lastig, tartten hen en dreigden hen de nek om te draaien. Het was onmogelijk hen te weerhouden van dergelijke apenstreken.

Het duurde niet lang, of het kwam ook Râvana ter ore dat de vijand aan de poort stond. Ofschoon Râvana tien kelen had, had hij er tot dusverre slechts één gebruikt wanneer hij met anderen sprak, maar nu brulde hij in zijn woede en haat uit alle tien. Hij vergat dat het een slecht voorteken was om uit de tien kelen te spreken! Lang geleden was de vloek op hem gelegd dat, zou hij alle tien gebruiken, zijn einde nabij zou zijn. Binnen enkele ogenblikken na zijn gebrul, herinnerde hij zich de vervloeking en vrees beving hem. Hoezeer hij zich evenwel inspande om de andere kelen in bedwang te houden, zijn stem bleef uit alle tien klinken. De Râkshasa's die dit vreemde voorval opmerkten, leidden daaruit af dat Râvana's vernietiging op handen was, nu Râma en zijn Vanara-leger Lanka waren binnengekomen. Zij zaten met hun familie bijeen en jammerden dat er die dag of de dag daarop ook een einde aan hun leven zou komen. Zij besloten zich over te geven aan festiviteiten en genot, in de korte tijd die hen nog restte. Zoals het spreekwoord luidt: als onheil dreigt, verdwijnt het onderscheidingsvermogen.

Zelfs toen hij wist dat de vervloeking bewaarheid zou worden, trachtte Râvana de waarschuwing van zich af te zetten en zei hij bij zichzelf dat hem geen kwaad zou geschieden. Hij begaf zich naar de vertrekken van de koningin, want hij vreesde dat de Ministers van zijn betrokken gelaat zouden kunnen aflezen hoezeer hij was doordrongen van het besef van de vervloeking. Râvana werd overmand door ongerustheid en beklemming: 'Toen mijn zuster in hun handen viel, sneden zij haar neus en oren af. Zullen zij bij mij dan de neus en oren van al mijn tien hoofden afsnijden? Of zelfs de hoofden in hun geheel?' Hij werd achtervolgd door dit angstige visioen.

Hij zocht koningin Mandodari op in haar vertrekken. Zij zag aanstonds hoe wanhopig Râvana was en besloot hem van wijze raad te dienen. Zij nam zijn handen in de hare en met zachte, kalme en vriendelijke stem sprak zij: 'Heer! Wat ik u bidden mag, hoor mij aan en laat uw woede varen. Sla acht op mijn woorden en overdenk ze goed. Degenen wier hart wij kunnen veroveren door eerbied en toewijding, moeten wij niet trachten voor ons te winnen door haat en tegenstand. In dergelijke omstandigheden moeten wij onze toevlucht nemen tot een intelligente wijze van redeneren. Als wij ons tegen deze heiligen verzetten, zal ons dat niets goeds brengen. Als u Râma tegenover u vindt, kunt u de overwinning niet behalen. De glimworm kan de zon niet verslaan. Luister naar mij. Laat thans eindelijk Sîtâ veilig naar Râma terugkeren, werp u voor Hem ter aarde en bid om vergiffenis. Stort uzelf niet in het verderf. Sta niet toe dat Lanka vernietigd wordt en de levens van vrouwen en kinderen opgeofferd worden. Als u volhardt in uw voorgenomen besluit om te strijden, is dat niet in overeenstemming met de toewijding en trouw aan God waar u om befaamd bent. Als u bij deze verschrikkelijke beslissing blijft, zal zelfs S'iva die u totnogtoe hebt behaagd, zich zeker niet meer om u bekommeren. Slechts goede daden kunnen Gods genade verwerven. Hoe kan God dergelijke gruwelijke misdaden waarderen en belonen?'

Mandodari sprak lange tijd in deze trant, in een poging hem zijn dwaling te doen inzien en Râvana voor de ondergang te behoeden. 'Heer! U bent mij dierbaar als mijn eigen leven. Sla acht op mijn woorden. Râma is geen gewone prins. Hij is dezelfde die Madhu en Kaitabha [zie S.B. 7.9: 37 & S.B. 5: 18] heeft vernietigd en thans Hiranyâksha [zie S.B. 3: 16-19] en Hiranyakas'ipu [zie S.B. 7: 2-8]. Hij is de Heer die het hoofd van Bali [zie S.B. 8: 19] vertrapte. Hij brak de trots van de duizendarmige Kârtavîryârjuna. Waarom zou u dan prat gaan op de prestatie van die armzalige twintig armen van u? Râma wordt door de hele wereld aanbeden. Zijn verschijningsvorm is een teken van heil. Lang geleden hebt u mij zelf verteld dat Brahmâ u had gezegd dat God zou incarneren als Râma, om de aarde te bevrijden van de last van wreedheid en ondeugd. Herinnert u zich dat niet? Als u zich van dit alles bewust bent, hoe is het dan mogelijk dat u deze heilloze weg niet verlaat en de waarheid inziet? Laat Sîtâ, die parel van kuisheid, dat zinnebeeld van rechtschapenheid, dat weergaloze juweel van schoonheid naar Râma terugkeren. Laat ons daarna onze zoon tot keizer van dit rijk kronen en de rest van onze dagen in vrede en overvloedige vreugde doorbrengen in de onmiddellijke nabijheid van Râma. Ah, hoe fortuinlijk is uw broer, om zich te mogen ophouden in de koele schaduw van Râma's genade! Het is nog niet te laat. Spoed u terstond naar Râma, die reeds aan de poort van Lanka staat, werp u aan zijn voeten en smeek Hem om genade.'

Mandodari was in tranen terwijl zij zo sprak. Met heftige gebaren van wanhoop zat zij aan de voeten van haar heer en smeekte hem tijdig haar waarschuwing in acht te nemen en onmiddellijk maatregelen te treffen om zichzelf, zijn keizerrijk, zijn volk en zijn roem te redden. Râvana richtte haar op en droogde haar tranen. Hij sprak: 'Geliefde! Waarom ben je zo verontrust? Vanwaar die overweldigende vrees, dat gebrek aan moed? Er is niemand ter wereld die mij in macht overtreft. De heersers van de acht windstreken zijn verslagen door mijn sterke arm. De dood waagt zich niet in mijn nabijheid. Geef niet toe aan je angstgevoelens. Je bejubelt die zwakkeling Râma in mijn bijzijn en hebt geen besef van de volle omvang van mijn vermogens.' Met deze woorden verliet hij de koningin en begaf zich naar de audiëntiezaal, waar hij meteen op de troon plaatsnam. Mandodari, die zijn bewegingen en zijn gedachtegang kon volgen, zei bij zichzelf: 'Wat een dwaas! Dit is het onontkoombare lot van hen die hun valse trots niet kunnen laten varen. Goede raad vermag niet door te dringen tot hun geest. Als men koorts heeft, smaakt dat wat zoet is, bitter. Hij lijdt nu aan de giftige koorts van hoogmoed, daarom wijst hij de raadgevingen af die zoet zijn als nectar, als waren zij vergif. Wat kan ik nu verder nog doen?' Zij haalde zich de rampspoed en het verdriet voor de geest waarvoor Lanka zou komen te staan. Zij had het gevoel dat het beter zou zijn een einde aan haar leven te maken, dan getuige en deelgenoot te moeten zijn van al die ellende en smart. Met bezwaard gemoed en in gedachten bij Râma, betrad zij haar kamer en wierp zich op haar bed.

Ondertussen ontbood Râvana zijn Ministers en begon met de voorbereidingen voor de naderende strijd. 'Râkshasa's!' sprak hij tot hen. 'De Vanara's, de Jâmbavânta's en de mannen die ons thans aanvalIen, zijn voor ons minder dan een mondvol, die wij in een oogwenk verslinden. Houd goede moed en heb verder geen aarzeling of tegenspraak meer. Werp je in de strijd. Maak je gereed', schreeuwde hij. Doch Prahastha stond op van zijn zetel en, met de handpalmen tegen elkaar, sprak hij: 'Râkshasa's! We moeten het juiste pad niet verlaten. Heer! Uit de mond van uw Ministers komen slechts woorden die u wilt horen. Daarmee is ons welslagen echter geenszins zeker. Een enkele aap stak de oceaan over en heeft, nadat hij de hoofdstad binnenkwam, vele verbazingwekkende daden verricht. Destijds waren deze Ministers en legers niet in staat een einde te maken aan zijn verwoestende streken. U zegt dat apen niet meer dan een mondvol zijn voor onze muilen. Welnu waar waren die, toen die aap hier was? Waren zij niet hongerig? Toen hij Lanka in de as legde, hadden deze Ministers blijkbaar geen eetlust! Heer! De woorden uit de mond van deze Ministers mogen u thans welgevallig zijn, doch mettertijd zullen zij leiden tot verschrikkelijke rampspoed. Bezin u op dit alles in stille uren. Râma heeft zijn kamp opgeslagen op onze Sunila-berg. Hij heeft een onmetelijk groot leger Vanara's bij zich, die de brug hebben gebouwd waarover Hij de oceaan kon oversteken. Kan zo iemand een gewone sterveling zijn? Als u dat gelooft, zet dat vermoeden dan van u af. Laat niet uw tong de vrije loop in zinloze praat. Geef geen gehoor aan de holle frasen van uw Ministers. Veroordeel mij niet alsof ik een lafaard ben, die beducht is voor de strijd. Geloof in mij en in de juistheid en dringende noodzaak van mijn advies. Neem nu zelf Sîtâ met u mee, geef haar over aan Râma en bid om vergiffenis. Deze stap zal Lanka en ons allen redden. Dan kunnen wij er aanspraak op maken onze stam voor de ondergang te hebben behoed. Dat is de overwinning die binnen ons bereik ligt, anders moeten wij nederlaag en rampspoed tegemoetzien. Maakt u terstond gereed en uw roem zal voortduren zolang zon en maan aan de hemel staan. Verwerft u geen naam die voor eeuwig vervloekt zal worden!'

Râvana antwoordde met ijzingwekkende toorn en tartende snoeverij. Hij beefde van woede bij de onverdraaglijke raadgevingen van Prahastha. Zijn stem verhief zich tot een wild gebrul en hij vermaande Prahastha met een stortvloed van scheldwoorden. 'Dwaas! Wie heeft je deze bedriegerij bijgebracht? Vanwaar is de vonk van een dergelijke wijsheid op jou overgeslagen? Je bent in mijn stam geboren.' Râvana knarsetandde van toorn, schreeuwde wrede en grove beledigingen en zette tenslotte Prahastha hardhandig de zaal uit. Doch voordat hij wegging, verklaarde Prahastha zijn standpunt, door zijn vader te veroordelen om de tomeloze hoogmoed die hem had verblind. 'Râvana', zo sprak hij, 'zou de ondergang van de dynastie veroorzaken.' Hij troostte zich met de gedachte dat geen enkel medicijn mag baten voor iemand die ten dode is opgeschreven en weldra zijn laatste adem zal uitblazen. 'Mijn goede raad was klaarblijkelijk aan mijn vader verspild', zei hij bij zichzelf. Hij begaf zich ogenblikkelijk naar zijn moeder en vertelde haar wat er allemaal was voorgevallen tussen zijn vader en hem. Zij waren het erover eens dat geen van beiden iets kon zeggen of doen wat Râvana zou bewegen het juiste pad te kiezen. Zo zaten zij bij elkaar, verzonken in de beschouwing van Râma en zijn majesteit.

Op de Suvela-heuvel richtten de Vanara's een gerieflijk verblijf in voor Râma en Lakshmana. Zij bereidden voor hen zachte bedden van grasachtige planten, bladeren en bloemen. Zodra zij gereed waren, verscheen Râma die zich erop neerzette om hun een genoegen te doen. Enige tijd later legde Hij zijn hoofd in Sugriva's schoot en viel in slaap. Aan weerszijden van het bed stonden pijl en boog in gereedheid. De Vanara's krabden zich de handen, die jeukten in afwachting van het ogenblik dat zij Râvana zouden aanvallen en doden. Zij hielden zichzelf slechts in toom omdat Râma hun nog niet het sein tot de aanval had gegeven. De fortuinlijke Hanumân en kroonprins Angada waren bezig eerbiedig de voeten van Râma te masseren. Lakshmana stond aan het voeteneind van het bed, zijn pijl en boog gereed, en observeerde Râma's gelaat in opperste concentratie. Toen keek Râma in oostelijke richting en zijn blik viel op de maan, die boven de horizon verrees. 'Vrienden', sprak Hij, 'kijk eens naar de maan. Er zit een donkere vlek op. Zie je wel?' Iedereen had commentaar op de vlek, al naar gelang zijn gevoelens, doch Hanumân bekende: 'Heer! Ik zie geen donkere plek op de maan. Ik beschouw haar als de weerspiegeling van Uw gelaat. Dus zie ik de vlek niet waarvan U sprak, noch enig andere onvolkomenheid.'

Die nacht bracht Râma met de Vanara's door. Tot zonsopgang voerden zij kostelijke gesprekken en genoten zij van elkaars gezelschap. Bij het aanbreken van de nieuwe dag nam Râma een bad in zee en volvoerde daarna aan land de voorgeschreven rituelen. Hij ontbood Sugriva's minister en andere leiders om hun instructie te geven in verband met de taak die hun wachtte. Even later besloten zij eenstemmig om Angada, de zoon van Vali en troonopvolger van het Vanara koninkrijk, als afgezant naar Râvana te zenden, aleer zij de belegering van Lanka zouden aanvangen. Râma riep Angada naar voren en zei tot hem: 'Zoon! Je bent sterk en rechtschapen. Aan jou de opdracht om uit naam van Râma naar Râvana te gaan, om hem van advies te dienen, met wijsheid en behoedzaamheid, met zachte en bemoedigende woorden, zonder hem nog meer tot razernij te brengen.' Angada kreeg aanwijzingen over de juiste toon en inhoud van hetgeen hij Râvana moest vertellen. Nadat Angada zich aan Râma's voeten had geworpen, maakte hij aanstalten om te vertrekken. Ten afscheid sprak hij: 'Meester! Ik bid u, zegen mij door Uw ogen vol genade op mij te laten rusten. Ik ben werkelijk bevoorrecht dat mij deze taak is toevertrouwd. Wat er ook tijdens de uitvoering ervan mag geschieden, ik ben bereid mijn leven voor U te geven.' Râma's hart smolt van mededogen bij deze woorden van Angada. Hij trad naar voren, drukte Angada aan zijn borst, legde zijn hand op Angada's hoofd en overlaadde hem met zegeningen.

Toen begaf Angada zich naar de hoofdstad, met Râma in zijn hart en zijn vorm voortdurend voor ogen. Hij duwde iedereen opzij die hem onderweg wilde waarschuwen of aanhouden. Zijn houding verried grote zelfverzekerdheid en moed. Hij kwam onverwacht de zoon van Râvana tegen. De Râkshasa prins sprak hem aan en vroeg: 'Zeg eens, aap, wie ben je en waar kom je vandaan?' Angada antwoordde: 'Ik ben Angada, de afgezant van Râma.' Hierop hief de Râkshasa zijn voet om Angada te schoppen. Doch deze was hem te snel af. Hij pakte de Râkshasa bij zijn voet en liet zijn lichaam boven zijn hoofd rondtollen tot hij hem tegen de grond smakte! De Râkshasa's die getuige waren van dit voorval, werden met ontzetting vervuld. Zij beseften dat de aap een reusachtige kracht bezat en bleven op veilige afstand. Het nieuws verspreidde zich dat de aap die Lanka in brand had gestoken, weer was teruggekeerd, hetgeen alom verwarring en vrees teweegbracht. Angada merkte op dat groepen angstige bewoners zijn bewegingen volgden waar hij zich ook wendde of keerde. Hij hoefde geen enkele groep te vragen de weg voor hem vrij te maken. Zij vluchtten in paniek zodra zij hem zagen aankomen!

Toen hij tenslotte de audiëntiezaal van Râvana bereikte, trad hij onverschrokken binnen. Een van de wachters bracht het nieuws van Angada's aankomst in allerijl over aan Râvana. Râvana gelastte hem de afgezant bij hem te brengen en bijgevolg werd Angada voor de keizer van de Râkshasa's geleid. Angada zag Râvana voor zich als een zwarte, denkende berg. Zijn twintig handen waren als de takken van een reusachtige boom. Angada liep op hem toe zonder een spoor van vrees in zijn hart. Maar iedereen die in de zaal aanwezig was, huiverde inwendig bij zijn binnenkomst en benadering van Râvana. Allen waren in een toestand van stomme verbazing. Râvana vroeg Angada wie hij was. Angada antwoordde: 'Ik ben de afgezant van Râma.' Hierop vroeg Râvana hem naar het doel van zijn bezoek. 'O, Râvana', begon Angada, 'lang geleden waren u en mijn vader vrienden. Ik ben daarom gekomen met het oog op uw welzijn, op last van Râma, om u goede raad te geven.' Hij vervolgde op zachte en overredende toon: 'U ontvoerde de Moeder van alle werelden, de dochter van Janaka, omdat u niet bij machte was u te verzetten tegen uw hoogmoed, zinnelijke lust en hebzucht. Welnu, we laten die geschiedenis even rusten. Indien u althans vandaag op ditzelfde ogenblik, uw zonde inziet en doet wat ik u zeg, zal Râma u vergeven. Neem onverwijld het besluit mijn raad op te volgen. Anders zullen door uw toedoen uw stam en uw koninkrijk in deze grond begraven worden.' Toen Angada aldus sprak, riep Râvana uit: 'Jij verachtelijkste aller Vanara's. Je bent werkelijk een dwaas. Je weet wellicht niet dat ik een vijand ben van jouw god. Hoe is je naam? Wat was de band tussen mij en jouw vader? Wees niet blind voor de gevolgen van je uitlatingen.'

Angada lachte openlijk bij Râvana's uitbarsting. Hij sprak: 'O, vorst der Râkshasa's. Mijn naam is Angada en mijn vaders naam is Vali. Eens onderhielden hij en u vriendschappelijke betrekkingen. Râvana verstijfde bij Angada's woorden en bewaarde voor een ogenblik het stilzwijgen. Doch spoedig herstelde hij zich en sprak: 'Ja, dat is waar, ik herinner mij een aap met die naam uit het verleden. Zo, dus jij bent zijn zoon. Wel, wel, Angada! Je schijnt te zijn geboren in die ongeregelde bende als een vonkje vuur dat tot haar vernietiging moet leiden!' Angada lachte hardop bij dat opgewonden antwoord van Râvana. Hij sprak: 'Râvana! Uw dagen zijn geteld. Weldra zult u bij uw oude vriend Vali zijn. Hij zal u kunnen vertellen wat de gevolgen zijn als men zich verzet tegen Râma. Al bent u voorzien van twintig ogen, toch bent u blind. Hoewel u twintig aanhangsels hebt die men oren noemt, bent u stokdoof. Gevangen in de diepste duisternis van onwetendheid loopt u rond als een zinnebeeld van hoogmoed en verkondigt u hoe groot en machtig u bent! Door hoogmoed verblinde booswicht! Demon!' Toen Angada knarsetandde van woede en een vloed van scheldwoorden over zijn hoofd uitstortte, stond Râvana abrupt op van zijn troon en schreeuwde: 'Jij aap, jij vernietiger van je eigen ras! Aangezien ik de regels van de politieke moraal ken en ermee instem, verdraag ik je onbeschaamdheid in stilte. Wees echter op je hoede, want er zijn grenzen aan mijn geduld.'

Râvana staarde Angada hevig vertoornd aan. Maar deze werd hierdoor totaal niet uit zijn evenwicht gebracht. Hij antwoordde: 'O, koning der Râkshasa's! Ik heb veel gehoord over uw rechtschapenheid, uw deugden en politieke moraal. Denk eens na over de schitterende wapenfeiten die het gevolg zijn van uw rechtschapenheid. Het ontvoeren van andermans echtgenote, het verslinden van de boodschapper die uw oudere broer Kuvera terecht hierheen zond. Dat zijn de hoogtepunten van uw politieke moraal! U gaat prat op deze daden en toont geen greintje schaamte. En u waagt het bte spreken van uw deugden en uw moreel besef. U liet de staart in brand steken van de boodschapper die naar uw koninkrijk kwam en toch verkondigt u volkomen schaamteloos dat u aan regels gebonden bent. Zo gedraagt een Râkshasa zich nu. U hebt geen enkel recht om de woorden 'politieke moraal' in de mond te nemen. U bent een zondaar van de laagste soort.'

Terwijl Angada in deze trant Râvana zonder enige aarzeling van repliek diende, werden de hovelingen die zich in de audiëntiezaal bevonden, bevangen door ontzetting en vrees, zich afvragend welk lot henzelf te wachten stond. Râvana begon weer te spreken: 'Luister aap! Is er ook maar één held in je kamp die tegen mij zou kunnen standhouden in de strijd? Jouw Heer is gebroken van verdriet, omdat Hij van zijn vrouw gescheiden is. Hij verkwijnt en smacht naar haar, dag na dag. Zijn broer is diep getroffen en verzwakt door de aanblik van deze zielenpijn. En Sugriva? Hij haat je en verzet zich tegen je, omdat jij de troonopvolger bent. Als twee vogels die aan de rivieroever aan het vechten zijn, zullen jullie op een dag beiden in de stroom vallen. Je hebt alletwee je zinnen gezet op hetzelfde koninkrijk. Hoe kun je dan eendrachtelijk tegen mij strijden en zegevieren? Mijn broer, op wie je je schijnt te verlaten, is een lafaard. Jâmbavânta, een van je andere leiders, is te oud om je van nut te kunnen zijn. Nala en Nila zijn slechts genie-soldaten, die er geen besef van hebben hoe zij een zwaard moeten hanteren.'

Angada onderbrak deze tirade en sprak: 'Râvana! Een klein aapje kwam uw hoofdstad binnen en stak haar in brand. Heeft ook maar een enkele dwaas dat ooit voor mogelijk gehouden? En u, die thans weet dat het wel degelijk is geschied, ontkent dat een aap een heldhaftige strijder is. Ik voel niet de geringste boosheid bij uw verklaring dat er niemand in ons kamp is die u kan verslaan. Zo is het. Het staat geschreven in de teksten der zedenleer dat vriendschap of vijandschap slechts tussen gelijken moet bestaan. Zal iemand een leeuw prijzen omdat hij een kikker doodt? Zo zou de poging van Râma u te doden ongetwijfeld ver beneden zijn status en waardigheid zijn. Door een dergelijke verachtelijke vijand om te brengen, zou Zijn majesteit worden aangetast. De voorschriften ten aanzien van het gedrag en de kenmerken van de Kshatriyakaste waartoe Râma behoort, zijn nobel en verheven. U bent een kwaadaardige, verachtelijke, laaghartige zondaar, die slechts door toedoen van apen de dood mag vinden.'

Râvana barstte vertwijfeld in lachen uit. 'Akelige aap! Je danst vrolijk in het rond en springt onbeschaamd her en der, al naar gelang diegene beveelt die het touw vasthoudt dat om je middel gebonden is. Je voert de kunstjes uit die hij je leert en herhaalt ze zo vaak als hij wil, zodat hij wat kleingeld kan ophalen bij de toeschouwers.' Angada liet zich deze sarcastische opmerkingen niet zomaar welgevallen. Hij riep uit: 'Het enige waar u iets van schijnt te weten zijn dieren. U nam niet de moeite u te verdiepen in de Heer, in God, in bestemming of noodlot. Zeg eens, hebben apen u niet iets geleerd wat u nog niet wist? Zij hebben uw parken verwoest, uw zoon gedood en uw hoofdstad in de as gelegd. Ja, toch moeten zij nog een daad verrichten. Zij moeten u uw gerechte straf opleggen. Tot dusverre hebben wij u laten ontsnappen aan het lot dat u moet treffen. Ik dacht dat uw hart zou genezen door oprechte goede raad en de harde waarheid. Doch neen, u kent geen schaamtegevoel. De gedachte aan berouw komt niet bij u op. U hebt geen greintje moreel besef, en rechtschapenheid is u vreemd. Helaas! U knarsetandt nog van woede over Vibhishana en scheldt hem uit voor lafaard en verrader. U belast de aardbodem met het gewicht van uw lichaam en hoe eerder u daarvan wordt weggevaagd, hoe beter. U bent minder dan de honden die uw straten onveilig maken. Slechte eigenschappen als de uwe hebben zij niet. U zult weldra beseffen dat hun leven beter is dan dat van u.'

Angada bleef Râvana overstelpen met beledigingen zonder rekening te houden met conventie of beleefdheid. Râvana kon dergelijke scherpe vermaningen niet verkroppen. ' Angada! Je moet weten dat ik de held ben, de geduchte volgeling van S'iva, die eens door louter lichaamskracht en moed de berg Kailasa heeft opgetild. De Râvana die je voor je ziet is degene die als offerande aan de voeten van S'iva geen bloemen legde, maar zijn eigen hoofden, die hij eigenhandig van zijn lichaam trok. Dit is de toegewijde wiens macht door S'iva zelf werd erkend. De krijger wiens naam ook de dappersten angst aanjaagt en wiens afbeelding paniek zaait. Houd op met het gebabbel waarmee je jezelf en je beschermer prijst.' Doch Angada liet zich niet de mond snoeren en vervolgde zijn aanval. 'O, u zelfingenomen dwaas! U praat maar wat. Gebruik uw adem voor een goed doel en zing liever lofzangen op Râma. Geef u over aan Hem. Anders zullen Râma's pijlen uw hoofden als ballen van uw schouders doen rollen. En de Vanara's zullen er vrolijk tegenaan schoppen, als was het een balspel. Ik ben slechts de boodschapper van Sugriva, onze heerser en heb helaas geen bevelen van Heer Râma gekregen. Het is dat ik Hem die kans niet wil ontnemen, anders zou ik u allang ter dood hebben gebracht en uw karkas in de oceaan hebben geworpen.' Terwijl hij dit dreigement uitte, groeide Angada uit tot een woeste verschijning. Als een leeuw sloeg hij zijn zolen tegen de grond. De aarde beefde zo hevig door de kracht van die slagen dat de kronen op Râvana's tien hoofden wankelden en op de grond vielen. Râvana rolde van zijn troon, doch hervond spoedig zijn evenwicht. Angada pakte vier van de tien kronen op en slingerde ze met een dusdanige kracht en doelgerichtheid weg, dat zij in het kamp van Râma terechtkwamen, vlak voor zijn voeten. De Vanara's die erbij stonden, verwonderden zich over de vreemde voorwerpen en wezen elkaar op de schoonheid en edelsmeedkunst van de met juwelen bezette kronen. Râma wist waar zij vandaan kwamen en zei dat ze er in het voorbijkomen uitzagen als Rahu en Kethu (worden als onheilbrengende planeten beschouwd), die eclipsen veroorzaken.

Intussen beval Râvana: 'Bind deze aap vast en laat hem niet ontsnappen. Eet hem op.' Hij trok zich snel terug in zijn vertrekken. Angada riep hem na: 'U moest u schamen! Waartoe al dat gepoch over kracht en dapperheid? Ga heen en duik naar de diepten van de zee en houd uw adem in tot u sterft. Vrouwendief! Dwaas! Wellustige lummel! Ik zal u op het slagveld de tong uit de mond rukken en aan de kraaien voeren. Wees gewaarschuwd!' Angada knarsetandde van woede en haat toen Râvana terugkeerde en naar de Râkshasa's in de zaal riep: 'Grijp hem bij de benen en werp hem op de grond. Versplinter zijn hoofd.' Hierop stond Meghanada op van zijn zetel, pakte Angada bij de benen en trok uit alle macht om hem te doen vallen. Vele anderen snelden naar voren om hem te helpen doch hoe talrijk ze ook waren, ze konden niet de geringste beweging in de voeten krijgen. Zijzelf rolden over de grond, ten diepste vernederd en niet in staat te bedenken wat zij vervolgens moesten doen. Toen waagde Devakantaka nog een poging om met allerlei grepen de voeten van hun plaats te krijgen. Ook hij faalde jammerlijk. Tenslotte nam Râvana zelf de onmogelijke taak op zich. Hij nam Angada bij de benen, trachtte hem op te tillen en krachtig tegen de vloer te werpen. Angada lachte om Râvana's dwaasheid. Hij sprak: 'Râvana! Neen, dit zijn niet de voeten die u moet vasthouden. Leg uw handen op de lotusvoeten van Râma met een oprecht gebaar van overgave. Dan zult u worden bevrijd van vrees en gebondenheid.'

Met deze woorden schudde Angada zijn voeten om los te komen uit Râvana's greep. De schok die dat gebaar veroorzaakte was zo onverwacht en hevig dat Râvana tegen de grond sloeg en het bewustzijn verloor. Al zijn glorie en grootsheid waren verdwenen. De schaamte was van zijn tien gezichten af te lezen en hij was bleek en zwak als de maan op klaarlichte dag. Angada zag in welke benarde toestand hij verkeerde en vond dat hij zijn dialoog met deze lafaard niet moest voortzetten. Hij dacht eraan dat Râma hem had gezegd Râvana enkel goed advies te verschaffen. 'Deze kerel zal niet luisteren naar goede raad, hij zal zich niet bewust worden van zijn fouten en zich niet beteren. Zijn verdorven aard zal nimmer veranderen. Slechts de gewapende strijd kan een doeltreffende remedie bieden.' Aldus besloten, begaf Angada zich op weg naar de heilige nabijheid van Râma's lotusvoeten. Bij aankomst bracht hij rapport uit over alles wat er gebeurd was.

Râvana, overweldigd door schaamte en vrees, betrad de vertrekken van de koningin. Mandodari merkte op hoe bleek en teneergeslagen Râvana eruit zag. Zij sprak: 'Geef nu toch tenminste uw dwaze koppigheid op. Als u vijandschap blijft koesteren ten opzichte van Râma, zal dat tot rampspoed leiden voor het ganse koninkrijk. U was zelfs niet bij machte over de lijn te stappen die Lakshmana had getrokken. Hoe kunt u dan verwachten hen in de strijd te verslaan? Uw vermogens en uw macht zijn voor hen niets dan dorre bladeren. Uw volgelingen slaagden er niet in de door hen gezonden boodschappers te overmeesteren. Kunt u dan wel verwachten hun een verpletterende nederlaag toe te brengen als zij bij miljoenen tegelijk dit land binnenvallen? U kon Angada's voeten nog geen haarbreed verplaatsen en toch hoopt u miljoenen van die Vanara's te vangen en vast te binden! Ik ben bedroefd dat u ondanks alle opgedane ervaringen, koppig bij uw besluit blijft. Onze zoon werd gedood. Uw hoofdstad is in de as gelegd. De bomen in uw parken werden met wortel en al uitgerukt. Talloze Râkshasa's werden als ballen in de lucht geslingerd en bij hun val gedood. Waar waren toen uw kracht en uw vaardigheden? Verklaringen vol eigendunk kunnen deze Vanara's niet deren.'

'Heer', sprak Mandodari smekend, 'vergeef mij deze woorden. U begaat een grote vergissing als u Râma beschouwt als een gewone sterveling. Hij is de Heer van het universum. Hij is een onoverwinnelijke held. U beseft reeds hoe groot Râma's macht en heldenmoed zijn, nietwaar? Haalt u zich eens rustig de door Angada genoemde feiten voor de geest. Weet u het nog? Er was een bijeenkomst van koningen in de audiëntiezaal van Janaka en u was erbij om uw kracht en kundigheid te tonen. U slaagde er echter niet in de boog van S'iva zelfs maar een weinig te verplaatsen. Als in een speelse opwelling tilde Râma de boog op en liet hem in twee helften gebroken op de grond vallen. Dat bewijs van zijn macht hebt u met eigen ogen gezien. Als u nu nog niet uw dwaze halsstarrigheid laat varen, is dat een aanwijzing dat uw einde nabij is. Wat kon u uitrichten toen de neus en oren van uw eigen zuster, Surpanakha, werden afgesneden? Schaamt u zich niet om na al deze ervaringen nog uit te roepen hoe sterk en moedig u wel bent? Râma doodde Vali met een enkele pijl. Was Vali een gewone tegenstander? Thans is Râma gekomen met zijn leger van Vanara's en heeft zijn kamp opgeslagen op de Suvela-heuvel. Râma is de belichaming van rechtschapenheid en moraliteit. Waarom zou Hij anders, zoals Hij gedaan heeft, een afgezant naar u toezenden om u te vertellen hoe u uzelf alsnog kunt redden? Deze afgezant heeft zijn best gedaan u van gedachten te doen veranderen en harmonie met Râma te bewerkstelligen. Maar uw hoogmoed wilde van geen wijken weten. U bent niet gevoelig voor het morele besef dat Râma drijft. U hebt geen begrip voor de deugden van deze zeer heilige persoon die zijn afgezant naar u heeft gezonden. Bovendien bent u de oorzaak van de ondergang van uw eigen koninkrijk. Wat hebt u zojuist kunnen doen om de afgezant Angada uit de audiëntiezaal te zetten? In hun legerkamp zijn er duizenden, neen, honderdduizenden Vanara's die sterker en vernietigender zijn dan deze. Luister naar wat ik u zeg: laat u niet langer overheersen door deze demonische passie. Ga naar Râma en geef u over aan Hem.' Deze raadgevingen die Râvana herinnerden aan gebeurtenissen uit het verleden, troffen zijn hart als scherpe pijlen.

Een nieuwe dag was intussen aangebroken. Râvana kwam de audiëntiezaal binnen als de verpersoonlijking van boosaardige trots en zette zich op de troon. De woorden van zowel Angada als Mandodari tolden met razende vaart rond in zijn hoofd. Plannen en listen, angsten en vermoedens draaiden om elkaar heen in zijn geest, als planeten om de zon. Maar zijn gedachten leidden tot niets, want de dag der vernietiging van de demonische Râkshasaclan was nabij. Râvana keerde zich tot een Râkshasa genaamd Vidyutjihva en sprak: 'Beste kerel! Vertoon je toverkunsten en breng mij het 'hoofd' van Râma en tevens zijn 'pijl en boog'. Als Sîtâ ze ziet, moet ze geloven dat ze echt zijn. Zij moet door smart 'overstelpt worden'! Vidyutjihva stond ogenblikkelijk op en verliet de zaal. Hij maakte een nauwkeurige nabootsing van Râma's pijl en boog en van het hoofd van Râma. Râvana was ingenomen met de natuurgetrouwe kopieën. Hij ging er zelf mee naar de As'okavana, waar Sîtâ gevangen werd gehouden. Hij hield ze haar voor en sprak: 'O, Sîtâ! Kijk eens, dit zijn de pijl en boog en het hoofd van degene naar wie je dag en nacht smacht en wiens naam je verheerlijkt. Ik heb de Vanara-horden uitgeroeid. Lakshmana wist te ontkomen. Om je te overtuigen dat dit alles werkelijk is geschied, heb ik je dit hoofd, deze boog en pijlen gebracht. Bekijk ze goed.' Met deze woorden legde hij ze aan haar voeten. Heel even werd Sîtâ door droefheid overmand, maar zij bedacht dat er niemand in al de veertien werelden was die dat hoofd zou kunnen afrukken. Zij wist dat het een lage list was om haar angst aan te jagen en zij legde de dreigementen naast zich neer. Zij sprak: 'Râvana! Het is zeker dat uw ondergang nabij is. Anders zouden dergelijke verschrikkelijke ideeën niet in u opgekomen zijn. U hebt zelfs de moed niet Râma te benaderen. Hoe kunt u dan ooit hopen Hem te doden? Zelfs in uw dromen kunt u die hoop niet verwezenlijken. Met deze laaghartige toverkunst kunt u mij niet misleiden.' Sîtâ stortte een vloed van hoon en verachting over Râvana uit. Intussen hoorde men alom luide jubelkreten als 'Jai, Jai aan Heer Râma'. De Vanara's waren uit alle richtingen de hoofdstad binnengekomen. Râvana spoedde zich terug naar zijn paleis en zijn audiëntiezaal.

De goede vrouw Sarama, Vibhishana's echtgenote, liep op Sîtâ toe om haar te troosten en te bemoedigen. Zij sprak: 'Moeder! Deze Râvana is een bedrieger vol listen, valse voorwendsels en spitsvondigheden. Niemand zou het wagen Râma te deren. Op dit ogenblik trekt Hij in triomf Lanka binnen met zijn Vanara-legers. Alleen al door het geschreeuw van de apen wordt Lanka aan flarden gereten.'

Hoofdstuk 8: De Belegering

Toen Râma van Angada vernam wat er in Lankâ was geschied en hoorde over het gedrag en de waakzaamheid van de vijand, ontbood Hij de hoofdaanvoerders en droeg hun op een strategie te bepalen voor de belegering van de vier poorten van de hoofdstad. Hierop kwamen de heersers bijeen van de apen (Sugriva), de beren (Jâmbavân) en de Râkshasa's (Vibhishana). Zij besloten hun krijgsmacht in vier legers op te splitsen, elk met hun eigen aanvoerders en gidsen. Zodra deze beslissing was genomen, wierpen zij zich aan Râma's voeten en gaven, bezield door zijn zegen, het bevel tot de aanval.

Met Râma in hun hart stormden de Vânara's, bewapend met grote keien en bomen, angstaanjagend naar voren. Lankâ had de naam onneembaar te zijn, doch de zegen van Râma hielp hen de stad binnen te trekken. De oostpoort werd bestormd door het leger onder aanvoering van Nala (zie ook RRV-5 & 7), de zuidpoort door de miljoenen die aangevoerd werden door Angada en de westpoort werd ingenomen door de woeste aanval van het leger onder aanvoering van Hanumân. De noordpoort werd verdedigd door Râvana zelf en daar vond hij Râma tegenover zich. De Vânara's hadden geen krijgstrompetten of trommels, doch het 'Ram Ram' dat zij vol overgave lieten horen, verhief zich als een oproep uit aller kelen en weerklonk van de hemel. De ganse stad Lankâ was ten prooi aan verwarring en paniek. Râvana, verblind door dwaze hoogmoed, was opgetogen bij het vooruitzicht van de overwinning op zijn tegenstanders en verlustigde zich in de gedachte dat de feestelijke dag van de overwinning was aangebroken onder de Râkshasa zon.

De Râkshasa's hadden hun positie ingenomen op de muren, torens en bolwerken van de vesting, zoals wolken de toppen van de Meru-berg bedekten. Zij sloegen op hun trommels en bliezen op hun trompetten. Hun kreten als 'aan Râvana de victorie', werden overstemd door het zelfverzekerde gejuich 'Râma, de Heer zal zegevieren'. De keien die de Râkshasa's slingerden naar de Vânara's die hun vestingwallen bestormden, werden door de Vânara's opgevangen eer zij vielen en met rampzalige gevolgen teruggeworpen naar dezelfde Râkshasa's die de muren bezetten. Naarmate de strijd vorderde, won de opmars van de Vânara's aan stootkracht. Zij doodden de Râkshasa's waar en wanneer ze hen maar konden vangen. Zoals een hevige storm de wolken in de vier windrichtingen uiteendrijft, zo joegen de steeds meedogenlozer aanvallen van de Vânara's de ontzette Râkshasa's op de vlucht en werd de hoofdstad in wanhoop gehuld.

Oude mannen, vrouwen en kinderen begonnen Râvana te verwijten dat hij de aanstichter was van alle rampspoed die hen had getroffen. Sommige Râkshasa's gaven de strijd op en vluchtten met vrouw en kinderen om aan een wisse dood te ontkomen. Toen Râvana deze vluchtelingen opmerkte, ziedde hij van toorn en schreeuwde: 'Lafaards, om je uit de strijd terug te trekken! Ik zal je met mijn diamanten zwaard in stukken snijden!' Hierop mengden enkele vluchtende Râkshasa's zich opnieuw in de strijd. Ondertussen waren de Vânara-helden door de vijandelijke linie gebroken en gesterkt door hun concentratie op Râma, doorgedrongen tot het binnenste fort van Râvana zelf, dat zij met de grond gelijk maakten. Zij trokken een gouden pilaar van zijn plaats om als wapen te gebruiken in hun orgie van vernietiging. Elke Râkshasa die zij tegenkwamen kreeg eerst een ongenadig pak slaag. Daarna werd zijn hoofd afgehouwen en zo krachtig en doelgericht weggeslingerd dat het aan Râvana's voeten belandde. Na te hebben blijk gegeven van hun superieure macht en heldenmoed tegenover de Râkshasa's, verschenen de Vânara's voor Râma bij de invallende duisternis.

De Râkshasa's zijn wezens van de nacht, derhalve namen hun juichkreten en razernij in hevigheid toe toen de avond viel. Hun luid geschreeuw van 'aan Râvana de overwinning' klonk de Vânara's in de oren als het gebrul van leeuwen en bracht hen ertoe zich wederom in de strijd te werpen. De Râkshasa-generaals Akampa en Athikaya hadden hun magische vermogens aangewend om de vier windstreken in pikdonker te hullen. Onder dekking van de zwarte nacht werd een vloed aan vuil, stenen en bloed over de vijandelijke troepen uitgestort. De Vânara's konden geen vriend van een vijand onderscheiden en bijgevolg waagden zij het niet tot het uiterste aan te vallen. Met luide stem baden zij 'Râma, Râma', om moed te verzamelen en de vijand goed weerstand te kunnen bieden. Râma hoorde hun geroep. Hij riep Angada en Hanumân bij zich en vertelde hun dat de toverkunsten van de Râkshasa's de opschudding hadden veroorzaakt. Zij waren hevig vertoornd over de schaamteloze tactiek van de vijand, doch Râma trok onverstoorbaar de vuurpijl Agneyastra uit zijn koker en schoot hem de duisternis in die de Râkshasa's hadden uitgedacht. De schittering van die pijl maakte een eind aan de duisternis en hulde het gebied in een stralend licht. Met verdubbelde energie hervatten de Vânara's en de beren hun taak om de vijand te overweldigen en te vernietigen. Toen de triomfantelijke strijdkreten van Angada en Hanumân zich lieten horen, sloegen de Râkshasa's op de vlucht. Ontsnappen konden zij echter niet. De Vânara's grepen hen bij de voeten en wierpen hen ver de zee in!

Toen de avond overging in de nacht trokken de Râkshasa's zich in hun kamp terug. Zij hadden geen kracht meer om de strijd voort te zetten. De Vânara's keerden terug naar Râma. Zodra Râma Zijn blik op hen deed rusten, werden zij allen verkwikt en gesterkt en voelden geen spoor van vermoeidheid meer.

Intussen ontbood Râvana zijn ministers en sprak hen aldus toe: 'Vandaag zijn duizenden Râkshasa's door toedoen van de Vânara's gesneuveld op het slagveld. Wij moeten thans onze strategie bepalen om hen te verslaan.' Toen stond Malyavantha op, de oude minister die Râvana's vader nog had gediend en tevens de vader was van Râvana's moeder. Tot stichting van Râvana wees hij hem op de diverse wegen van rechtvaardigheid en moraliteit. 'Râvana', begon hij, vol toegenegenheid, 'luister rustig naar wat ik te zeggen heb en vergeef mij mijn openhartigheid. Vanaf de dag dat u Sîtâ hierheen hebt gebracht, zijn wij steeds getuige geweest van slechte voortekenen. Ik kan ze niet uitvoerig beschrijven. Het is niet mogelijk de glorie van Râma, het Opperwezen, te meten of voldoende te verheerlijken. Zelfs de Veda's kunnen dat niet. Verzet tegen dit kosmische wezen, de Virâth Purusha, zal u heil noch genade brengen. Het zou verstandig zijn daar eens rustig over na te denken. Het is Râma die de demonen Hiranyakas'ipu en Hiranyâksha heeft gedood. Hij is de bron van alle deugden. Koester geen haat jegens Hem. O, keizer! Red Lankâ, ik smeek het u. Laat Sîtâ naar Râma terugkeren. Talm niet langer, want uw veiligheid is gelegen in onmiddellijke overgave.' Nadat hij aldus had gesproken, boog Malyavantha het hoofd en betuigde zijn respect aan de vorst. Zijn woorden kwetsten en vertoornden Râvana. Hij riep uit: 'Je schijnt vastbesloten te zijn je de dood op de hals te halen. Je seniliteit doet een beroep op mijn vergevingsgezindheid, anders zou ik je aan stukken hakken. Wees op je hoede. Sta op en verdwijn uit mijn ogen.' Râvana siste als een boze slang. Malyavantha had medelijden met Râvana, want hij vreesde dat diens einde nabij was. Tegelijkertijd moest hij echter inwendig lachen om de eigenwaan en onwetendheid die Râvana hadden verblind. Hij concludeerde dat deze toegaf aan rampzalige redenatie en dwaze reacties, terwijl hij de raadgevingen afwees die hem en zijn rijk konden redden, omdat het lot had beslist dat zijn levensloop ten einde was.

Op dat ogenblik stond Meghanada op en sprak: 'Vader! Aarzel niet. Morgenochtend kunt u getuige zijn van mijn krijgskunde. Ik zal u tonen dat mijn daden mijn woorden verre overstijgen!' Zijn verzekering deed Râvana's woede bekoelen en bracht hem enigszins tot bedaren. Zijn hart vervulde zich met vreugde, moed en hoop. Hij trok zijn zoon naar zich toe, gaf hem liefdevolle zachte klopjes op zijn hoofd en prees ten overstaan van aIle aanwezigen de onverschrokkenheid en heldenmoed van zijn zoon. Om middernacht ging de vergadering uiteen. Alle deelnemers keerden naar hun eigen huis terug, doch niemand deed die nacht een oog dicht. Noch was er iemand die eetlust had. Allen waren ten prooi aan angst en vrees, denkend aan de rampspoed die hen ieder ogenblik kon treffen. Tot de dageraad zich over het oosten uitspreidde, lagen zij te woelen van benauwenis. De Vânara's en de beren belegerden Lankâ vanuit alle richtingen. Alom zaaiden zij verwarring en paniek. De lucht weergalmde van hun gebrul. De Râkshasa-krijgers werden gedwongen eveneens de wapens op te nemen en tegenstand te bieden. Zij hadden geen andere keus. Miljoenen van hen bestreden met pijlen en ander wapentuig de regen van rotsblokken en heuvels die van de omringende stadswallen vielen. Hun tieren en schreeuwen vervulde de lucht als op de dag des oordeels. Doch de enorme bergtoppen en heuvels die de Vânara's naar hen wierpen, lieten niet meer van de Râkshasahorden over dan een levenloze, verpulverde massa.

Meghanada werd zo razend van woede bij het nieuws dat de Vânara's de hoofdstad waren binnengedrongen, dat hij de wapens opnam en vooruit stormde om hen aan te vallen. De horden die hem volgden sloegen de trom en bliezen op hun krijgstrompetten. Meghanada was vermaard als Indrajit, want eens had hij niemand minder dan Indra, de koning der goden, in een gevecht verslagen. Hij was een formidabel krijger en had onder de generaals zijns gelijke niet. De Vânara's verloren de moed toen zij hem zagen naderen in zijn strijdwagen. Bij de aanblik van de vluchtende vijandelijke troepen schreeuwde Meghanada van vreugde en spande hij zijn machtige boog om een regen van pijlen op hen af te schieten. Hij trok de pees van zijn boog tot aan zijn oor terug en schoot zijn pijlen met grote snelheid achter elkaar af. Ze vlogen als gevleugelde slangen in alle richtingen en schrikten de Vânara's af. Hun drang om te vechten verdween en zij trokken zich terug. Sommigen werden door pijlen geveld, anderen verloren het bewustzijn en vielen neer. Toen hij getuige was van de meelijwekkende toe stand van de Vânara's ontstak Hanumân in woede. Hij stormde op Meghanada af, zo hevig vertoornd als was hij de god des doods zelf! Hij greep de dichtstbijzijnde bergtop en slingerde die naar de Râkshasa-aanvoerder. Zodra deze de bergtop op zich af zag komen als een boodschapper van de dood, gebruikte Meghanada zijn toverkracht om zich in de lucht te verheffen. Zijn strijdwagen, de paarden en de wagenmenners werden alle verpletterd onder de bergtop, toen die precies op het beoogde doel terechtkwam. Meghanada verzon nog vele andere magische krijgslisten. Doch zijn bedoeling om Hanumân angst aan te jagen had net zo weinig uitwerking als de poging van het kleinste slangetje om Garuda, de koning der arenden, af te schrikken. Hij liet het vuur en bloed regenen en veranderde het daglicht in de duisternis van de nacht. Het werd zo aardedonker dat men geen hand voor ogen kon zien. De Vânara's werden ontmoedigd en in verwarring gebracht door dergelijke tactieken. Zij hadden het gevoel dat hun einde nabij was.

Râma zag tot welke truucs de Râkshasa's zich in hun wanhoop hadden verlaagd. Hij moest inwendig lachen om hun hulpeloosheid. Hij besefte ook dat de Vânara's de moed en hun zelfvertrouwen hadden verloren, dus schoot Hij een enkele pijl op het strijdtoneel af. Dit bracht een dodelijke slag toe aan de toverkracht van de Râkshasa, die daarmee was uitgewerkt.

De aarde werd weer verlicht, alsof de zon was opgegaan. De Vânara's herwonnen hun zelfvertrouwen en vielen de Râkshasa-legers aan. Râma liet zijn blik vol mededogen op hen rusten en zij werden verkwikt. De ganse Vânara-horde riep eenstemmig: 'Jai, Jai voor onze Heer Râma', en drong tegen alle verwachtingen in opnieuw naar voren. Niemand kon hen meer tegenhouden of hun voortgang vertragen. Om hen aan te vuren, voegde Lakshmana zich bij Hanumân en met zijn machtige boog en scherpe pijlen viel hij Meghanada aan. Râvana vernam dat Lakshmana zich in de strijd had gemengd en daarom haastte hij zich om versterkingen te zenden om zijn zoon op het slagveld te ondersteunen. De Vânara's vochten zonder onderbreking, gewapend met bomen en rotsblokken. Aan beide zijden werd fel gevochten, met onverminderde woestheid. De strijd speelde zich grotendeels af rondom de tweegevechten tussen krijgers en aanvoerders. De Vânara's sloegen met gebalde vuisten en beten met hun scherpe tanden, hetgeen een enorm aantal Râkshasa's het leven kostte. Met hun nagels scheidden zij menig hoofd van de romp. Ook werden vele armen uitgerukt. De overwinningskreten waarmee de Vânara's hun triomf aankondigden, weerklonken over de negen eilanden. Onthoofde lijken van Râkshasa's bleven voortrennen langs de routes die zij volgden toen zij nog in leven waren. Toen zij dat spookachtige verschijnsel opmerkten, braken de Vânara's in hoongelach uit. De wegen die het enorme slagveld doorkruisten, stroomden vol bloed.

Lakshmana en Meghanada waren in een dodelijk gevecht gewikkeld. Zij schenen niet voor elkaar onder te doen in vaardigheid en kracht. Indrajit meende dat hij meer succes zou hebben met magische listen dan met zijn krijgskunst. Doch zijn pogingen werden verijdeld en zijn plannen eindigden in een jammerlijke mislukking. In een uitbarsting van angstaanjagende woede vernietigde Lakshmana de strijdwagen van Meghanada en doodde zijn wagenmenner. Vrezend dat hij de dood nabij was, nam Meghanada de shakti ter hand, het uiterst krachtige wapen dat Brahmâ hem had geschonken. Hij richtte het op Lakshmana's hart en wierp de lans. Het wapen uit Meghanada's hand trof Lakshmana recht in het hart. Lakshmana viel stervende en bewusteloos terneer. Meghanada, die nu niet langer bevreesd was, naderde de gevallen held en trachtte het lichaam op te heffen om het mee naar zijn kamp te nemen. Of schoon hij even sterk was als Lakshmana, slaagde Meghanada er evenwel niet in het lichaam op te heffen. Tal van krijgers schoten hem te hulp, doch met hoevelen zij ook waren, hun inspanningen waren tevergeefs. Lakshmana was de wedergeboren Âdi-s'esha, de 'oerslang', die de kosmos op haar duizend schilden draagt en waarop Vishnu rust. Hoe zou iemand, hoe sterk en met hoevelen als hijzelf ook, er ooit in kunnen slagen om Lakshmana te verplaatsen? Slechts degenen die de genade van Heer Râma hebben verworven, zouden dat kunnen!

Intussen was de avondschemering ingevallen. De twee vijandelijke legers keerden naar hun kamp terug. Heer Râma zag de thuiskerende Vânara's, doch kon Lakshmana niet tussen hen ontwaren. Hij vroeg: 'Waar is Lakshmana?' Op datzelfde ogenblik trad Hanumân binnen, die het lichaam van Lakshmana op zijn schouders droeg. Hanumân bad op klagende toon: 'Râma! Râma!' Râma deed alsof Hij verontrust en bekommerd was, doch spoedig herstelde Hij zich. Hij nam Lakshmana's lichaam op zijn schoot en onderzocht het lang en zorgvuldig. Toen sprak de oude Jâmbavân: 'Heer, laat ons geen tijd verliezen. Laat ons niet aarzelen of de behandeling uitstellen. Het beste is om Sushena, de geneesheer uit Lankâ, hier te laten komen. Hij kent de aangewezen remedie! Onmiddellijk nam Hanumân een uiterst kleine, menselijke vorm aan en begaf zich naar de binnenstad van Lankâ. Zelfs toen hij op het punt stond om Sushena's huis binnen te gaan, overviel hem de twijfel of deze aan zijn verzoek gehoor zou geven om naar het kamp van Râma te komen. Dus zocht Hanumân zijn toevlucht tot een list. Met Sushena en al tilde hij diens huis op en bracht het in zijn geheel over de tussenliggende afstand. Toen Sushena tevoorschijn kwam, ontdekte hij dat hij zich in de tegenwoordigheid van Râma zelf bevond. Hij wierp zich aan Râma's voeten en onthulde de naam van de berg waarop het geneeskrachtig kruid groeide dat Lakshmana zou kunnen redden. Terwijl men beraadslaagde wie dat kostbare kruid zou moeten gaan zoeken, wierp Hanumân zich ter aarde voor de lotusvoeten van zijn Heer en smeekte het te mogen halen. Râma vertrouwde hem deze taak toe.

Intussen had een van Râvana's verspieders aan hem gemeld dat de geneesheer Sushena bij Râma was aangekomen. Râvana raadpleegde Kalanemi over deze nieuwe ontwikkeling en de gevolgen ervan. Kalanemi antwoordde: 'Râvana! Deze Hanumân is een onmogelijk schepsel. Hij heeft immers voor uw ogen Lankâ in brand gestoken? Wat voor bijzondere vaardigheden of krachten heb ik dat ik deze Hanumân in bedwang zou kunnen houden of verslaan? Het is nog niet te laat om het goede pad te kiezen. Geef het absurde idee op dat u in staat bent over Râma te zegevieren. Ga heen en zoek uw toevlucht aan Râma's voeten, dan wacht u een betere toekomst. Laat uw hoogmoed en uw halsstarrigheid varen.' Het was goede raad die Kalanemi aan Râvana gaf, doch het was niet wat deze wilde horen. Daarom veroordeelde Râvana zijn uitspraken. Bevend van woede beet hij hem toe: 'Ben je van zins mij te gehoorzamen? Zo niet, bereid je dan voor op je dood.' Het leek Kalanemi veel beter voor zijn zielenheil te sterven door toedoen van Râma, dan door Râvana gedood te worden, dus begaf hij zich naar Râma's kamp. Met behulp van zijn magische vermogens zocht hij een meer op, midden in een prachtig park. Gestoken in het kleed van een rishi zette hij zich in diepe meditatie op de oever terneer.

Hanumân, die op weg was naar de bergketen waarop het levensreddende kruid groeide, was de uitputting nabij, aangezien hij na het hevige gevecht met Meghanada nog niet had kunnen rusten. Hij besloot daarom dat het verstandig zou zijn om enkele ogenblikken rust te nemen en wat te drinken van het verkwikkende water uit het meer, om daarna des te sneller zijn weg te kunnen vervolgen. Hanumân wierp zich aan de voeten van de rishi die verzonken was in het reciteren van Râma's naam en het verheerlijken van Zijn uitmuntende eigenschappen en wapenfeiten. Hanumân was zeer verheugd en ook hij riep enkele malen de naam van Râma aan. Daarop sprak de vermomde Kalanemi tot hem: 'O, Vânara! Er is een oorlog gaande tussen Râma en Râvana. Iedere dag sla ik van hieruit de gevechten gade. Het lijdt geen twijfel dat Râma spoedig als overwinnaar uit de strijd zal komen.' Hanumân hoorde de wijze in vervoering aan. Toen zei hij tot hem dat hij zeer dorstig was. De wijze bood hem het koele verfrissende water uit zijn kruik aan. Hanumân sprak: 'Meester! Deze kleine hoeveelheid kan bij lange na mijn dorst niet lessen.' Toen vertelde de rishi hem dat er dichtbij een meer was, waar hij niet alleen zoveel kon drinken als hij wilde, maar waar hij zich ook kon onderdompelen in het heldere water om zich te verfrissen. Dat leek Hanumân beter en hij begaf zich naar de bedoelde plaats. Hij liep het meer in tot het water tot zijn enkels reikte. Op dat ogenblik kroop vanuit de diepte een krokodil op hem af en nam Hanumâns voet in zijn wrede greep. Vanzelfsprekend kon hij verder niets uitrichten, want Hanumân schudde hem van zich af en sloeg hem dood. Zodra zijn leven als krokodil ten einde was, verrees hij voor Hanumâns ogen als een schitterend hemels wezen. Hanumân was verbaasd toen hij deze verschijning zag en vroeg: 'Wie bent u?' Het schepsel antwoordde: 'O, dienaar van Râma! Zodra ik zo fortuinlijk was u te zien en door u aangeraakt te worden, verdwenen mijn zonden als sneeuw voor de zon. Kalanemi en ik waren muzikanten, Gandharva's aan het hemelse hof van Indra. Op zekere dag verscheen de wijze Durvâsâ [zie ook Summershowers in Brindavan], die berucht was om zijn opvliegende karakter, aan het hof. Bij de aanblik van die woeste figuur, barstten wij in lachen uit. Daarmee haalden wij ons zijn vervloeking op de hals, geboren te worden op aarde als Râkshasa's. Wij smeekten om genade, hielden zijn voeten vast en stortten tranen van berouw.

Hij kreeg medelijden met ons en sprak: 'Welnu! Je zult in Lankâ ter wereld komen. De Heer zal incarneren als Râma in het laatste kwartier van het Tretâ-tijdperk en er zal een vreselijke strijd plaatsvinden tussen Râma en de koning van Lankâ. Tijdens de gevechten zal Râma's broer, Lakshmana, dodelijk worden getroffen door het wapen met de naam shakti. Hanumân, een toegewijde dienaar van Râma, zal zich op weg begeven naar de berg Sanjivi, die met een helend kruid begroeid is. Je zult beiden bevrijd worden van de Râkshasa-last als je met hem in aanraking komt. O, Vânara. De rishi die hier dichtbij verblijft en u hierheen zond, is helemaal geen rishi. Hij is een vermomde Râkshasa en zijn naam is Kalanemi.'

Hanumân keerde terug naar Kalanemi en riep in zijn oor: 'Mijn beste leermeester! Accepteer de gift die ik u wil aanbieden in ruil voor de les die u mij geleerd hebt. U bent mijn goeroe en ik ben u vergoeding verschuldigd.' Tijdens Hanumâns afwezigheid had Kalanemi zich intussen afgevraagd waarom deze er zo lang over gedaan had om zijn dorst te lessen en terug te keren. Hij vermoedde dat de reden daarvan de onthulling was van zijn eigen identiteit en geschiedenis, door zijn broer die door de vervloeking zijn leven als krokodil moest slijten. Dus deed Kalanemi het voorkomen dat hij te zeer in meditatie verdiept was om degene te herkennen die voor hem stond en hem aansprak. Hanumân, die nu wist dat het Kalanemi was die zich achter de gedaante van de rishi verborg, greep hem bij zijn nek en draaide die om tot hij brak en Kalanemi stierf. Met zijn laatste ademtocht bracht hij de woorden 'Râma! Râma!' uit.

Nadat hij het dode lichaam aan de kant had geschopt, spoedde Hanumân zich naar de Drona-bergketen. Toen hij de Sanjivi-berg bereikt had, begon hij te zoeken naar het genezende kruid waarvoor hij gekomen was. Hij kon het echter niet onderscheiden tussen het dichte tapijt van planten waarmee de heuvel bedekt was. Hanumân had niet veel tijd meer. Zijn terugkeer was reeds aanzienlijk vertraagd en hij was zich bewust van de dringende noodzaak van Râma's opdracht. Hij bedacht daarom een ander plan. Hij tilde de berg in zijn geheel van de bodem, zette hem op zijn handpalm en ging met grote sprongen voorwaarts door de lucht.

Op zijn weg naar Lankâ moest hij in de nachtelijke uren over de stad Ayodhyâ heen. Daar verbleef Bharata, treurend in afzondering. Hij was wakker en maakte zich zorgen om zijn broer en diens leven in het woud. Plotseling werd het maanlicht verduisterd door een schaduw die over hem heenviel, de schaduw van Hanumân en de heuvel. Bharata veronderstelde dat de aap met zijn last een Râkshasa was, die deze vorm had aangenomen om een of andere verderfelijke opdracht te vervullen. Hij besloot hem te doden voor hij enig kwaad kon uitrichten. Hij nam zijn boog ter hand, spande de pees tot aan zijn oor en schoot de pijl recht op het doel af. Toen de pijl hem trof, liet Hanumân de doordringende uitroep 'Râma' horen. Bij het horen van Râma's naam, stand Bharata geschokt op en rende naar de gevallen aap. Hanumân vertelde hem wat zijn opdracht inhield en hoe dringend de aard van zijn missie was. Bharata werd door smart overmand. Hij omhelsde Hanumân en smeekte om vergiffenis voor zijn dwaze, overhaaste daad. Bharata barstte in tranen uit. Hij bad: 'Indien het waar is dat ik immer Râma heb vereerd in gedachten, woorden en daden en dat ik niet van het goede pad ben afgeweken, moge dan aan deze Vânara zijn oorspronkelijke gezondheid en kracht worden teruggegeven.'

Toen Bharata zich zo dieptreurig toonde en een zo trouwhartige verklaring aflegde, werd Hanumân van zijn pijn verlost. Hij verrees als herboren. Plotseling kwam de gedachte in hem op de oprechtheid van Bharata te beproeven. Hij sprak: 'Aan de Heer van de Raghu-dynastie de overwinning.' Door deze woorden werd Bharata zo overmand door zielenpijn dat hij in luid snikken uitbarstte. Hij vroeg smekend: 'O, grootste onder de apen! Zijn Sîtâ, Râma en Lakshmana in goede gezondheid? Is mijn moeder Sîtâ gelukkig en opgewekt?' De herinnering aan de afwezige Sîtâ en zijn broers deed Bharata's tranen van verdriet in die van vreugde verkeren. Toen echter Hanumân omstandig verhaalde wat er was geschied, werd Bharata wederom overstelpt door verdriet. Hij viel flauw toen hij hoorde dat Lakshmana op het slagveld het bewustzijn had verloren. Weldra herstelde hij zich. Hij stond op en sprak: 'Hanumân! Vergeef mij mijn dwaze gedrag. Ik mag je niet langer ophouden. Ga snel op weg met de Sanjivi-heuvel, met de kostbare kruiden die Lakshmana kunnen genezen. Haast je!'

Hanumân wierp zich aan Bharata's voeten en zette vervolgens de heuvel weer op zijn handpalm. Toen hij met reuzesprongen vertrok en naar de einder vloog, bleef Bharata Hanumân met vaste blik volgen, tot deze uit het zicht verdween. Hij was verheugd dat hij eindelijk iets meer te weten was gekomen over de ontwikkelingen aangaande Râma, doch tegelijkertijd was hij zeer bedroefd over de toestand van Sîtâ en Lakshmana. Met een bezwaard gemoed ging hij huiswaarts en vertelde de hele geschiedenis aan de moeders.

Of schoon Sumitra, de moeder van Lakshmana, zich een ogenblik bedroefd voelde, hervond zij snel haar evenwicht toen zij eraan dacht dat Râma bij haar zoon was. Zij zei bij zichzelf: 'De zoon die ik onder mijn hart heb gedragen, is bereid zijn leven aan Râma te geven om Hem te dienen! Dat is voor mij troost genoeg. Het geeft mij een gevoel van diepe voldoening. Mijn leven is thans voltooid. Toch ben ik bezorgd, want het lot van Lakshmana moet voor Râma een kwelling zijn. Die 'bewusteloosheid' moet Râma wel pijnlijk treffen en om op deze wijze gescheiden te zijn van zijn broer, doet Hem wellicht verdriet. Zoon! Satrughna! Ga naar de plaats waar Râma is en sta Hem bij!' Satrughna stond onmiddellijk op en sprak: 'Groter geluk kan mij onmogelijk beschoren zijn!' Doch Bharata weerhield hem en sprak: 'Zonder uitdrukkelijke bevelen van Râma kan ik er niet in toestemmen dat je naar Hem toegaat.' Hij troostte Satrughna door hem te zeggen dat Râma deze daad zou kunnen afkeuren en dat het altijd heilzaam is zich voor Zijn wil te buigen.

In Lankâ hield ondertussen Râma de wacht over Lakshmana. Dag en avond gingen voorbij en zelfs het middernachtelijk uur was reeds verstreken. De Vânara's zaten gehurkt om Râma heen. Râma, die zich gedroeg alsof Hij slechts menselijk was, uitte zijn bezorgdheid over het uitblijven van Hanumân. 'Het is middernacht en nog is er geen teken van Hanumân! Is hij misschien verdwaald? Mijn broer Lakshmana is nog steeds buiten bewustzijn en zijn toestand is kritiek!' Vol tederheid keerde Hij Lakshmana's gelaat naar zich toe. Terwijl Hij hem met betraande ogen liefkoosde, sprak Hij: 'Broer! Open je ogen en kijk mij aan. Nog nimmer zijn er zovele uren voorbijgegaan zonder dat jij je blik naar mij hebt toegewend. Zonder zelfs maar een seconde onderbreking heb je al die jaren over mij gewaakt. Hoe is dit stilzwijgen van jou te verdragen? Sinds gisteren is er niemand om mij met zachte woorden te troosten. ' Zo weeklaagde Râma, als was Hij een gewone sterveling. 'Broer! Om mijnentwille heb je zowel je ouders als je vrouw verlaten. Je ging, samen met mij, in ballingschap en deelde mijn leven in het woud, ofschoon je daartoe niet verplicht was. Nimmer heb je je bekommerd om de ontbering waaraan je werd blootgesteld. Je hebt een eenvoudig en vriendelijk karakter. Ter wille van mij verwelkomde je de brandende zon, werd je nat van de regen en rilde je van de kou. Met etenstijd wilde je van geen voedsel weten, want aan vaste uren hield je je niet. Al het voedsel dat je verzamelde, gaf je aan mij. Lakshmana! Het is mij niet ontgaan dat je je menigmaal op de harde, kale vloer ter ruste legde met een lege maag. Broer! Reeds twaalf lange uren heb ik het moeten stellen zonder je liefdevolle zorg, besef je dat? Doe je ogen open, al is het slechts eenmaal en zie mij aan. Daar verlang ik nu het meest naar. Râma hief Lakshmana's kin teder naar zich op en smeekte op aandoenlijke wijze om een blik van hem. De Vânara's stortten tranen van verdriet om Râma's zielenpijn. Velen van hen klommen in bomen op de heuveltop en tuurden in de verte of zij Hanumân zagen aankomen.

Weldra verscheen Hanumân, die de Sanjivi-bergtop op zijn opgeheven hand droeg. In de ogen van de Vânara's straalde Hanumân als de belichaming van moed, die des te innemender werd door de grootsheid van zijn mededogen. Hij daalde neer temidden van de Vânara's. Die riepen: 'Heil en voorspoed aan Hanumân!' Zij spraken: 'Door jou is ons leven weer waard om geleefd te worden. Als je niet voor de dageraad was teruggekeerd, waren wij allen in de oceaan gesprongen en hadden zo een eind aan ons leven gemaakt, want wij kunnen niet zonder Lakshmana en geven niets om een bestaan zonder hem. Jij hebt ons het leven gered.' Toen Râma Hanumân zag, met de bergtop waarop de geneeskrachtige kruiden groeiden, kende zijn vreugde geen grenzen. Sushena verzekerde zich onmiddellijk van de kruiden die hij nodig had (visalyakarini, samdhanakarini, souvarnakarini en samjivakarini) en diende ze Lakshmana toe. En ziedaar, Lakshmana ging rechtop zitten en was bij zijn volle bewustzijn. Râma was buiten zichzelf van vreugde. Hij omhelsde zijn broer en liefkoosde hem met diepe genegenheid. Hij riep uit: 'Broer! Broer! Waar was je toch de afgelopen uren?' Uit zijn ogen vloeiden tranen van blijdschap en dankbaarheid. Râma ging geheel op in zijn intense vreugde, die slechts te vergelijken is met brahmananda, de gelukzaligheid van Brahman zelf. Doordat zij in aanraking kwamen met de levenskrachtige lucht van de Sanjivi-berg die om hen heen waaide, hadden intussen de Vânara's die in de bittere strijd gevallen waren, hun leven teruggekregen en konden zich weer net zo vrij bewegen als voorheen. Dit tafereel gaf aanleiding tot grote blijdschap onder de Vânara's die daar getuige van waren. Zij dansten vrolijk in het rond en omhelsden hun tot leven gebrachte kameraden en familieleden. Râma overlaadde Sushena met Zijn Zegen en verzekerde hem dat Hij hem zou beschermen tegen elke poging tot wraakneming die Râvana zou kunnen ondernemen. Râma droeg Hanumân op Sushena weer met huis en al in Lankâ neer te zetten en tevens de kostbare Sanjivi-berg dicht bij zijn huis te plaatsen, ter gedachtenis aan zijn dienstbetoon aan Lakshmana en de Vânara's. Hanumân prees Sushena's goede diensten en dankte hem voor het redden van het leven van zijn meester en dat van zijn kameraden. Hij bracht zowel het huis met Sushena erin als de berg naar Lankâ en plaatste ze voorzichtig op de aardbodem.

Een nieuwe dag brak aan. Vanuit het Râkshasa-kamp klonk het geroffel van de krijgstrommels. De Vânara's waren in grote beroering. Zij ontleenden enorme kracht aan de gedachte aan Râma, hun gids en beschermer. Elk hunner verkreeg de kracht van vele olifanten. Zij sprongen allen strijdlustig in het rond. Dhoomraksha was die dag de vijandelijke opperbevelhebber. Hij vocht als een wanhopige, doch werd de volgende dag door Hanumân gedood. Hierop schoot Akampa de Râkshasa's te hulp en voerde de demonische horde met grote felheid aan. Angada was de bevelhebber van de Vânara's in de strijd tegen Akampa en slaagde erin de Râkshasa-generaal nog diezelfde dag te doden. Toen hij vernam dat Akampa was gevallen, stortte Prahasta zich met veel misbaar in het gevecht. Nila was degene die het tegen hem opnam. Met Râma's naam steeds levendiger in zijn gedachten bond hij verwoed de strijd met Prahasta aan. Meedogenloos besprong Nila de nieuwe generaal en slaagde erin hem te doden. Mahodara was de volgende. Hanumân wierp zich met luid weerklinkend gebrul op hem en bevocht hem met hand en tand. Weldra gelukte het hem Mahodara te overmeesteren en hem in stukken te hakken.

Vijf dagen lang zetten de twee zonen van Kumbhakarna, Kumbha en Nikumbha, de strijd voort, aan het hoofd van een schare woeste Râkshasa's. Op de zesde dag bereikten de beide broers de hemel die krijgshelden verwerven als zij op het slagveld gevallen zijn.

Toen zij zagen hoe een aaneenschakeling van onheil hun troepen trof, raakten de Râkshasa's van Lankâ in paniek. Wanhopig trachtten zij zich ergens te verbergen en het vege lijf te redden. Anderen gaven zich over en zochten hun toevlucht in het kamp van de Vânara's. Zij stelden Râvana verantwoordelijk en beschimpten hem in bittere bewoordingen. Velen begaven zich naar koningin Mandodari en smeekten haar de opeenvolging van rampspoeden te doen ophouden. Ook zij was bedroefd dat Râvana aan zijn krankzinnige opwellingen had toegegeven en zij poogde hem van verdere oorlogvoering te weerhouden.

De oorlog ging evenwel onverminderd door. Makaraksha, de onverschrokken krijger, zette de strijd voort. Lakshmana bood hem tegenstand en doodde hem. Bij een dergelijke schitterende overwinning, die bovendien binnen luttele ogenblikken werd behaald, sprongen de Vânara's op van vreugde en riepen: 'Jai, Jai.' Râvana jammerde en weende, toen hij hoorde dat al zijn onverslaanbare generaals een voor een dood ter aarde waren gestort! Hij spoedde zich naar de plaats waar zijn broer Kumbhakarna lag te slapen en trachtte hem met alle mogelijke middelen te wekken. Een grote menigte Râkshasa's verzamelde zich rond het slapende lichaam. Zij sloegen woest op hun reusachtige trommels. Râvana bracht honderden boksers met zich mee, die de demon sloegen. Zij deelden rake vuistslagen uit en velen sloegen met gigantische strijdknotsen op zijn dijen. Eindelijk opende de demon zijn ogen en hij keek om zich heen. Râvana vertelde Kumbhakarna hoe wanhopig hij was en bracht hem op de hoogte van de dood van diens zonen, Kumbha en Nikumbha. Door dit nieuws raakte Kumbhakarna buiten zichzelf van woede en wraakzucht, als was hij de verpersoonlijking van de tijd, de universele vernietiger. Hij riep uit: 'Dwaas! Denk je werkelijk ooit de overwinning te kunnen behalen? Je hebt jezelf op onvergeeflijke wijze bezoedeld door de zonde te begaan van het ontvoeren van Sîtâ, de moeder van het universum. Er is geen rechtvaardiging voor je gruwelijke wandaden. Je verdorvenheid leidt tot de ondergang van Lankâ. Geef je thans in elk geval over aan Râma en zet je absurde gevoel van prestige opzij! Was het juist dat een heerser die de verheven taak heeft rechtschapenheid te handhaven en onrechtvaardigheid in zijn koninkrijk te beteugelen, alle fatsoen en goed gedrag van zich afwierp en andermans vrouw ontvoerde? Valt dat moreel goed te keuren? Is het bevorderlijk voor je spirituele ontwikkeling? Je zult de wrange vruchten van je daden moeten plukken, Râvana. Râma is geen gewone sterveling. Surpanakha, onze zuster, werd krankzinnig van begeerte. Zij trachtte haar zelfzuchtige verlangen te bevredigen en moest de gevolgen van haar zonden dragen. Zij was het, die je lage instincten aanwakkerde en je verleidde tot deze barbaarse misdaad. Omdat je gehoor gaf aan de woorden van een geslepen vrouw, zette je al je onderscheidingsvermogen opzij en bracht eigenhandig die rampspoed teweeg door je boosaardige streken.' Kumbhakarna verklaarde zijn broer zelf schuldig en gaf hem langdurig goede raad. Doch Râvana was niet in de stemming om de schuld op zich te nemen. 'Verlaat mij niet in deze rampzalige toestand. Bereid je voor om onze legers aan te voeren en ten strijde te trekken. Red mijn leven', smeekte hij.

Daar hij geen uitweg zag en overstelpt werd door genegenheid voor zijn broer, maakte Kumbhakarna zich gereed. Er werden ketels met palmwijn en grote bergen vlees voor hem gezet die tot zijn ontbijt moesten dienen. In een oogwenk had hij alles naar binnen geschrokt waarna hij zich naar het slagveld begaf. Toen Vibhishana, zijn jongere broer, bemerkte dat hij op het punt stond zich in de strijd te mengen, kwam hij haastig toegelopen vanuit Râma's kamp en wierp hij zich in nederige eerbied aan zijn voeten. Terwijl hij opstond, maakte hij zichzelf bekend. Kumbhakarna straalde van blijdschap en omhelsde zijn broer vol hartelijke genegenheid. Vibhishana begon als eerste te spreken: 'Broer! Râvana heeft mij in een openbare rechtszitting beledigd en mij uit de audiëntiezaal laten zetten. Ik heb alle aspecten van deze geschiedenis overwogen en hem op allerlei wijzen van advies gediend. Hij sloeg mijn raadgevingen in de wind en luisterde slechts naar machtswellustige, dwaze ministers. Hij slingerde mij onduldbare scheldwoorden naar het hoofd, ten gehore van alle aanwezigen. Ik kon de schande niet verdragen. Ik gaf mij over aan Râma, die, wetend dat ik hulpeloos en onschuldig was, mij aanvaardde en bescherming bood. Daarop antwoordde Kumbhakarna: 'Wel broer! De schaduw des doods valt reeds over Râvana. Hoe zou hij dan acht kunnen slaan op wijze raad? Jij hebt er ongetwijfeld goed aan gedaan het doel in je leven te verwezenlijken. Je bent nu niet langer Vibhishana, je bent VibhUshana, het schitterend juweel, het schoonste sieraad van de Râkshasa-clan! Je hebt de clan veredeld en gelouterd door de oceaan van geluk, de kroon van de Raghu-dynastie, Râma, met zoveel bezieling te dienen. Ga nu. Dien Hem met oprechte ijver, broer! Ik moet de strijd aangaan, ongeacht welk lot mij wacht. Ook ik ben de dood nabij. Râvana weet dat mijn hart niet bij hem is. Ik raad je aan je trouw aan deze of gene verbintenis te laten varen en je te beperken tot loyaliteit aan Râma.' Nadat hij dit advies en de zegen van zijn broer ontvangen had, keerde Vibhishana terug naar Râma. Hij vertelde Râma: 'Heer! Die kolossale Râkshasa is Kumbhakarna. Hij is een mededogende, dappere vechter. Hij is hier gekomen om de strijd met u aan te gaan.'

Toen de Vânara's deze woorden hoorden, werden zij zo woedend dat zij vuur spuugden en onder Hanumâns bevel de vijandelijke troepen besprongen. Zij wierpen enorme bomen en zwerfkeien naar Kumbhakarna, doch deze bleef onwrikbaar en onaangedaan overeind. De Vânara-aanval was als het slaan van een dolle olifant met een ooghaartje! Ziedend van woede diende Hanumân Kumbhakarna met gebalde vuist zulk een geweldig harde klap toe, dat het hem duizelde. Maar hij herstelde zich spoedig, sloeg terug en velde Hanumân. Nu mengden Nala en Nila zich in het gevecht, die echter evenmin tegen Kumbhakarna waren opgewassen. Angst beving de Vânara-horden. Sugriva en Angada hadden danig te lijden gehad onder Kumbhakarna's woeste aanval en zij rolden op de grond. Tenslotte knelde Kumbhakarna Sugriva onder zijn arm en droeg hem het slagveld af. Hij veronderstelde dat hij, door de koning weg te voeren, het Vânara-leger had overwonnen.

Hanumân was zich intussen weer bewust geworden van zijn omgeving. Hij kon Sugriva nergens ontdekken en ging bezorgd naar hem op zoek. Terwijl hij geklemd onder de arm van de machtige Kumbhakarna werd weggedragen, kwam Sugriva tot bewustzijn en trachtte zich aan zijn greep te ontworstelen. Hanumân trof Sugriva aan bij zijn wanhopige poging zich te bevrijden en snelde toe om hem te helpen. Sugriva zag echter kans zichzelf los te maken van zijn overweldiger en ging moedig de strijd met hem aan. Hij beet neus en oren van Kumbhakarna af en het monster kon dientengevolge nauwelijks nog ademhalen. Weldra werd hij omsingeld door een horde Vânara's die 'Aan Râma de victorie' en 'Aan onze Meester de overwinning' riepen en onderwijl een regen van rotsen, heuvels en bomen op hem lieten neerkomen. De demon, in razernij ontstoken, besprong de Vânara's, en ieder die in zijn handen viel, werd door hem vermalen en verslonden. Velen van hen werden doodgedrukt. Aldus slaagde Kumbhakarna erin de Vânara's in paniek uiteen te drijven.

Hierop zei Râma tot Lakshmana en anderen, dat het ogenblik was aangebroken waarop Hij het slagveld moest betreden. Zijn tussenkomst duldde geen verder uitstel. 'Lakshmana! Breng mij de 'onuitputtelijke' pijlenkoker', sprak Hij. Op Râma's bevel haalde Lakshmana onmiddellijk de koker en legde die in de handen van zijn broer. Gewapend met de Kodanda-boog betrad Râma het strijdperk en ging als een leeuw op zijn prooi af. Lakshmana, Sugriva, Hanumân en Jâmbavân volgden Hem. De pijlen uit Râma's boog doorkliefden de lucht en vlogen recht op de vijand af, als gevleugelde slangen. Zij verspreidden zich overal en drongen door tot in alle windrichtingen. Zij doodden miljoenen helden en krijgers in de vijandelijke gelederen. De Râkshasa's konden de woeste aanvallen van de pijlen niet langer verdragen en sloegen op de vlucht. De pijlenstroom droogde nimmer op. Elke pijl die werd afgeschoten, keerde terug naar dezelfde koker nadat hij de beoogde verwondingen had toegebracht. In het besef dat Râma van plan was de Râkshasa-legers te verdelgen, ontstak Kumbhakarna in razende woede. Hij brulde als een gewonde leeuw en wierp zich midden in het strijdgewoel. De Vânara's raakten in paniek en sloegen angstig op de vlucht. Toen het Râma duidelijk werd dat Hij geen andere keus had, richtte Hij een pijl op Kumbhakarna en sneed daarmee diens armen tot aan de schouders af. Dit deed het monster stralen als de Mandaraberg, toen zijn vleugels door Indra, de koning der goden, werden afgesneden. Hij stormde met schrille kreet op Râma af. Râma spande zijn boogpees tot het uiterste en schoot een bundel pijlen af die zijn gelaat met dodelijke kracht troffen. Toen hij werd geraakt, wankelde Kumbhakarna, doch hij bleef overeind. Dus schoot Râma nogmaals een pijl op hem af, die zijn hoofd van zijn romp scheidde. Het lichaam zonder hoofd liep nog een korte afstand door en om hieraan een einde te maken, schoot Râma nog een pijl af, die de romp in tweeën kliefde.

Plotseling verrees een schitterend wezen uit zijn lichaam, dat zich naar Râma voortbewoog en in Hem opging. De Râkshasa geraakte tot bevrijding zonder het beoefenen van enige sâdhana (geestelijke discipline) of japa (het herhalen van Gods namen) of tapas (ascese: het leren beheersen van de geest en de zintuigen). Bij zijn leven straalde hij als een ongeëvenaarde held op het slagveld. Bij zijn dood bereikte hij de hoogste staat van eenwording met God. Râma stond op het slagveld met zweetdruppels op zijn lotusgelaat. Op zijn lichaam waren enkele druppels bloed van Kumbhakarna te zien, die daar tijdens het gevecht op waren gevallen. Het begon te schemeren. Beide legers hadden een dag van brandende hitte en woeste gevechten achter zich, dus trokken zij zich in hun kampen terug. De genade hun door Râma geschonken, gaf de Vânara's nieuwe levenskracht. Als vuur dat gevoed wordt door verdord gras, zo laaiden de vlammen van hun geestdrift hoog op.

Overdag en 's nachts verloren de Râkshasa's aan kracht. Râvana beweende zijn lot en was niet te troosten. Hij was als een cobra die beroofd was van het sieraad op zijn kop. Hij drukte wenend het afgehouwen hoofd van zijn broer aan zijn boezem. Meghanada, zijn zoon, trachtte hem op allerlei wijzen te kalmeren: 'Morgen zal ik mijn kracht en heldhaftigheid tonen. Ik zal in minder dan geen tijd die Vânara-horde verpletteren. Ik zal u vreugde schenken die onmetelijk veel groter is dan het verdriet waaronder u thans gebukt gaat', pochte hij. Spoedig daarna brak de nieuwe morgen aan. Boodschappers berichtten Râvana dat de beren en apen de stad hadden omsingeld. Dit bracht de onbedwingbare krijgers onder de Râkshasa's ertoe zich andermaal in de strijd te mengen en tegen de vijand op te rukken.

Elk van hen vocht met om het even wie hij tegenover zich vond, naar beste kunnen met uiterste krachtsinspanning. Die ganse dag was de bezetenheid van de strijd onbeschrijfelijk angstaanjagend. Meghanada besteeg zijn magische strijdwagen en vloog omhoog. Zijn uitdagend gebrul donderde als onweer op de dag des oordeels. Als door de bliksem getroffen, stortten de Vânara's ter aarde. De weerklank van het gebrul deed de aarde beven. Met zijn magische vermogens creëerde hij in een ogenblik een pseudo-Sîtâ en zette haar naast zich in de strijdwagen en daalde neer bij het slagveld! Hanumân was de eerste die hen opmerkte.

Meghanada schreeuwde naar hem: 'Luister, Hanumân! Deze Sîtâ, omwille van wie je deze oorlog voert, zal ik thans doden. Zie toe. Met haar dood moet deze oorlog afgelopen zijn.' Hij greep zijn zwaard, hakte haar in stukken en wierp die weg. Hanumân werd vervuld van wraakzuchtige woede. Hij riep de Vânara's op door te vechten, zonder zich om hun leven te bekommeren en het Râkshasa-gebroed uit te roeien. De Vânara's vielen hen daarop aan met zulk een razernij dat de Râkshasa's zich in de hoofdstad terugtrokken.

Hanumân begaf zich naar Râma en berichtte Hem over de wandaad die Meghanada had begaan. Bij het aanhoren van dit nieuws deed Râma het voorkomen alsof Hij daardoor diep geraakt werd. Hij besefte wel degelijk dat het hier een pseudo-Sîtâ betrof, die was ontstaan door de magische vermogens van de Râkshasa's. Niettemin deed Hij alsof Hij gewoon 'mens onder de mensen' was. Ook Lakshmana was aan wanhoop ten prooi. Hij treurde om het verlies van de moeder aller werelden en was mistroostig bij het idee voort te leven in deze wereld. Toen hij hoorde wat er was geschied, spoedde Vibhishana zich naar Râma. Hij sprak: 'Meester! U kent de waarheid en weet dat dit hele incident bedriegerij is. Sîtâ leeft en wordt met grote zorg bewaakt. Alleen Râvana heeft toegang tot de plaats waar zij gevangen wordt gehouden. Meghanada heeft slechts een 'Sîtâ' gecreëerd en haar vervolgens gedood om ons te misleiden en tot wanhoop te drijven. Onder Râkshasa's komen zulke streken regelmatig voor. Ik weet dat zij een groot genoegen scheppen in dergelijke lage listen.' Râma en Lakshmana waren gelukkig toen zij deze woorden hoorden en zij waardeerden het dat Vibhishana de geheime tactieken van de Râkshasa's aan het licht bracht. Om zichzelf gerust te stellen en zich ervan te vergewissen dat Vibhishana's verklaring juist was, nam Hanumân een andere vorm aan en wist zo ongezien de stad Lankâ binnen te komen, waarop hij naar het park ging waar Sîtâ gevangen werd gehouden. Bij zijn terugkeer verzekerde hij de Vânara's dat hij Sîtâ gezond en wel had aangetroffen, hetgeen hen aanspoorde zich met nog grotere geestdrift in de strijd te werpen.

Meghanada keerde spoedig naar het slagveld terug. Ditmaal liet hij het niet slechts scherpe pijlen regenen, maar ook speren, strijdknotsen, bijlen en zwerfkeien. Alom hoorden de Vânara's de weergalm van angstwekkende luide kreten en bevelen als 'sla hem neer', 'houd hem' en dergelijke, maar zij konden niet zien wie deze bevelen opvolgden en op hen insloegen en hen vastgrepen! Het was een griezelige ervaring die hen in grote verwarring bracht. Zij waren niet in staat uit te maken waar het gevaar vandaan kwam en waar zij een toevlucht moesten zoeken. Zelfs geduchte helden als Nala, Nila, Angada en Hanumân sloeg de angst om het hart. Meghanada schoot zijn pijlen af op Lakshmana, Sugriva en Vibhishana en doorboorde hun lichamen. Zij bleven niettemin met onverflauwde felheid terugvechten.

Na korte tijd betrok Meghanada Râma zelf in de strijd. Hij schoot talloze sissende slangenpijlen op Hem af uit zijn vermaarde 'drakenwapen', de sarpastra. En Râma, de goddelijke acteur die de rol van mens op zich had genomen, de machtige held die Khara, Dushana en hun legers van mensenetende reuzen had vernietigd, liet toe dat Hij bedwongen werd door dat machtige wapen, sarpastra. Om de gepaste eerbied te betuigen aan die goddelijke draak en zijn kracht aan te tonen, stond Hij toe dat Hij gewond raakte door hem. Dat moge vreemd lijken, maar dit is het verhaal van Râma, die op aarde gekomen is met bepaalde kenmerken, vermogens en beperkingen. Mensen met beperkt denkvermogen, woorden en daden kunnen deze waarheid niet inzien. De Vânara's waren weerloos en bezorgd, doordat Râma was bedwongen door het wapen van de draak. Meghanada echter was in de wolken en onder het uiten van grove beledigingen, stormde hij wederom op de Vânara's af.

Jâmbavân zag hem en schreeuwde: 'O, jij verachtelijke worm! Blijf staan.' Maar Meghanada schoof hem opzij en zei: 'Schaam je. Tot dusverre heb ik je ongemoeid gelaten, als zijnde te oud om mijn aandacht te verdienen. Wat voor nut hebben je woorden voor mij? Ga uit de weg.' Hij wierp een drietand naar Jâmbavân, die het wapen gelukkig kon opvangen en terugwerpen naar Meghanada. Jâmbavân had met zijn krachtige worp zo goed doel getroffen, dat de drietand Meghanada recht in zijn hartstreek raakte. De gewonde Râkshasa draaide een paar maal om zijn as en viel toen neer. Jâmbavân rende naar de plaats waar Meghanada gevallen was, greep hem bij beide voeten vast en slingerde hem razendsnel in het rond, aleer hij hem met grote kracht tegen de grond sloeg. 'Zeg me nog eens dat ik oud ben. Oordeel zelf of ik de energie heb van de jeugd, dan wel de krachteloosheid van de ouderdom', daagde Jâmbavân Meghanada uit.

Meghanada overleefde de aanval. Hij stond met grote moeite op en strompelde weg. Hij had zijn grootspraak niet kunnen waarmaken, dus schaamde hij zich om zich aan zijn vader te vertonen. Hij ging rechtstreeks naar een tuin genaamd Nikumbala, waar menig Râkshasa in het verleden ascese had beoefend.

Vier van Vibhishana's hovelingen die incognito de bewegingen van de vijandelijke aanvoerders hadden gadegeslagen, kwamen te weten wat er was geschied en vertelden Vibhishana wat zij hadden vernomen. Vibhishana spoedde zich naar Râma en sprak: 'Meester! Ik heb zojuist het nieuws gehoord dat Meghanada op het punt staat een kwaadaardige yajña te volvoeren om boze machten gunstig te stemmen. Als hij de kans krijgt de rituelen uit te voeren, zal het daarna moeilijk worden hem te verslaan. Wij moeten dat met alle mogelijke middelen verhinderen.' Râma keurde het voorstel goed en was verheugd over Vibhishana's woorden. Hij ontbood Hanumân en Angada en zei tot hen: 'Broeders! Ga heen en zie erop toe dat de yajña waaraan Meghanada deelneemt, wordt ontregeld en verstoord.' Hij wendde zich tot Lakshmana en sprak: 'Lakshmana! Jij moet dit creatuur op het slagveld verslaan. Let wel dat de goeden treuren om zijn onrechtvaardige daden.' Râma had deze bevelen nog niet gegeven of Vibhishana, Sugriva en Hanumân verzamelden elk een reusachtige krijgsmacht van Vânara's en volgden Lakshmana om hem te ondersteunen.

Lakshmana bewapende zich met de immer gevulde pijlenkoker en nadat hij zich aan Râma's voeten had geworpen, verliet hij het kamp, met Râma in zijn hart. Angada, Nala, Nila en andere generaals liepen achter Hanumân aan. Toen zij het Nikumbala-park bereikten, zagen zij dat de ceremonie reeds was aangevangen en dat het vlees en bloed van karbouwen in het rituele vuur werden geofferd. Dus begonnen zij de riten te verstoren.

Meghanada zette echter de ceremonie voort. Toen gingen de Vânara's luidkeels de gezangen bespottelijk maken, die de Râkshasa's zongen om de boze machten voor zich te winnen. Dat kon de priesters er echter niet toe overhalen de rituelen te staken. De woedende Vânara's stormden daarom de offerplaats op, trokken Meghanada bij zijn haren op de grond en schopten hem. Meghanada nam de drietand ter hand en greep hen beet. Angada en Hanumân wierpen zich op hem en werden getroffen door de drietand. De slag kwam zo hard aan dat zij beiden op de grond vielen. Lakshmana kwam hun te hulp. Hij brak de verschrikkelijke drietand in tweeën. Angada en Hanumân herstelden zich spoedig en sloegen Meghanada uit alle macht. De Râkshasa liet zich evenwel niet ontmoedigen en gaf er zelfs geen blijk van geraakt te zijn. Lakshmana schoot de ene na de andere pijl op hem af, als was hij de god des doods, die gekomen was om hem te vernietigen. Elke pijl trof hem als een reeks bliksemschichten. Dus wendde Meghanada zijn magische vermogens aan om zichzelf onzichtbaar te maken. Hij nam menige mysterieuze rol aan en wist te ontsnappen. Lakshmana's geduld raakte tenslotte op. Hij zette een heilige pijl op zijn boog en terwijl hij de macht en majesteit van Râma erover afsmeekte, richtte hij de pijl op Meghanada, waar die zich ook mocht bevinden. Die pijl drong Meghanada's hart binnen en maakte een eind aan zijn leven. Aangezien hij in zijn laatste ogenblikken het beeld van Râma en Lakshmana voor zijn geestesoog had, prezen zij zijn heldenmoed en de wijze waarop hij de dood tegemoet was getreden. Hanumân nam het dode lichaam op zijn schouders, droeg het naar de stadspoort van Lankâ, waar hij het achterliet, en keerde terug.

Lakshmana liep op Râma toe en wierp zich aan Zijn voeten. Râma was verheugd over zijn welslagen en luisterde naar het uitgebreide verslag van de gebeurtenissen in het Nikumbalapark. Hij liefkoosde zijn broer met diepe genegenheid.

Hoofdstuk 9: De Onderwereld

Râma omhelsde Vibhishana, Hanumân, Nala, Nila en anderen en bracht allen in vervoering met Zijn goddelijke aanraking, die de pijnen die hen kwelden in een oogwenk deed verdwijnen en de wonden op hun lichaam heelde. De Vânara's waren opgetogen bij het aanschouwen van Râma's gelaat, dat straalde van geluk. Râma liet zijn blik vol mededogen rusten op de Vânara's.

Sulochana, de vrouw van Meghanada, had intussen het nieuws van de dood van haar man gehoord van haar dienaressen, die haastig naar haar toe waren gegaan met de tragische boodschap. Râvana sprak: 'Tot vandaag heb ik geloofd dat Meghanada of Kumbhakarna zich zonder moeite van hun lichte taak zouden kwijten. Thans heb ik met eigen ogen gezien dat zij hebben gefaald. Ik schaam mij dat Meghanada het slachtoffer is geworden van een aanval door een apenleger. Hoe kunnen degenen die door apen worden gedood aanspraak maken op heldendom?' Hij trachtte Sulochana te troosten en sprak: 'Geachte schoondochter! Wees niet langer bedroefd. Denk niet dat ik tot dat soort helden behoor. Binnen het uur zal ik je bemoediging en vertroosting brengen. Je kunt van mijn formidabele kracht op het slagveld getuige zijn. Ik zal de hoofden afrukken van degenen die de dood van je echtgenoot hebben veroorzaakt en ze hier naartoe brengen. Zo zal het geschieden, wees daar zeker van!' Aldus snoefde en raasde Râvana in Sulochana's aanwezigheid. Hij was buiten zinnen van woede.

Na het aanhoren van deze woorden, sprak de wijze en deugdzame Sulochana: 'O, tienhoofdige vorst! Is er ook maar een sprankje hoop in uw hart dat u kunt zegevieren? U waart rond in de diepe duisternis van de begoocheling. Ik heb lange tijd mijn verbolgenheid en teleurstelling onderdrukt, omdat ik het ongepast achtte een schoonvader te weerstreven. In dit geval had het bovendien geen zin te trachten u te overtuigen. Het is uw blinde woede die tot de ondergang van de Râkshasa-bevolking van dit eiland heeft geleid. Laat mij u dit zeggen, u kunt onmogelijk deze oorlog winnen. Dat is de waarheid, de onbetwistbare waarheid.' Sulochana stond abrupt op en begaf zich, eenzaam weeklagend, naar de vertrekken van koningin Mandodari, de moeder van Meghanada. Daar aangekomen, wierp zij zich aan de voeten van haar schoonmoeder en sprak: 'Deze rampspoed is veroorzaakt door uw echtgenoot en door niemand anders. Ook u kunt het onheil niet ontlopen dat ons vandaag of morgen zeker zal treffen.' In deze scherpe en wrede bewoordingen stortte zij haar door verdriet verscheurde hart uit. De gedachte aan de boosaardigheid van Râvana's begeerten en hoe hij prat ging op zijn eigen verdorvenheid, pijnigde ook Mandodari. Zij weende in het besef van de afschuwelijke waarheid van Sulochana's woorden. De twee vrouwen zaten lange tijd zwijgend bijeen. Naderhand beschreven zij elkander de deugden en uitmuntende eigenschappen van Râma en het geduld en de kuisheid van Sîtâ. Zij zeiden bij zichzelf dat, als zij maar een glimp zouden kunnen opvangen van dit goddelijke wezen, hun leven de moeite waard zou zijn.

Râvana kon het niet verdragen getuige te zijn van de zielenpijn die zijn schoondochter, de rouwende Sulochana moest doorstaan. Haar woorden doorboorden zijn hart als scherpe pijlen. Zijn smart om het verlies van zulk een schrandere, liefhebbende zoon was zo hevig, dat hij op de grond viel en wanhopig met zijn hoofden tegen de vloer bonsde. Nadat hij was opgestaan, begaf hij zich naar zijn lievelingstempel en liet voor het S'iva-beeld zijn gevoelens van pijn en vrees de vrije loop. Daar, in die tempel, troffen zijn ministers hem aan. Een van hen sprak: 'O, koning, vanwaar deze zinloze droefheid? Zonen, echtgenoten en alle anderen die wij met liefde overladen, zijn allen als de bliksemschicht die de donkere wolk voor even verlicht. Zij komen en gaan. Het leven is kortstondig als een lichtflits. Als u dit ten volle beseft, is het niet juist u in onwetendheid te hullen en te jammeren over het verlies van uw dierbaren. Het is nu tijd om plannen te maken voor de toekomst en de strategie te bepalen voor de vernietiging van de vijand aan onze poorten.' Zij poogden Râvana te troosten en hem met allerlei argumenten te herinneren aan zijn meest voor de hand liggende taak. Tenslotte vouwde Râvana zijn twintig handen en terwijl hij tot S'iva bad, wierp hij zich in nederig eerbetoon op de tempelvloer.

Toen dit alles op aarde geschiedde, kwam Ahiravana, die in de onderwereld verbleef, tot het besef dat Râvana gebukt ging onder een loden last van smart. Hij dacht bij zichzelf: 'Hoe is het mogelijk? Hij heeft de ganse wereld in zijn macht! Niemand kan hem verslaan! Ahiravana vereerde geen andere godheid dan de godin Kamada. Hij begon onmiddellijk met het overpeinzen van haar naam en zij onthulde haar toegewijde waar Râvana zich op dat ogenblik bevond. Zo kwam het dat hij voor Râvana verscheen in de S'iva-tempel. Hij wierp zich aan Râvana's voeten en noemde zijn naam. Ahiravana was niemand anders dan een van Râvana's zonen. Hij vroeg naar de reden van zijn vaders moedeloosheid. Râvana vertelde hem wat er allemaal was voorgevallen sinds de broers Râma en Lakshmana de neus en oren van Surpanakha hadden afgesneden. De geschiedenis bedroefde Ahiravana zeer. Hij sprak: 'Het pad der moraliteit wordt door iedereen waar ook ter wereld, verheerlijkt. Door van dat pad af te wijken en het pad van immoraliteit te verkiezen, doet de vrees zijn intrede in het hart. In plaats van aandacht te schenken aan het verleden en de toekomst en het waarschijnlijke verloop der gebeurtenissen, hebt u zich in deze dwaze en rampzalige oorlog gestort. U hebt dientengevolge uw clan en uw dynastie naar de ondergang gevoerd. U weet niet hoeveel heldenmoed en macht in de mens sluimert. U hebt de grootsten onder hen beschouwd als de minsten en de laagsten. Toch wil ik u thans iets zeggen. Ik zal Râma en Lakshmana gevangen nemen en met mij meenemen naar de onderwereld. Ik zal hen offeren aan de godin Kamada. Daarmee zal ik de Râkshasa-naam oneindige roem verschaffen.' Met deze woorden wierp hij zich ter aarde voor Râvana en betuigde hij zijn eerbied aan de godin Kamada. Toen betrad hij het kamp van Râma, riep met zijn bovennatuurlijke krachten de geest van de duisternis op en omhulde de Vânara's met inktzwarte duisternis. Niemand van hen kon een hand voor ogen zien, zo diep was de duisternis die allen omgaf. In het kamp der Vânara's heerste uiterste waakzaamheid. De dood zelf waagde het niet die plaats te betreden. Hanumân, de Vânara-wachter, kon zijn staart zo enorm verlengen, dat hij het kamp vele malen ermee kon omcirkelen, zodat de windingen van de spiraal boven elkaar een hoge muur vormden, met de vastheid en omvang van een bergwand. Hanumân zelf hield, op elk gevaar bedacht, de wacht bij de enige poort die toegang gaf tot deze ondoordringbare vesting.

Toen Ahiravana deze door een staart gevormde vestingmuur zag, werd hij door grote vrees bevangen. Hij was niet in staat enige strategie te bedenken waarmee hij deze verdediging zou kunnen doorbreken. Toen hem inviel wat te doen, veranderde hij zich in een gedaante met de gelijkenis van Vibhishana en sprak Hanumân aan, die voor de poort stond en sprak: 'Vriend, Râma wacht op mij. Ik ben met zijn goedkeuring buiten het kamp geweest voor mijn avondgebeden en -rituelen. Zij zijn thans volvoerd. Als ik niet onverwijld naar Hem terugkeer, zou ik de zonde begaan van het niet opvolgen van zijn bevel. Laat mij daarom het kamp binnengaan.' Hanumân werd misleid door de stem en het voorkomen van iemand die hem Vibhishana zelf toescheen en hij verleende hem toegang tot het kamp. Ahiravana trof Nala [RRV-5] en Sugriva in diepe slaap aan, aangezien zij uitgeput waren door de strijd van die dag. Ook Râma lag te slapen, hand in hand met zijn broer Lakshmana. De nadering van de pseudo-Vibhishana ging niet onopgemerkt aan Râma voorbij. Râma was geïncarneerd in een menselijk lichaam met als doel het hele Râkshasa-ras te vernietigen en weg te vagen. Doch zolang de nakomelingen van Râvana nog voortleefden in de onderwereld, bleef Zijn taak onvoltooid. Hij speelde dus Zijn rol en deed alsof Hij niets afwist van de list waaraan Ahiravana zich wilde bezondigen. Niemand kon Zijn wegen doorgronden. Hij weet waar, wanneer en met welke middelen de vernietiging zal plaatsvinden. Hij speelt op eigen wijze zijn rol in het drama.

De Râkshasa reciteerde de Mohana-mantra, die iedereen van wie hij dit wilde, in zwijm deed vallen en het bewustzijn verliezen. Het maakte dat de Vânara-helden nog dieper in slaap verzonken. Toen bond hij Râma en Lakshmana vast en voerde hen naar zijn gebied in de ingewanden der aarde, de streek genaamd Pâtâla ('de wereld van de meesterslangen') [zie ook S.B. 5.24: 31].

Na enige tijd ontwaakten de Vânara's. Er heerste grote verslagenheid bij de ontdekking dat Râma en Lakshmana niet langer in hun midden waren. Op de plek waar zij hadden liggen slapen was een diepe kuil ontstaan. Weldra vulde het gehele kamp zich met geschrei en gekerm. De Vânara's voelden zich even ellendig als de hemel zonder maan of lotusbloemen zonder water. Zij begonnen in alle windrichtingen naar de broers te zoeken. Van velen leidde de zoektocht naar de zeekust. Anderen speurden rond in het omliggende gebied van het kamp. Niemand kon enig spoor ontdekken. De Vânara's verloren hun hoop en moed. Ze werden overweldigd door smart en vertwijfeling. 'Alle Râkshasa-krijgers zijn gedood. Slechts Râvana heeft de strijd overleefd doch zijn dagen zijn geteld. Op dit kritieke ogenblik heeft het ongeluk ons ingehaald.' Aldus beweenden de Vânara's hun lot. Sugriva, de koning der Vânara's stortte bewusteloos ter aarde.

Vibhishana, die nog onkundig was van dit incident, keerde in natte kledij terug van zijn rituele wassing in zee van die ochtend. De Vânara's liepen haastig op hem toe en onthulden hem dat Râma en Lakshmana nergens in het kamp te vinden waren. Heel even was Vibhishana diep bedroefd. Maar aangezien hij vertrouwd was met de bovennatuurlijke krachten van de Râkshasa's en de listige streken die zij daardoor konden leveren, vermoedde hij ogenblikkelijk wat de ware toedracht was van het geheime plan. 'Komaan, laat ons het kamp binnengaan', zei hij tot hen. Zijn reactie troostte hen enigszins. Toen hij Hanumân aansprak bij de poort was deze verbaasd en geschokt. Hanumân vroeg: 'Hoe is dit mogelijk? U bent zojuist nog door deze poort het kamp binnengegaan. U hebt mij zelf daarvoor toestemming gevraagd.' Nu werd Vibhishana alles duidelijk. Het stond hem helder voor de geest wat er was geschied. Hij sprak tot de Vânara's: 'Vânara's! Wees niet bekommerd. Ahiravana, Râvana's zoon, is een meester in dergelijke listen. Hij woont in Pâtâla, de onderwereld. Te oordelen naar de diepte van deze kuil, ben ik er zeker van dat hij het is die Râma en Lakshmana naar zijn eigen onderaardse verblijfplaats heeft ontvoerd. Ik heb daarover niet de minste twijfel, want niemand anders is in staat mijn gedaante aan te nemen. Wees niet ontmoedigd. Het zou het beste zijn als een van ons, die daartoe de macht heeft, zich naar die plaats begeeft.' Vibhishana keek om zich heen en toen hij Hanumân ontwaardde, sprak hij: 'Hanumân! Je kracht van lichaam en geest zijn wereldwijd bekend. Ga terstond naar Pâtâla en breng ons deze oceaan van genade, Râma en Lakshmana, weer terug.' Vibhishana beschreef tevens de route die Hanumân moest volgen om Pâtâla te bereiken. Sugriva, Angada en Jâmbavântha omhelsden Hanumân met tranen van vreugde.

Hanumân vroeg toestemming om te vertrekken aan zijn koninklijke meester Sugriva. Voordat hij op weg ging om zijn opdracht uit te voeren, zei hij tot de Vânara's: 'Wees niet bevreesd. Wees in het geheel niet bezorgd. Wie ik ook tegenover mij zal vinden, ik zal hem doden, al zou het mijzelf het leven kosten. Spoedig zal ik met Râma en Lakshmana voor je staan, wees daarvan overtuigd.' Met deze woorden en met de uitroep 'Jai Râma, Jai Râma', nam Hanumân afscheid. Toen hij het Pâtâla-gebied bereikt had, rustte hij even uit onder een boom. Hij hoorde dat er twee vogels boven hem zaten die luid met elkaar spraken. Hanumân kende de taal der vogels, dus luisterde hij naar hun gesprek. 'Mijn beste', sprak de ene vogel, 'Ahiravana heeft twee broers, Râma en Lakshmana, hierheen gebracht en heeft alle voorbereidingen getroffen om hen beiden te offeren aan de godin Kamada, op ditzelfde ogenblik. Na het offer zal hij de beide heilige lichamen wegwerpen. Wij zullen ons naar hartelust tegoed kunnen doen aan deze heilige lichamen. Deze dag is een feestdag voor ons.' Hanumân stond abrupt op van zijn plek onder de boom. Hij siste van woede, als een cobra die op zijn staart is getrapt en schoot naar voren als een reusachtige vlam. 'Ach! Ik heb angst om wat mijn Heer nu reeds kan zijn overkomen', jammerde hij. Hij benaderde de hoofdstad van Ahiravana. Reeds bij de toegangspoort moest hij vechten met Makaradhvaja, de wacht in de gedaante van een aap, en hem overmeesteren. Aangezien de wacht een soortgenoot voor zich zag, vroeg hij echter eerst naar diens afkomst en levensgeschiedenis. Hanumân slaagde erin zijn vertrouwen te winnen en hem bijzonderheden te ontfutselen over het lot van Râma en Lakshmana. Hij kwam bovendien te weten dat de broers in de ochtendstond naar de tempel van de godin Kamada geleid zouden worden om als menselijk offer aan de godin te dienen.

Hanumân vroeg Makaradhvaja, de apenwachter van Pâtâla, waar de wrede opperheer van de onderwereld de twee broers verborgen hield. Makaradhvaja gaf hem een nauwkeurige beschrijving van dat oord. Hij voegde er echter aan toe dat hij hem onder geen beding tot dat gebied zou toelaten, want hij moest zijn meester gehoorzamen en hem en zijn belangen loyaal verdedigen. 'Welk leed ik ook zal moeten verdragen, ik zal je niet binnenlaten', sprak hij. 'Als ik dat zou doen, louter omwille van de omstandigheid dat je een aap bent, zou ik mij daarmee onbetrouwbaar en ondankbaar tonen en zo de gehele apensoort onteren. Mijn heer Ahiravana is voor mij even aanbiddelijk als jouw Heer Râma dat is voor jou. Dus, hoe nauw verwant aan mij je ook mag zijn, ik zal wankelen nog afdwalen. Ik moet mijn plicht vervullen en zijn bevel uitvoeren. Je kunt slechts dan binnengaan nadat je mij in een tweegevecht hebt verslagen', sprak hij.

Hanumân had waardering voor zijn opvattingen en zijn plichtsbesef. Het stemde hem tevreden dat Makaradhvaja het juiste standpunt had ingenomen. Hij nam de uitdaging aan en bond de strijd met hem aan. Na enige tijd fel gestreden te hebben, besloot Hanumân dat het ongewenst was nog langer door te gaan. Dus wond hij zijn staart om het lichaam van Makaradhvaja heen en wierp hem ver weg. Hierna trok hij onverschrokken de hoofdstad binnen. Hij ontwaarde een bloemenverkoper die door de poort liep met een prachtige grote krans van welriekende bloemen. Toen hij besloten had dat hij zodoende de beste kans had de gewenste plaats te bereiken, nam hij eensklaps een onzichtbaar kleine vorm aan en nam plaats op de bloemenslinger. Die werd daardoor geen greintje zwaarder en de bloemenverkoper had geen idee wat er was geschied. Voor hem was er hoegenaamd niets veranderd. De krans werd aan Ahiravana persoonlijk overhandigd, die hem om de hals legde van het Kamada-beeld in de tempel. Hij offerde bovendien allerlei kostelijke spijzen als gewijd voedsel aan het beeld. Zodra hij, vanaf zijn positie op de krans om Kamada's hals, merkte dat het voedsel voor het beeld werd geplaatst, at Hanumân het op. De Râkshasa's zagen het verdwijnen en waren opgetogen dat hun godin zich verwaardigd had hun offerande te aanvaarden. Ook Ahiravana was tevreden bij de gedachte dat 'die dag zijn gebeden waren verhoord en hij het summum van geluk bereikt had'.

Intussen werden de broers Râma en Lakshmana binnengeleid met de versieringen waarmee men gewoonlijk offerdieren tooit. Reusachtige Râkshasa-krijgers hielden hen aan weerszijden aan hun armen vast. Hanumân zag hoe zij gedwongen werden naast het offeraltaar te gaan staan. Vanwaar hij zich bevond, boog Hanumân zich eerbiedig voor Râma en vulde zijn geest met liefde en verering voor Hem. De wachters plaatsten de broers recht voor het beeld en zetten scherpe zwaarden op hun keel. Ahiravana gebood dat het leven van de twee op het altaar geofferd zou worden, onmiddellijk na het zwaaien met de heilige vlam en dat zij zich gereed moesten houden om hun taak ogenblikkelijk uit te voeren.

Râma en Lakshmana, die in werkelijkheid goddelijke wezens waren die de rol van mens speelden, hadden ontdekt dat het Hanumân was die de offergaven had opgegeten die Ahiravana voor de godin had geplaatst. Deze wetenschap bracht hen ertoe de op handen zijnde gebeurtenissen blijmoedig onder ogen te zien. Het dreef Ahiravana tot razernij de broers zo luchthartig en glimlachend te zien. Hij sprak: 'Wel, als de luttele seconden die u nog te leven hebt, u zoveel vreugde verschaffen, zal ik u die niet misgunnen. Wees gelukkig zolang u kunt. Weldra kunt u glimlachen in het rijk van Yama, de god des doods.' Hij keek niet naar de broers, maar lachte om hun lot en bleef wrede woorden uiten om hen nog meer te pijnigen. Daarop verrees de priester die, na zijn meester eer te hebben bewezen, hem liet weten dat de politieke zedenwet vereist dat de slachtoffers toestemming wordt gegeven om, als ze dat wensen, te bidden tot hun beschermer om vrede na de dood. De Râkshasa-opperheer verrees voor zijn zetel en kondigde aan: 'Prinsen! Als er ook maar iemand is die begaan is met uw welzijn, dan is het nu de tijd om uw dankbaarheid daarvoor uit te spreken, aangezien het met uw leven in enkele seconden gedaan zal zijn.' Râma en Lakshmana keken elkaar in het gelaat en glimlachten.

Op dat ogenblik liet Hanumân een verschrikkelijk gebrul horen. Toen zij dat hoorden, veronderstelden de Râkshasa's dat hun godin zich had gemanifesteerd en uitdrukking gaf aan haar gramschap. Hanumân sprong van de bloemenkrans af, nam zijn angstaanjagende vorm aan en greep het zwaard dat de godin in haar hand hield. Met datzelfde zwaard sloeg hij Ahiravana neer en hieuw hem aan stukken. Doch diens lichaam was zo hard als diamant. Bovendien had hij eens een geheimzinnige gunst verworven, die maakte dat de stukken zich weer samenvoegden tot een geheel, zodra zij van elkaar gescheiden werden. Met Râma in zijn geest geprent en met de kreet 'Jai Râma', greep Hanumân tenslotte het hoofd met de ene hand en sneed met de andere Ahiravana's keel door. Voordat hoofd en romp zich weer konden samenvoegen, wierp Hanumân het hoofd in het laaiende vuur in de offerkuil voor het beeld van de godin Kamada.

Op datzelfde ogenblik slaagde Makaradhvaja erin, de tempel en het beeld van de godin te bereiken. Toen hij hem zag, nam Hanumân de gouden kroon van Ahiravana's hoofd en terwijl hij die op het hoofd van Makaradhvaja zette, riep hij hem uit tot heerser van Pâtâla en gaf hem de raad de broers eeuwig dankbaar te zijn en hun immer trouw en toegewijd te blijven. Met Râma en Lakshmana op zijn schouders gezeten, kwam hij met één sprong vanuit Pâtâla veilig terecht temidden van de Vânara-horden, die vurig verlangend naar hen uitkeken. Vibhishana was een van de velen die zijn vreugde niet kon bedwingen toen hij de broers gezond en wel voor zich zag. Zij wierpen zich aan de voeten van Râma en Lakshmana. Zij drukten Hanumân aan het hart en schreiden tranen van dankbaarheid. De Vânara's prezen Hanumân in duizend lofzangen. Zij droegen hem op de schouders, brachten hem voedsel en liefkoosden hem. Zij omhelsden hem en stortten hun liefde over hem uit. Vibhishana stond voor Râma en sprak: 'Heer! Wat moet ik zeggen over Uw lîlâ, uw goddelijk spel? U alleen kunt ons de betekenis van Uw handelingen openbaren. U bent op aarde gekomen met het vaste voornemen de Râkshasa's, zelfs die van de onderwereld, uit te roeien. Ik weet dat dit hele toneelspel ten doel heeft dat plan te verwezenlijken.' [luister naar een loflied voor Hanumân - tekst en zie ook S.B. 5.19: De Gebeden van Hanumân en Nârada en de Glorie van Bhârata-varsha]

Het kwam Râvana ter ore dat Râma en Lakshmana door Hanumân waren teruggebracht uit het koninkrijk van Ahiravana. Hij kreeg tevens het tragische bericht van de dood van zijn zoon Ahiravana. Hij zeeg ineen en viel op de grond. Luid en langdurig beweende hij zijn verlies en uit zijn ogen vloeide een stroom van tranen. Koningin Mandodari zocht hem op en deed haar uiterste best om hem te troosten en zijn smart te verlichten. Hij nam haar woorden niet ter harte, maar werd daarentegen steeds razender door haar vriendelijke raadgevingen. Râvana verzamelde moed en stond plotseling op om een minister te woord te staan die zich bij hem had aangediend. Zijn naam was Sindhuranatha. Hij was een hooggeacht, wijs staatsman en hoogbejaard. Eens onderhield hij nauwe betrekkingen met Vibhishana, toen deze nog in Lankâ verbleef. Hij gaf Râvana goede raad omtrent allerlei deugden en zedelijke beginselen en de vergankelijkheid van mens en materie. Râvana sloeg geen acht op zijn woorden en hoorde ze zelfs met duidelijke afkeer aan. De minister was bedroefd toen hij zag hoe Râvana reageerde. Hij dacht: 'In tijden van tegenspoed wordt ook het verstandelijk vermogen verwrongen. Arme Râvana! Hij gaat zijn ondergang tegemoet en daarom klinkt zelfs vriendelijk advies hem hatelijk in de oren.' Toch zette hij uit mededogen zijn welwillende raadgevingen voort.

Râvana zei bij zichzelf: 'Al mijn vrienden en verwanten zijn afgeslacht. Niemand van hen is nog in leven.' Op dat ogenblik sprak een oude minister: 'Waarom zegt u dat? U hebt nog een zoon, Narantaka, die leeft en 720 miljoen Râkshasa's bij zich heeft. Vraag hem om hulp en zend onmiddellijk een boodschapper naar hem toe. Hij is in staat de vijand te vernietigen, wees daarvan overtuigd.' Râvana raakte opgetogen bij deze woorden. Hij zond de boodschapper, genaamd Dhoomakethu, met de opdracht de schrandere Narantaka mee terug te brengen. De bode beschreef de tragedie die Lankâ had getroffen en bracht het dringende verzoek om hulp van Râvana over. Narantaka begaf zich terstond op weg met zijn horden en zodra hij het slagveld bereikte, stortte hij zich op de Vânara-strijdkrachten. Hanumân zag hem van verre aankomen en ging hem tegemoet. Toen Narantaka Hanumân in zijn verschrikkelijke gedaante aanschouwde, sloeg de angst hem om het hart. Hij vroeg aan Dhoomakethu wie dat was. Deze vertelde hem dat het Hanumân was, de onoverwinnelijke held, die al zijn broers had gedood. Toen hij dit hoorde, viel Narantaka nog feller aan en schoot de ene na de andere pijl op Hanumân af. Deze ving echter alle pijlen in zijn hand op en brak ze in stukken. Hij kwam heel dicht bij Narantaka staan en stompte met zijn gebalde vuisten hard op diens borst. Toen tilde hij hem op, draaide hem enige malen snel in het rond en wierp hem in de diepte van de onderwereld, in een streek genaamd Rasâtala [S.B. 5.24: 30]. Miljoenen van zijn Râkshasa-volgelingen werden in de zee geworpen. Hanumân sloeg de strijdwagens van Narantaka tot gruizels en doodde tevens de wagenmenner.

Hoofdstuk 10: Râvana's tien Hoofden worden Afgehouwen

Toen Râvana het nieuws over dit bloedbad vernam, riep hij uit: 'Wie had ooit kunnen denken dat de oorlog op deze wijze zou eindigen? Wie had ooit een dergelijke catastrofe verwacht?' De tijding van Narantaka's dood zaaide paniek in Lankâ. Menig wijze geleerde bezocht Râvana, de rouwende vader, en trachtte hem te troosten en te bemoedigen. Het was echter vergeefse moeite, want hun woorden vonden geen weerklank in de hoofden van Râvana. Toen hij zich enigszins hersteld had, hoorde hij het gejammer van Narantaka's gemalin, hetgeen zijn woede weer aanwakkerde. In het vuur van zijn wraakzucht en toorn verloor hij zijn zelfbeheersing. De nacht vergleed en de nieuwe dag brak aan zonder dat Râvana het opmerkte. De Vanara's verzamelden zich aan de vier stadspoorten en maakten zich zoals gewoonlijk gereed ze te bestormen en de stad binnen te gaan. Râvana riep de Râkshasa-krijgers bijeen en richtte zich tot hen met de volgende woorden: 'Soldaten! Als je hart beeft in het vooruitzicht van de strijd, doe je er beter aan de gelederen onmiddellijk te verlaten. Vlucht niet tijdens het gevecht, want als je dat doet zal ik je eigenhandig ombrengen.' Hij dacht dat ze na dit dreigement wel tot het uiterste zouden strijden. Toen gaf hij het bevel hem de snelste strijdwagen te brengen. Tevens moest op de trommels worden geslagen en op de trompetten worden geblazen. Als bergtoppen die de lucht verduisteren, marcheerden de Râkshasa-krijgers voorwaarts in gesloten gelid. Zij werden overvallen door een reeks slechte voortekenen, maar Râvana, snoevend over zijn fysieke kracht, sloeg er geen acht op. De wapens die hij vasthield, glipten uit zijn handen. De wagenmenner viel van zijn zitplaats. De olifanten en paarden op weg naar het slagveld maakten klagelijke geluiden. Rondom jankten de honden en vossen in een kakofonie van verdriet. Uilen krasten onheilspellend, alsof zij de doem aankondigden die over Lankâ lag.

De Râkshasa-legers, voetvolk, krijgers te paard en op olifanten, marcheerden voorwaarts om de strijd aan te gaan met de vijand aan de poorten. De aarde beefde onder het harde gedreun van de krijgsmacht. De grootsheid van dat leger was niet te beschrijven. De krijgsmacht onder bevel van Râvana was even luisterrijk als het leger dat jaarlijks wordt aangevoerd door de lentegod, met al zijn kleurenpracht, muziek en vreugde. Rondom hoorde men het spel van trommels, trompetten, hoorns en fluiten in een groots vertoon van heldenmoed en avontuur.

De apen en beren waren intussen hun aanval begonnen en wierpen zich op de Râkshasa's als een menigte kolossen die gekortwiekt waren door de pijlen van een of andere vreemde macht. Zij vielen de Râkshasa's aan als waren zij dienaren van de dood. Hun doeltreffendste wapens waren hun tanden en nagels. Zij wierpen heuvels en reusachtige bomen op hun tegenstanders. Met hun leeuwachtig gebrul, 'Aan onze Heer Râma de victorie', deden zij de olifantsharten van de Râkshasa's sidderen van doodsangst. Weldra veranderde de strijd in een reeks tweegevechten tussen Vanara's en Râkshasa's. De kreet 'Aan Râma de overwinning' werd beantwoord met de uitroep 'Aan Râvana de zege.' De Râkshasa's vochten als afgezanten van de dood. De Vanara's bloedden uit vele wonden. Met hun vuisten sloegen zij hard op de vijand in. Met hun tanden reten zij hen aan stukken en met hun voeten trapten zij hen in de ribben. Zij grepen de Râkshasa's beet, rukten hun ingewanden eruit en droegen die om hun nek. Râvana zag in paniek toe hoe zijn leger op grote schaal werd afgeslacht. Hij nam zijn boog ter hand en schoot pijlen af op de soldaten van zijn leger die het vege lijf trachtten te redden en het strijdgewoel ontvluchtten.

Het moedigde de Vanara's aan om te zien hoe zijn woede werd opgewekt door zijn eigen krijgers. Zij slaakten luide vreugdekreten en stormden in groten getale op Râvana af. Zij bestookten hem met bergtoppen en bomen. Râvana spoorde de soldaten om hem heen aan standvastig te blijven. De daarop volgende plotselinge stormloop was de Vanara's te machtig en zij vluchtten in alle richtingen. Zij riepen klagend: 'O, heer Sugriva! Sugriva red ons, kom ons te hulp.' Hemel en aarde werden verduisterd door de regen van pijlen die Râvana afschoot. De Vanara's renden naar de uithoeken van het land. In het kamp regeerde de chaos. Toen Lakshmana deze ontwikkelingen opmerkte, maakte hij zich op voor de strijd en bewapende zich met zijn boog en pijlenbundel. Nadat hij zich voor Heer Râma ter aarde had geworpen en door Hem was gezegend, begaf hij zich naar het slagveld.

Lakshmana sprak Râvana aan en zei spottend: 'Jij schurk! Wat hoop je te winnen bij het afslachten van apen en beren? Kijk mij aan, zoals ik hier voor je sta, als de dood zelf, als de geest van de tijd, die gekomen is om je aardse loopbaan te beëindigen.' Râvana antwoordde: 'O, zou ik jou niet kennen? Jij bent degene die mijn zoon heeft omgebracht. Ik heb dagenlang naar jou uitgezien. Mijn hart zal slechts vertroosting vinden als ik je deze dag dood.' Râvana schreeuwde en liet scherpe pijlen op Lakshmana los. Hij wist ze echter af te weren en in duizend splinters te breken. Lakshmana's eigen vurige pijlen die hij op Râvana afschoot, sneden zowel zijn strijdwagen als zijn wagenmenner aan stukken. De dodelijke pijlen die Lakshmana met honderd en meer tegelijk door de lucht liet suizen, troffen doel in Râvana's gelaat en op zijn borst. Hij stortte ter aarde toen hij door de inslag en van de pijn het bewustzijn verloor. Niettemin herstelde hij zich snel, stond op en richtte razend van woede het machtige en verschrikkelijke werptuig op Lakshmana, dat hem was geschonken door de eerste der Drie-eenheid, Brahmâ zelf. Toen hij erdoor getroffen werd, rolde Lakshmana op de grond. Hanumân zag hem vallen en liep haastig naar Lakshmana toe, onderwijl verwensingen schreeuwend naar Râvana. Râvana bracht daarop Hanumân een formidabele vuistslag toe. Het duizelde Hanumân van de pijn, maar hij wist zich staande te houden. Hij sloeg terug met een klap, die de slag van Râvana in kracht overtrof. Râvana zei bij zichzelf: 'Moge de vuist van dat schepsel tot as verbranden. Ik had nimmer kunnen dromen dat een apenvuist zulk een donderslag zou kunnen toedienen.'

Lakshmana was intussen bijgekomen uit zijn bezwijming en hij verrees, gereed voor de strijd. Râvana, die opnieuw het bewustzijn had verloren, moest in een andere strijdwagen geholpen worden. Zijn wagenmenner stuurde de wagen listig in de richting van Lankâ. Zodra zij daar aankwamen, kwam Râvana weer tot bewustzijn. Hij gebood dat een ritueel volvoerd zou worden, patalahoma (ritueel om de overwinning te bereiken) genaamd, dat moest leiden tot de grootst mogelijke vernietiging en hem moest verzekeren van de overwinning, zodat hij de vijand aan zijn poorten kon verslaan.

Hoe kon hij zó dwaas zijn! Zou hij ooit kunnen zegevieren in een gevecht met Râma? Degenen die namens Vibhishana Râvana bespioneerden, stelden hem op de hoogte van de voorgenomen patalahoma en hij werd dus tijdig gewaarschuwd. Vibhishana begaf zich onmiddellijk naar Râma, wierp zich aan zijn voeten en sprak: 'Heer! Râvana voert nu een zelfde ritueel uit als dat waaraan Meghanada indertijd is begonnen. Ook deze ceremonie moet door de apen worden bezoedeld en ontheiligd, om te verhinderen dat Râvana, zoals hij hoopt, baat zal vinden bij dit offer. Indien deze homa (offerande van geklaarde boter (ghee) in het vuur) zonder onderbreking tot een goed einde wordt gebracht, zal het buitengewoon moeilijk worden om Râvana te verslaan.' Even later brak de morgen aan. Op Râma's bevel begaven Angada en Hanumân, gevolgd door een grote schare Vanara's, zich naar de offerplaats. Vrolijk dansend en springend omsingelden zij het paleis van Râvana. 'Heiligschennende offeraar! Eerst de strijd ontvluchten en thuis een veilig heenkomen zoeken en dan zit u nu genoeglijk te mediteren?' Angada waagde het dichtbij Râvana te komen en hem een schop te geven. Râvana nam, ter voorbereiding van de ceremonie, de stilte in acht en verzonk in 'meditatie'. Zelfs de kleinste beweging of falende aandacht zou hem ongeschikt en onheilig maken, zodat de homa die hij wilde volvoeren om de overwinning te behalen, vruchteloos zou worden. Angada en de apen veroorloofden zich allerlei vrijpostigheden jegens hem en enkelen zetten zelfs hun tanden in Râvana en trokken aan zijn haar. Toen was de maat vol. Râvana ziedde van woede. Hij stond op, greep een paar apen, zwaaide ze rond boven zijn hoofd en trachtte hen tegen de grond te smakken. Hij kon zich echter niet meer verroeren. Deze ervaring vernederde hem des te meer. Weldra ontstond een duchtige vechtpartij tussen Râvana en de Vanara's. De voorgenomen rituele plechtigheid kon geen doorgang vinden. Râvana verzonk in diepe droefheid.

Râma werd van de laatste ontwikkelingen op de hoogte gesteld. Vibhishana en zijn bondgenoten waren verheugd dat hun strategie met succes was beloond. Râvana was bitter teleurgesteld dat hij er niet in geslaagd was de yaga uit te voeren. Hij voelde het echter als zijn plicht wederom het slagveld te betreden. Zodra hij zijn paleis verliet, ontmoette hij slechte voortekenen. Haviken vlogen af en aan om zijn hoofd en handen en zijn kroon gleed van haar plaats. Hij gaf bevel de krijgstrommels te slaan en de krijgstrompetten te blazen. Honderdduizenden Râkshasa's verzamelden zich toen dat signaal werd gegeven. Het leger trok op om een dodelijke strijd tegen Râma te voeren. Râma rustte zich uit met zijn pijlenkoker en nam de boog ter hand. Met zijn lange armen en brede borst stond de belichaming van bekoorlijkheid in al zijn glorie op het slagveld, een toonbeeld van heldenmoed en kracht. Hoog in de lucht kwamen de goden bijeen en bewezen eerbiedige hulde aan Hem die de mensheid van de Râkshasa-horden zou verlossen. Het Vanara-leger volgde Râma, in volmaakte slagorde opgesteld en bedacht op Zijn bevel. Gelijk de donderspuwende wolken die alles verzwelgende overstromingen op aarde brengen op de dag van de zondvloed, marcheerden de Vanara-horden snel op tegen de Râkshasa-krijgsmacht, vastbesloten de vijand te verdelgen. De bergtoppen die de krijgers naar de Râkshasa's wierpen, vielen met donderend geraas op hen neer. In minder dan geen tijd waren de strijdwagens, olifanten en paarden van de Râkshasa-legers verpletterd. Duizenden Râkshasa's stortten ter aarde. Bloed vloeide in stromen en Râvana verloor al zijn krijgers. Hij voelde zich verlaten en niet opgewassen tegen de overmacht van beren en apen. Hij besloot daarom zijn magische vermogens aan te wenden. Hij was van plan zijn toverkunsten toe te passen op iedereen, behalve Râma, maar Râma besliste anders. Het was door zijn wil dat Râvana, waar hij zich ook wendde of keerde een zee van Vanara-horden tegenkwam, met Râma en Lakshmana voorop als hun aanvoerders. Dit deed Râvana beseffen dat zijn magie niets kon uitrichten. Kort daarop riep Râma de Vanara's bij zich en sprak in diepe rust: 'Je bent allen uitgeput door de lange en zware strijd. Ga even rusten. Wacht nu de strijd af tussen Râma en Râvana.'

Nauwelijks had Râma deze woorden gesproken, of Hij kwam oog in oog te staan met Râvana die uitdagend brulde. Daarop glimlachte Râma en sprak op zachte toon: 'Dwaas! Luister eerst naar mijn raadgevingen omtrent moraliteit.

Er zijn drie soorten mensen op de wereld: de eerste is als de patali-boom (trompet-bloem boom), met prachtige bloesems, die zich echter niet tot vruchten ontwikkelen. Degenen die naar hartelust spreken en geen zier van dat wat zij zeggen ten uitvoer brengen, zijn van dit type. De tweede groep is als de bananenboom, die zowel bloemen als vruchten draagt. Zij die spreken en handelen en hun beweringen in praktijk brengen, zijn van deze soort. Het derde type is als de broodboom: enkel vruchten. Het beste soort mensen geeft zich niet over aan ijdel gepraat, opsnijderij of verheven taal. Zij zijn stille werkers die zonder grootspraak handelen. Jij bent niets dan een pocher. Je immorele heerschappij heeft je ras naar de ondergang geleid.'

Râvana was niet in de stemming om zich deze aantijgingen te laten welgevallen. Hij sprak: 'Wat nu? Wil je mij de les lezen?' En hij overstelpte Râma met beledigingen. Plotseling schoot hij een bundel pijlen op Râma af, die hard aankwamen. Râma antwoordde met zijn 'vuurpijl'. Door Râma's wapen werden de pijlen van Râvana tot as verbrand. Râvana richtte miljoenen scherpgekante werpschijven en drietandige speren op Râma en hoopte daarmee Râma uit te schakelen. Maar het had geen effect. Râma hief daarop zijn geduchte boog en schoot een stroom van dodelijke pijlen af, die recht op Râvana afvlogen als onweerstaanbare boodschappers des doods en als cobra's die reikhalzen om hun dodelijk gif toe te dienen. Râma merkte op dat, zodra zijn pijl één hoofd had afgesneden, er een ander voor in de plaats groeide. Râvana negeerde zijn naderende dood en werd beheerst door hoogmoed. Hij daagde Râma triomfantelijk uit. Het bood een afschuwelijke aanblik. De hoofden rolden op de grond en schreeuwden: 'Waar is die Râma? Waar is Lakshmana? Waar is die Sugriva?' De hoofden die nog aan de romp vastzaten, vroegen knarsetandend naar Vibhishana en voegden hem talloze beledigingen toe. Zij spraken: 'Broer van mij! Het is een schande dat je op het nieuws van je broers dood zit te wachten, opdat je diens troonopvolger kunt zijn! Je bent geen held, je bent een laffe asceet. Je moest je schamen. Niemand zou je nog moeten aankijken.' Weldra verschenen de hoofden weer terug bij Râvana.

Râma vocht uit alle macht en met ongeëvenaarde moed. Lakshmana, Sugriva en Angada sloegen Hem met bewondering gade. Tenslotte besliste Râma dat het einde van Râvana niet langer uitgesteld moest worden. Zijn slechte daden vermenigvuldigden zich met de dag. Nala, Nila en andere Vanara-helden wierpen rotsblokken naar Râvana en brachten hem vele verwondingen toe. Doch toen viel de schemering in en was het met de strijd voor die dag gedaan. Die avond zat Thrijata bij Sîtâ en beschreef haar de strijd tussen Râma en Râvana. Zij vertelde haar hoe er, telkens wanneer Râma een hoofd had afgehouwen, een ander voor in de plaats groeide. Sîtâ verbleekte bij deze tijding en verzonk in droefheid. Thrijata was verbaasd over deze reactie en sprak: 'Geef niet toe aan uw bezorgdheid. Râvana koestert uw vorm in zijn hart, dat is de reden dat zijn hoofden weer aangroeien.' Haar woorden maakten Sîtâ gelukkig en treurig tegelijk. Thrijata haastte zich eraan toe te voegen: Sîtâ, twijfel niet. Râvana's einde is nabij. Râma zal zegevieren. Ook Râma denkt aan u bij elke pijl die Hij afschiet en ook Hij heeft uw vorm in Zijn hart. Râvana's einde wordt dus uitgesteld tot het ogenblik daar is dat u even niet in zijn gedachten bent. Dat ogenblik zal zijn ondergang betekenen. Hij zal dan onmiddellijk worden gedood.'

Râvana vulde de volgende dag van de strijd met zijn magische kunsten. Het slagveld wemelde van zijn scheppingen: spoken, griezelige wezens en demonen met pijl en boog. Vrouwelijke geesten dansten in het rond met in de ene hand een zwaard en in de andere een schedel waaruit zij bloed dronken. 'Grijp hem', 'sla hem', 'dood hem', krijsten zij. In welke richting de Vanara's ook oprukten, stuitten zij op hoge muren van vuur. De apen en beren waren ontzet. Een dichte zandregen viel zonder ophouden neer op de Vanara-legers. Râvana brulde van leedvermaak om de benarde toestand van zijn vijand. Lakshmana, Sugriva en sommige anderen waren niet langer in staat om te vechten. De krijgers smeekten Râma op meelijwekkende toon om hen te hulp te komen. Râma werd bestormd door vele 'Hanumân-creaties' van Râvana's toverkunst. Elke 'Hanumân' droeg enorme bergtoppen met zich mee en deed bovendien pogingen om Râma met zijn staart vast te binden! De staarten kronkelden en groeiden vele mijlen naar alle kanten. Doch Râma straalde onbekommerd en ongedeerd, blauw als een pas ontloken bloem, temidden van de slachting en de verwarring. Hij wist dat alles slechts het kwetsbare, kortstondige voortbrengsel was van Rakshasa-magie. Hij lachte bij zichzelf om Râvana's inspanningen Hem te misleiden. Met een enkele pijl uit zijn boog deed Râma alle uitwerkingen van die magische vermogens teniet. De apen en beren zagen de angstaanjagende verschijnselen in luttele seconden verdwijnen en waren zeer verheugd. Zodra één van de fenomenen werd getroffen door Râma's pijl, smolt het weg als sneeuw voor de zon. De Vanara's sprongen om Râvana heen en deden een hagelbui van keien op hem neerdalen. Toen koos Râma een scherpe pijl uit en schoot die recht op Râvana af. De pijl sneed een van Râvana's hoofden af. Op dezelfde plek groeide onmiddeIlijk een ander. Dit herhaalde zich keer op keer. Râma sloeg het vermakelijke schouwspel gade en scheen er genoegen in te scheppen. Hij dacht aan de natuurwet dat hebzucht de plaats inneemt van gewin, want zodra men iets heeft gewonnen, wordt de zucht naar meer geboren. Hij stelde zich het afgehouwen hoofd voor als gewin en het groeiende hoofd als hebzucht!

De strijd die volgde tussen Râma en Râvana werd gevochten met onvergelijkbare en onovertroffen felheid. Men zegt dat de oceaan is als de oceaan en de hemel gelijk de hemel. Zij kunnen niet vergeleken worden met enig ander fenomeen. Evenzo heeft de strijd tussen Râma en Râvana slechts in diezelfde strijd zijns gelijke. Hij duurde achttien dagen lang. Het gevecht was in het geheel niet afmattend voor Râma. Voor Hem was het een spel, een tijdverdrijf! Er restten nog enkele dagen aleer de veertienjarige verbanning ten einde zou zijn. Râma kon het zich daarom veroorloven zich met het oorlogsspel bezig te houden. Als Râma tot de finale besloten heeft, hoe zou Râvana dan zijn einde kunnen uitstellen of Râma's besluit veranderen?

Toen de toegewezen dagen voorbij waren, spande alles samen om slechte voortekenen voor Râvana te scheppen. Honden en vossen jankten, ezels balkten. Vogels krasten en wilde dieren brulden klagelijk. Vuurbollen vielen uit de hemel en plotselinge steekvlammen waren in alle windrichtingen te zien. Het hart van Mandodari, de koningin, klopte luid en snel. Alle beelden in huizen en tempels op het eiland stortten een vloed van tranen. Toen zij deze onheilstekenen gewaarwerden, wisten de goden dat het einde van de Râkshasa's nabij was. Zij kwamen in de hemel bijeen om getuige te zijn van de triomf van rechtschapenheid, terwijl zij 'jai, jai' juichten en de overwinning verwelkomden.

Tenslotte richtte Râma een bundel van eenendertig pijlen tegelijk op Râvana, die als dodelijke cobra's op hem afschoten. Een ervan doorboorde de 'pot met nectar' die Râvana onder zijn navel had. De andere dertig sneden zijn hoofden en armen af. Toen de hoofden en ledematen op de grond rolden, sprongen zij nog een tijdje in het rond in een uitzinnige dans en bleven daarna stilliggen. Aldus verloor Râvana zijn leven maar bereikte de hemel. Die dag was de veertiende van de lichte periode in de maand chaitra (maart-april).

Op dat ogenblik weergalmde de lucht van een grote menigte hemelse trommels. De luisterrijke geest van Râvana ging op in Râma. Bij die aanblik werden de Vanara-krijgers vervuld met verwondering. Zij waren vol ontzag voor de heldenmoed waarmee Râma achttien dagen lang tegen Râvana had gestreden. Eenstemmig riepen zij uit: 'Victorie, aan Râma de victorie.'

Bij het vernemen van Râvana's dood viel Mandodari bezwijmd op de grond. Zodra zij zich enigszins hersteld had, spoedde zij zich met haar dienaressen naar het dode lichaam van Râvana en weeklaagde luid. Zij raapte de hoofden bijeen en werd door droefheid overstelpt over het tragische lot van haar heer. Zij haalde dierbare herinneringen op aan Râvana's heldendaden van weleer.

'Heer! U overweldigde en onderwierp de ganse schepping. Heersers uit alle windrichtingen lagen aan uw voeten en smeekten om uw bescherming. Wat heeft al die glorie u gebracht? Wat voor nut hebben uw boetedoening en ascese gehad, want ondanks alle macht die u had veroverd, moest u dit lot ondergaan. Zodra u zich van Râma afkeerde, tekende u uw eigen doodvonnis. U kon de influisteringen van de zinnelijke begeerte niet weerstaan. Hij die een slaaf wordt van zijn lusten, kan zijn gerechte straf niet ontgaan, al ware hij zo machtig als de god des doods, Kala zelf. U kon dit tragische einde niet ontlopen, doordat de begeerte u had verblind. Het leidde ertoe dat u Râma veronachtzaamde en dit onheil over uzelf afriep. Râvana! Râma is op aarde gekomen met het doel het woud van Râkshasa's verdorvenheid met het vuur van Zijn toorn te vernietigen. Ik heb u dit meermalen onthuld, doch het wrede lot maakte u doof voor mijn smeekbeden. Ik zei u dat Râma geen gewone sterveling is. U was zo dwaas op uw fysieke kracht te vertrouwen en op uw schranderheid, uw onmetelijke rijkdom en het enorme aantal Râkshasa's over wie u heerste. Heb ik u niet gesmeekt, terwijl ik uw voeten vasthield, u over te geven aan Râma, de oceaan van genade, en zodoende de Râkshasa's voor vernietiging te behoeden? Mijn smeekbeden waren u niet welkom. U was voortdurend bezig anderen onrecht aan te doen en die bezigheid verschafte u veel genoegen. Zelden deed u een poging anderen tot nut te zijn. U was immer geneigd tot zondige daden en gedachten. Desondanks heeft Râma u gezegend en uw ziel in Hem doen opgaan. Hoe groots en diep is Zijn mededogen! U stierf door Zijn toedoen. Dat is een geluk dat slechts weinigen beschoren is. Râma kwam op deze aarde in menselijke gedaante met het vooropgezette doel u te doden. De koninklijke weg naar de vernietiging van het Râkshasa-ras werd door de heerser van de Râkshasa's zelf geplaveid! Dit zal als uw grootste prestatie te boek staan! Dit is het ultieme voorbeeld van uw beschermende kracht! Is dit het uiteindelijke resultaat van al uw ascese en spirituele oefening? Râma! Hebt u zo gehandeld om aan te tonen dat niemand kan ontsnappen aan de gevolgen van zijn daden? Hoe zou er een beter voorbeeld van die wet kunnen zijn? Het onheil dat Râvana heeft aangericht, is voor iedereen een duidelijke les.' Gezeten naast haar heer weeklaagde Mandodari lange tijd.

Mandodari's wijsheid had haar doen beseffen dat Râma Parabrahma zelf was, de universele Alziel, het Absolute. De goden die haar gadesloegen waren opgetogen over haar zienswijze en geesteshouding in haar uur van smart. Vibhishana werd ontroerd door Mandodari's klaagzangen en bevestigde de juistheid van haar uitspraken en gevoelens. Râma en Lakshmana gingen naar Vibhishana toe en troostten hem. Zij gaven hem opdracht de dodenriten te volvoeren voor zijn gestorven broer. Gehoorzamend aan dat bevel, voerde Vibhishana alle voorgeschreven riten en rituelen uit, op de juiste plaatsen en met passend ceremonieel. Mandodari en enkele andere vrouwen brachten wateroffers, geheiligd door mantra's en sesam. Elk onderdeel van het dodenritueel werd door Vibhishana in de juiste volgorde uitgevoerd, zonder enige hapering of verstoring terwijl hij al die tijd door Râma werd bemoedigd en getroost. Râma zei dat Râvana werd gedood toen de vervloekingen die hij over zichzelf had afgeroepen, waren gerijpt en zich hadden voltrokken en daarom was er geen reden om over zijn dood te treuren.

Râma ontbood Lakshmana, Sugriva, Jâmbavânta en Angada en verzocht hun zich met Nala, Nila en enige anderen naar de hoofdstad te begeven om Vibhishana tot keizer van Lankâ te kronen. Hij drong er bij hen op aan haast te maken, want de veertienjarige periode van verbanning die zijn vader Hem had opgelegd, zou de volgende dag eindigen. Doch Vibhishana protesteerde en vroeg smekend: 'Waarom zou ik een keizerrijk van node hebben? Ik bid U, laat mij in de tegenwoordigheid van Uw lotusvoeten mogen blijven. Vanaf deze dag is Lankâ van U. Beschouw Lankâ als een deel van Ayodhyâ', drong hij aan. Râma was het echter niet met hem eens. Hij lichtte menig politiek principe nader toe en verklaarde dat Zijn bevel onherroepelijk was. Toen smeekte Vibhishana dat Râma hem eigenhandig tot keizer mocht kronen. Râma antwoordde: 'Nee. Dertien jaren, elf maanden en negenentwintig dagen lang heb ik mijn vaders bevel opgevolgd. Het zou niet juist zijn op de allerlaatste dag er tegenin te gaan. Mijn verbanning was zijn wens en het is een banneling niet geoorloofd enige stad of nederzetting te betreden. Dit voorschrift is u niet onbekend.' Na deze woorden zegende Hij Vibhishana en gaf Lakshmana opdracht naar de hoofdstad te gaan en daar Vibhishana tot keizer van Lankâ te kronen. Na het hoofd te hebben gebogen in aanvaarding van deze opdracht, begaven Lakshmana, Sugriva, Angada, Nala, Nila en hun gevolg zich naar de hoofdstad en het paleis. Daar aangekomen, kroonden zij Vibhishana en brachten op zijn voorhoofd het gunstige teken van moreel gezag en wettige macht aan. Vibhishana wierp zich ter aarde voor de aanwezige Vanara's en betuigde zijn erkentelijkheid voor hun vriendschappelijke hulp. Hij beloofde het werkelijke doel van zijn leven te verwezenlijken door hun goede voorbeeld te volgen en baat te zoeken bij hun ondersteuning. 'Ik zal over dit land regeren als Râma's instrument en zal het niet als het mijne aanvaarden. Ik heb mij reeds geheel en al toegewijd aan Râma.' Hij gevoelde een groot verdriet toen hij terugdacht aan de wreedheden en het onrecht aan de Vanara-horden begaan door Râvana en diens zonen en krijgers. Hij troostte zich evenwel met de gedachte dat alles wat was geschied, het 'spel' was geweest van de 'opperste wil' van Râma. Weldra begaven allen zich naar Râma en wierpen zich aan zijn voeten in eerbiedig huldebetoon.

Toen riep Râma Hanumân bij zich en sprak: 'O, Hanumân, ongeëvenaarde held! Ga voor mij nog eenmaal naar Lankâ en stel Sîtâ op de hoogte van alle gebeurtenissen en keer terug met betrouwbare berichten over haar toestand.' Bijgevolg ging Hanumân de hoofdstad binnen, begaf zich naar de plaats waar Sîtâ zich bevond en wierp zich aan haar heilige voeten. Zij vroeg hem: 'Zijn Râma en Lakshmana in veiligheid met hun Vanara-legers? Is Râma, de oceaan van mededogen, ongedeerd en gelukkig?' Hanumân antwoordde met de handpalmen tegen elkaar en met gebogen hoofd: 'Râma is in ieder opzicht gezond en wel. Hij heeft Râvana gedood en Vibhishana tot keizer van Lankâ laten kronen.' Sîtâ was verheugd bij de tijding van Râma's overwinning en Râvana's ondergang. Haar gelaat lichtte op van vreugde en haar hart sprong op van grote blijdschap. Vreugdetranen stroomden over haar wangen. 'O, leider der Vanara's! Wat kan ik je ten geschenke geven voor het overbrengen van deze heerlijke boodschap? Er is niets wat de troostende woorden die je zojuist hebt gesproken in waarde kan evenaren', sprak zij. Hanumân antwoordde: 'Moeder! De door u getoonde gelukzaligheid, uw opbloeiende vreugde, zij betekenen voor mij evenveel als wanneer ik de drie werelden als geschenk had ontvangen. Wat kan ik nog meer verlangen? Hoe kan men groter rijkdom van node hebben dan het fortuin om Râma te zien als zegevierend over de vijand en gelukkig met zijn broer?' Met deze woorden wierp hij zich nogmaals aan Sîtâ's voeten. Sîtâ sprak: 'O, beste onder de Vanara's! De afgelopen tien maanden was ik aan vertwijfeling ten prooi, omdat ik van mijn Heer gescheiden was en ik daardoor volkomen van de buitenwereld was afgesneden. Ik weet niet welke dag van de week het vandaag is, noch of het de lichte of donkere helft van de maand is, of welke dag in die periode. Hoe dat ook zij, jij hebt me de meest welkome en gelukkige tijding gebracht. Ik zal deze dag daarom Mangala-dag noemen (hoewel hij doorgaans anders zal heten; het was een dinsdag), hetgeen betekent de dag die voorspoed en blijdschap bracht. Moge deze dag geheiligd zijn en moge jij, Hanumân, de brenger van deze tijding, deze dag in het bijzonder worden vereerd, meer dan op enig andere dag van de week.' Hierop wierp Hanumân zich aan haar voeten en stond daarna met de handpalmen tegen elkaar voor Sîtâ. Zij vroeg smekend aan Hanumân: 'Vraag namens mij om de gunst de belichaming van bekoorlijkheid en mededogen, mijn Heer Râma, te mogen ontmoeten. Weet u wel dat al dit vechten en doden in de oorlog om mijnentwille is geschied, opdat ik weer met mijn Heer verenigd zou worden? Neem mij spoedig met u mee naar de lotusvoeten van Râma', sprak zij treurig.

Hanumân kon de zielenpijn niet verdragen die uit Sîtâ's woorden klonk. Hij nam een reuzensprong en was in een ommezien bij Râma, aan wie hij alles vertelde wat er tijdens de ontmoeting was voorgevallen. Râma riep Angada, Vibhishana en enkele andere Vanara's bij zich en zei hun zich naar de plaats te begeven waar Sîtâ zich bevond en haar met alle eerbetuiging naar Hem te brengen. Zij gingen naar de Asokavana waar zij zo lang gevangen was gehouden. Vibhishana stelde voor dat Sîtâ zich zou baden, zich kon kleden in fijne zijden gewaden en zich tooien met juwelen aleer zij de Asokavana verliet. Maar Sîtâ verwierp zijn voorstel en sprak: 'Râma is mijn kostbaarste juweel. Dat ene juweel is mij genoeg. Hem te aanschouwen is het bad dat mij voldoening zal schenken. Mijn teraardewerping voor Hem is mijn zijden kleed. Ik wens niets te dragen dat eens aan Râvana toebehoorde.' Vibhishana werd ontroerd door de intensiteit van haar verlangen. Hij verzocht de dienaressen haar wensen te eerbiedigen. Ook zij zeiden dat Sîtâ wanhopig verlangde naar de darshan van haar Heer.

Weldra werd een draagstoel gebracht, waarin Sîtâ plaatsnam. De Vanara's droegen de palankijn op hun schouders. Aan weerszijden van de weg stonden de Râkshasa-vrouwen die de oorlog hadden overleefd, Vanara-krijgers en vele anderen, die dansten van opwinding toen Sîtâ langskwam. Zij stonden op de toppen van hun tenen en sprongen zelfs hoog op om haar maar goed te kunnen zien. Maar Sîtâ keek niet op of om. Ze hield het hoofd gebogen en was verdiept in slechts één gedaante: Râma. Toen er nog een korte afstand te gaan was, stapte Sîtâ uit de draagstoel, daar zij vond dat zij haar Heer in alle nederigheid moest benaderen door de afstand lopend af te leggen. Langzaam liep zij op Râma toe. Toen zij Râma naderde, wierpen de Vanara's die langs de weg stonden zich aan haar voeten en juichten: 'Jai, Jai Sîtâ Râm.' Toen zij dicht bij Hem was, verklaarde Râma dat zij niet onmiddellijk bij Hem gebracht moest worden, doch eerst de vuurproef moest ondergaan.

De Vanara's waren verdoofd bij deze woorden, die zij zwijgend en in wanhoop aanhoorden. Zij moesten echter droge takken en brandstof verzamelen om het vuur voor de rite aan te steken en te onderhouden. Voor dezelfde Vanara's die in de strijd met Râvana enorme bergtoppen en rotsblokken op hun schouders hadden gedragen, ging thans de last van droge takken hun krachten schier te boven, want de gedachte dat Sîtâ opnieuw een beproeving moest doorstaan, bezwaarde hun gemoed. Natuurlijk wist Râma dat Sîtâ een onberispelijk karakter had en de belichaming van deugd was. En wisten Vibhishana, Angada, Sugriva en andere toegewijden van Râma dat de vuurproef slechts diende om de wereld te overtuigen. De realiteit was dat de goddelijke energie, de shakti die Sîtâ 'was', destijds was overgedragen en in het vuur geplaatst, toen zij in het Dandawoud waren. De Sîtâ die in Lankâ verbleef, was slechts het lichaam. De shakti of goddelijke essentie werd al die tijd gekoesterd door het vuur, in het vuur. Zij moest nu door het vuur gaan, opdat zij daaruit tevoorschijn zou komen als de werkelijke Sîtâ, de belichaamde shakti.

Sîtâ verwelkomde de rite. De wereld zou er thans van overtuigd worden dat haar hart zuiver en smetteloos was. Het maakte haar gelukkig de dansende vlammen te zien. Lakshmana werd echter door smart overmand, want hij was degene die de rite moest leiden. Sîtâ troostte hem met milde, wijze woorden. 'Lakshmana! Toen ik trouwde ontstaken brahmanen het vuur tijdens de huwelijksplechtigheid en heiligden daarmee de ceremonie. Vandaag zal ik door het vuur herboren worden. Nadien zal ik de Heer opnieuw huwen. Zie erop toe dat het vuur goed onderhouden wordt, want dat is de juiste handeling.' Lakshmana werd ontroerd door haar hevige pijn om de scheiding van Râma, haar hunkering om weer met Hem herenigd te worden, haar trouw en rechtschapenheid en gerechtigheid en haar intelligente analyse van de situatie. Zijn ogen schoten vol tranen en met de handpalmen eerbiedig tegen elkaar, stond hij zwijgend voor haar. Hij kon geen woorden vinden om zijn gevoelens uit te drukken. Toen vestigde hij zijn blik op Râma's gelaat, stapelde laag na laag het brandhout op en ontstak het vuur tot het hoog oplaaide. Sîtâ was opgetogen toen zij het vuur zag opvlammen. Zij gevoelde geen spoor van vrees. Zij liep op het vuur toe en bleef ervoor staan, zeggend: 'O, ontvanger van heilige offers! Al mijn woorden, daden en gedachten zijn nimmer op iemand anders gericht geweest dan Râma, mijn Heer. O, louteraar. U woont in het hart van ieder levend wezen. Wees zo verkoelend als sandelpasta als ik mij in u begeef.' Zij wierp zich aan Râma's voeten en liep het vuur in. De god van het vuur, Agni, verscheen in de gedaante van een brahmaan die de echte Sîtâ met zich meebracht en offerde aan de voeten van Râma, zoals de Heer van de oceaan van melk Lakshmî offerde aan de voeten van Heer Vishnu. Zij straalde aan de linkerhand van Râma, als een gouden lelie naast een blauwe lotusbloem in volle bloei. De bijeengekomen goden gaven uiting aan hun vreugde door hun hemelse muziek van trommels en trompetten te laten horen.

Vibhishana, die zich in de vliegende zegewagen genaamd pushpaka (rijtuig van Kuvera, schatbewaarder der halfgoden) naar de hoofdstad had gespoed, keerde terug met voor goddelijke wezens passende gewaden en juwelen, die hij aan Râma's voeten legde. Râma verzocht de wagen hoog op te laten stijgen en de kostbare stenen vanuit de lucht op de menigte daar beneden te strooien. Vibhishana deed wat hem was opgedragen. De Vanara's grepen naar alles wat er op of om hen heen viel. Zij zagen de edelstenen aan voor rode, rijpe vruchten. Toen zij ze proefden en ontdekten dat het stenen waren, wierpen zij ze vol afkeer weg. Râma en Sîtâ genoten van het vermakelijke tafereel en lachten vol genegenheid. Vele Vanara's en beren droegen de gewaden die zij hadden weten te bemachtigen en naderden Râma vol dankbaarheid. In hun bonte klederdracht dansten zij in vervoering om Râma heen. Râma was hun zeer erkentelijk en richtte zich vol liefde tot hen: 'O, Vanara's, dankzij jullie kundigheid en heldenmoed was ik in de gelegenheid Râvana te doden en Vibhishana op de troon van Lankâ te zetten. Nu kunnen jullie allen naar huis terugkeren. Ik zal altijd bij jullie zijn. Jullie hebben van nu af aan niets meer te vrezen.' Râma bemoedigde en troostte hen allen door zijn vriendelijke woorden. Hij beloofde hun zijn eeuwige bescherming en verzekerde hen dat er geen enkele aanleiding zou zijn om nog iemand te vrezen of enige rampspoed te duchten. De Vanara's werden overweldigd door dankbaarheid voor de liefde die Râma over hen uitstortte, maar zij raakten daardoor ook in verwarring. Zij stonden met de handpalmen tegen elkaar in eerbiedig huldebetoon en spraken: 'Heer, Uw woorden zijn in overeenstemrning met Uw majesteit. Zij verwarren ons en maken ons sprakeloos. Wij zijn zwakkelingen. U bent onze verdediger en hoeder. U regeert over de drie werelden. Zou een vlieg ooit kunnen beweren dat hij een adelaar hulp heeft verleend? Zou een kleine lamp het ooit kunnen doen voorkomen dat haar licht de zon doet stralen?' De Vanara's wierpen zich aan Râma's voeten en uit hun ogen stroomde een vloed van tranen.

De Vanara's en de beren beseften dat zij de bevelen van Râma moesten gehoorzamen, hoe ongaarne zij ook afscheid van Hem namen. Zij keerden huiswaarts met gemengde gevoelens van vreugde en verdriet, Râma biddend om zijn voortdurende zegen en met de vorm van Râma in hun geest gegrift. Nala, Sugriva, Hanumân, Vibhishana en andere aanvoerders en krijgers waren onmachtig hun gevoelens te uiten. Zwijgend stonden zij daar, hun blik op Râma gevestigd en pogend hun zielenpijn te bedwingen. Toen Hij zag hoe diep hun liefde en gehechtheid was, liet Râma hen bij zich plaatsnemen in de vliegende zegewagen, pushpaka.

Hoofdstuk 11: Het Geluk Keert Weer in Ayodhyâ

De pushpaka vertrok en zette koers naar het noorden. Er ontstond grote beroering toen hij opsteeg. Vanara-horden lieten daverende kreten horen als 'Jai', 'aan Râma de victorie', 'aan Sîtâ, Râma en Lakshmana de overwinning'. In de pushpaka bevond zich een fraai vormgegeven, hoge troon, waarop Sîtâ en Râma plaatsnamen. Zij kwamen allen die hen aanschouwden voor als een door een bliksemflits verlichte wolk, rustend op de berg Sumeru [Meru]. Râma vestigde Sîtâ's aandacht op het slagveld beneden hen en sprak: 'Hier is het dat Lakshmana Meghanada (een generaal van Râvana, in het bezit van de gave zich naar believen welke vorm dan ook te kunnen aannemen) heeft overmeesterd en gedood.' Hij toonde haar andere plaatsen waar zich soortgelijke wapenfeiten en overwinningen hadden voorgedaan. Tevens wees Hij haar de brug die de Vanara's over de zee gebouwd hadden en beschreef haar hun heldenmoed, toewijding en geloof. Weldra bereikte de vliegende zegewagen het Danda-woud. Râma liet de wagen landen voor de âs'ram van Agastya en andere wijzen. Met Sîtâ en Lakshmana en enkele leden van zijn gevolg bezocht Râma de heilige wijzen, bewees hun eerbiedig hulde en na afscheid van hen te hebben genomen, besteeg Hij wederom de pushpaka en vertrok naar de Citrakuta-berg. Ook daar wierp Râma zich ter aarde voor de wijzen, waarna Hij weer het luchtruim koos. Vanuit de zegewagen toonde Hij Sîtâ de stad Kishkinda (nu Hampi). Terwijl de pushpaka voortsnelde wees Râma haar de rivieren Yamunâ en de Ganges, waarop Sîtâ in gedachten deze heilige wateren eerbied betoonde. Kort daarop konden zij de drievoudig geheiligde Prayag (heilige plaats waar de Ganges en Yamunâ bij elkaar komen en de ondergrondse rivier Sarasvatî; De stad Allahabad in de staat Uttar Pradesh; hier een bad nemen zou een grote spirituele zegen betekenen) zien, waar de Yamunâ in de Ganges vloeit. Vanwaar zij zich bevonden, konden zij in de verte de luisterrijke hoofdstad Ayodhyâ zien liggen.

De hoofdman van de Nishada-stam, Guha [RRV-14], die vurig verlangend uitzag naar de terugkeer van Râma, Zijn broer en Zijn gemalin, ontwaarde de pushpaka hoog in de lucht. Zodra hij het voertuig zag, wierp hij zich in dankbaar eerbetoon languit ter aarde. En ziedaar, de pushpaka landde op datzelfde ogenblik precies daar waar Guha zich bevond. Guha liep snel op Râma toe en wierp zich aan Zijn voeten. De tranen stroomden hem over de wangen. Hij was buiten zichzelf van blijdschap. Hij stond op en in geestvervoering ontstoken, omhelsde hij Râma. Sîtâ, Râma en Lakshmana schonken het stamhoofd hun zegen. Zij baadden zich in de heilige rivier en vroegen Guha de veerboot te brengen, zodat zij de Ganges konden oversteken. De pushpaka, die aan Kuvera (schatbewaarder van de halfgoden) toebehoorde voordat Râvana hem in bezit had genomen, werd naar de oorspronkelijke eigenaar teruggezonden.

Nog één dag moest Râma als banneling buiten alle steden blijven. Om die reden gaf Râma aan Hanumân de opdracht zich in een brahmaan (wijzen en geleerden die de samenleving leiden; de hoogste klasse in de vedische samenleving) te veranderen en zich naar Ayodhyâ te begeven. Daar moest hij Bharata nieuws brengen over Râma en de anderen en uit Ayodhyâ terugkeren met de laatste berichten over Bharata. Hanumân vertrok onmiddellijk. Râma, Sîtâ en Lakshmana en allen die bij hen waren, namen hun intrek in de âs'ram van Bharadvaja en aanvaarden de gastvrijheid en dankbaarheid van de wijze. Hanumân trof de inwoners van Ayodhyâ vermagerd en uitgehongerd aan. Zij waren moedeloos en terneergeslagen. Râma's afwezigheid had hun alle lust tot eten of drinken ontnomen. Door de gehele stad kon men hun smartelijk gekreun en geweeklaag horen. Niemand had nog de kracht, de wens of het vermogen zich om een ander te bekommeren, om hem te verzorgen of te troosten. Doch de tijding door Hanumân gebracht had reeds het eerste sprankje hoop doen herleven. Bharata had enkele welkome voorboden van de gelukkige gebeurtenis. Zijn rechteroog trilde, evenals zijn rechterarm. Hij verwachtte het goede nieuws van Râma's intrede in Ayodhyâ. Het bedroefde hem dat het nog een dag moest duren aleer de periode van verbanning ten einde was. Hij was ongerust omdat Râma nog niemand naar hem toe had gezonden om te vertellen hoever Hij nog van Ayodhyâ verwijderd was. Hij hield zichzelf voor hoe fortuinlijk Lakshmana was om al die tijd in Râma's nabijheid te hebben mogen zijn en Zijn lotusvoeten te dienen. 'De Heer heeft mij in deze hoofdstad achtergelaten, omdat ik een hypocriet ben. Mijn Heer is een en al tederheid en beminnelijkheid. Hij is vriend en broeder van de onderdrukten en verslagenen. Hij is de belichaming van mededogen. Hij zal zeker morgen komen', troostte hij zichzelf.

Op datzelfde ogenblik kreeg hij Hanumân in zicht, die hem als brahmaan de blijde boodschap kwam brengen. Hanumân was ontroerd door Bharata's toestand. Zijn lichaam was sterk vermagerd en verzwakt door zorg en vrees. Zijn haardos was samengeklit en vervilt. Uit zijn ogen stroomde een onafgebroken vloed van tranen. Hij bleef de naam van Râma zonder ophouden herhalen. Hanumân was vol vreugde bij de aanblik van zulk een toegewijde ziel. Zijn vervoering deed zijn haren recht overeind staan. Allerlei gedachten vlogen door zijn hoofd. Toen herinnerde hij zich evenwel waarvoor hij gekomen was en gaf Bharata's dorstige oren de nectar van zijn boodschap. 'Bharata! Degene van wie u gescheiden bent geweest en naar wie u al die dagen en nachten hebt gesmacht zonder te eten of te drinken, degene wiens deugden en vermogens u iedere seconde van uw leven hebt bejubeld en bij herhaling genoemd in de afgelopen jaren, Hij die de veiligheid en bescherming van de goden en wijzen heeft gewaarborgd, die waarheid en rechtschapenheid in alle werelden hoog gehouden heeft, Hij, Râma, heeft alle vijanden overwonnen en de goden bezingen Zijn glorie.'

Zoals een man met hevige dorst gelukkig wordt bij het zien van water, zo opgetogen was Bharata bij Hanumâns woorden. Hij vroeg zich af of er werkelijk iemand tot hem sprak en of zijn oren hem niet bedrogen. Doch hij verzekerde zichzelf dat het echt waar was. Hoe zou dit begoocheling kunnen zijn? Wie is het die mij dit goede nieuws komt brengen? 'Waar kom je vandaan?' vroeg hij zijn bezoeker, terwijl hij hem uit louter dankbaarheid omhelsde. Hanumân antwoordde: 'O, Bharata! Ik ben Hanumân, de zoon van de windgod, Vâyu. U herinnert zich mij klaarblijkelijk niet. Ik was de Vanara die zich voor u ter aarde wierp toen ik de Sanjivi-heuvel [RRV-8] overbracht. Ik ben een dienaar van de lotusvoeten van Râma.'

Bij dit antwoord stond Bharata respectvol op, overweldigd door blijdschap. Hij boog eerbiedig het hoofd. 'O, leider der apen! Je hebt mijn verdriet tenietgedaan. Alleen al door je te zien is mijn gemoedsrust weergekeerd. Wat ben ik gezegend! Ik mocht vandaag een boodschapper van Râma aanschouwen!' Lange tijd bleef Bharata bij herhaling dezelfde gevoelens tot uiting brengen. 'Is mijn Râma gezond en wel? Hoe is het met mijn moeder, Sîtâ? Hanumân! Hoe kan ik je mijn dankbaarheid betuigen? Wat kan ik voor jou doen? Niets wat ik je uit dankbaarheid zou willen schenken, kan de waarde van jouw boodschap evenaren! Ik zal je dus voor eeuwig dank verschuldigd blijven. Ik weet niet hoe of waarmee ik deze schuld zou kunnen aflossen. Waar is Râma nu? Waar is zijn huidige verblijfplaats? Vertel mij over de wapenfeiten die tot zijn overwinning geleid hebben', sprak hij met ondraaglijke gretigheid.

Hanuman werd getroffen door de trouw en toewijding waarvan Bharata blijk gaf en hij wierp zich aan diens voeten om zijn bewondering te tonen. Hij sprak: 'Bharata! Râma is de hoofdstad Ayodhyâ dicht genaderd. U zult Hem zeer binnenkort zien. Zijn roemrijke daden zijn van een onbeschrijflijke grootsheid, dat weet u. Ook Râma dacht voortdurend aan u. De Heer aller werelden, Râma, heeft zelf gezegd dat er op de ganse aarde geen broer te vinden is als u: zo zuiver van hart, zo helder van verstand en in het volle bezit van alle deugden. Hoe zou men die woorden kunnen ontkennen?' Bharata was buiten zichzelf van vreugde toen hij dit hoorde. 'Heeft Râma op deze wijze over mij gesproken? O, wat ben ik gezegend!' riep hij uit en omhelsde Hanumân vol genegenheid. Hanumân kondigde aan dat hij niet langer mocht talmen. Hij nam afscheid van Bharata en keerde terug naar Râma, aan wie hij verslag deed van zijn ervaringen.

Bharata zette zich onmiddellijk aan de nodige voorbereidingen. Zijn beide voeten raakten zelden tegelijkertijd de grond, zoveel was er voor hem te doen. Van Nandigrama ging hij naar Ayodhyâ, waar hij zich ter aarde wierp voor de geestelijk raadsman van de familie, Vasishthha, en hem de tijding bracht van Râma's ophanden zijnde intocht in Ayodhyâ. Hij spoedde zich naar de vertrekken van de koninginnen en kondigde de drie moeders de komst van Râma, Sîtâ en Lakshmana aan. De moeders ontwaakten uit hun lethargie en werden vervuld met diepe vreugde. Bharata gaf opdracht ervoor te zorgen dat de ganse bevolking zo snel mogelijk op de hoogte gesteld werd. Kinderen, ouden van dagen, mannen en vrouwen liepen in chaotische verwarring dooreen en riepen elkaar luidkeels het goede nieuws toe.

Bharata verzamelde de wijzen, geleerden, geestelijk raadsmannen, vooraanstaande burgers en de vier smaldelen van de strijdmacht. Samen met de drie koninginnen en ministers, voorafgegaan door Sumantra, ging hij op weg met Shatrughna aan zijn zijde, om Râma te begroeten. Terwijl Hij Ayodhyâ naderde, beschreef Râma de Vanara's en andere volgelingen de schoonheid van de hoofdstad: 'O, Sugriva, Angada, Vibhishana! Ayodhyâ is een heilige stad. Het is een prachtige stad.' Middenin Râma's lofzang op de bekoring van Ayodhyâ verscheen Bharata aan het hoofd van de strijdkrachten samen met zijn broer en de koninginnen. Zoals de oceaan deinend oprijst van vreugde bij het verschijnen van de herfstmaan, zo steeg een zucht van blijdschap op uit de enorme menigte bij het zien van Râmacandra, Râma de maan. Hun kreten van opwinding weerklonken aan de hemel. De moeders omhelsden Râma in opperste geestvervoering en werden overspoeld door golven van geluk. Sîtâ, Râma en Lakshmana wierpen zich aan de voeten van de moeders. De onderlinge blijdschap kende geen grenzen. Râma trok Bharata naar zich toe. Hij was pjjnlijk getroffen door diens verzwakte lichaam en troostte en adviseerde hem vol genegenheid. Hij prees zijn broer luidop voor diens trouwe toewijding aan de onderdanen en zijn liefde voor Hem. Sîtâ, Râma en Lakshmana wierpen zich ter aarde voor Vibhishana, Jabali, Vamadeva en andere wijzen, zodra zij hen zagen. Zelfs de strengste asceten onder hen konden hun tranen niet bedwingen bij het gelukkige weerzien met Râma. De vedische schriftgeleerden verhieven hun stemmen ten hemel en stortten hun heilwensen over allen uit in traditionele uitspraken: 'Moge u zegevierend honderden jaren leven', 'Moge u honderden jaren in voorspoed leven.' Bharata en Shatrughna wierpen zich languit ter aarde voor Râma in eerbiedig huldebetoon. Ofschoon Râma hen keer op keer smeekte op te staan, konden zij zichzelf er niet toe brengen de lotusvoeten los te laten. De broers omhelsden elkaar met innige genegenheid en schreiden tranen van blijdschap en opluchting toen zij elkaar in de ogen zagen.

De verrukking waar hun hart zo vol van was, verleende hun natuurlijke schoonheid een zeldzame glans. Zij straalden als de belichaming van fysieke aantrekkingskracht. De droefheid van het gescheiden zijn maakte plaats voor de vreugde van het samenzijn. Zij waren thans diep verzonken in de oceaan van gelukzaligheid. Voor de feestelijke gelegenheid namen Sugriva, Nala, Nila, Angada, Hanumân en nog enkele Vanara's een schone gestalte aan. De bevolking was verrukt bij het aanschouwen van Râma's gevolg. Zij bejubelden Bharata's ascese van de afgelopen jaren in alle toonaarden en verwelkomden de vruchten die deze onthechting afgeworpen had. Zij hadden grote waardering voor zijn buitengewone deugden. Râma was vol bewondering voor het standvastige geloof en de toewijding van Ayodhyâ's bevolking. Râma verzamelde de Vanara's en Vibhishana om zich heen en stelde hen voor aan zijn broers en zijn spirituele leermeesters. Toen Hij hen meenam naar de koninginnen en tot hen sprak: 'Hier zijn mijn moeders', vielen allen aan de voeten van de vrouwen, zeggend: 'O, wat zijn wij bevoorrecht. Wij mogen de moeders aanschouwen die het leven hebben geschonken aan God zelf. U komt waarlijk onze diepe verering toe. Geef ons genadiglijk uw zegen.'

Kausalya richtte zich tot hen met de woorden: 'O, Vanara's! U bent me allen even dierbaar als mijn zoon Râma zelf. Moge Râma u immer gedenken en u beschermen.'

Na enig onderling overleg bestegen Râma en zijn gevolg de zegewagens die voor hen klaarstonden en reden de hoofdstad binnen. Voor elk huis stonden gouden kruiken, gevuld met gelukbrengend gekleurd water. De stralende huizen waren met vlaggen versierd. De gezichten van de inwoners, eerst nog zo flets en wegkwijnend van verdriet, als lotusbloemen in het maanlicht, bloeiden op als diezelfde lotussen bij zonsopgang, fris en stralend van schoonheid, toen Râma voor hen verscheen. De hemel weergalmde van hun gejuich en overwinningskreten. De zegewagen waarin Râma was gezeten, reed de straten van de hoofdstad binnen, die overvol waren met gelukkige en opgewonden mensen. De vrolijk dansende vlammetjes van de lampen die omhoog werden gehouden door toegewijde handen en waarmee gezwaaid werd toen Râma voorbijreed, straalden als sterren en wekten de indruk dat het uitspansel op de aarde was neergedaald. De wegen waren nat van welriekend rozenwater.

Waar de zegewagen voorbijkwam, lieten de inwoners er een regen van bloemen op neerdalen vanuit de vensters en vanaf de veranda's. De geestvervoering van de bevolking kende geen grenzen. Met zijn drie broers en de drie moeders schonk Râma, met Sîtâ aan Zijn zijde, onmetelijke vreugde aan de duizenden die dicht opeengepakt langs de route stonden. De mensen feliciteerden elkaar ermee dat zij zo fortuinlijk waren deze gelukkige gebeurtenis te mogen meemaken. Toen Râma en Zijn gezelschap het paleis bereikt hadden, kwamen de vrouwen uit de binnenvertrekken van de hofhouding naar voren en ontvingen hen met de gebruikelijke rituelen, zoals het wassen van de voeten.

Hoofdstuk 12: De Kroning

pZodra het gezelschap het paleis binnentrad, kondigde Vasishthha, de geestelijk raadsman van het hof, de datum aan waarop de kroning van Râma tot keizer van Ayodhyâ gevierd zou worden. Hij gaf een nauwkeurige beschrijving van de gunstige voortekenen die deze dag kenmerkten en die hem ertoe hadden bewogen deze dag voor de grootse gebeurtenis uit te kiezen. Hij nodigde tevens alle pundits en priesters uit om deel te nemen aan de ceremoniën die in de veda's waren voorgeschreven om de kroning te voltooien. Zij hadden grote waardering voor Vasishthha's beslissing, want, spraken zij: 'Een kroning die aldus wordt gevierd, zou de gehele mensheid vrede en voorspoed brengen.'

Vasishthha riep Sumantha bij zich en sprak tot hem: 'Verzamel alle strijdkrachten - het voetvolk, de ruiterij, de strijders op olifanten en strijdwagens - aan de poorten van de hoofdstad, want de kroning van Râma is op handen.' Deze woorden vervulden Sumantha met opperste vreugde. Hij zag erop toe dat alle onderdelen van de krijgsmacht tegenwoordig waren. De olifanten, paarden en zegewagens werden prachtig versierd voor de gelegenheid. Allen werden in gesloten gelid opgesteld buiten de stadspoort. De cavaleristen en infanteristen waren gekleed in kleurige uniformen en stonden in de houding, gereed om de hoofdstad binnen te trekken voor het feest. Boodschappers werden in alle windrichtingen uitgezonden om tijdig de diverse gelukbrengende benodigdheden te verzamelen voor de rituelen die deel uitmaakten van de viering. De hele stad was vol verwachting en blijde opwinding. De inwoners wedijverden met elkaar om de huizen en straten zo fraai mogelijk te versieren. Zij kwamen ogen tekort om de charme van de hoofdstad in zich op te kunnen nemen.

Râma schonk speciale aandacht aan degenen die Hem hadden vergezeld op zijn tocht naar Ayodhyâ, zoals Sugriva, Vibhishana, Angada, Nala, Nila en nog andere toegewijden. Hij gaf opdracht om de juiste voorzieningen te treffen voor hun verblijf en erop toe te zien dat het hun aan niets ontbrak. Bijgevolg haastten de paleisdienaren zich om de gasten het beste comfort te geven. Râma riep Bharata bij zich en kamde eigenhandig de verwarde haardos, die deze jarenlang verwaarloosd had. De drie broers zorgden zelf voor Bharata terwijl deze zich baadde en goten gewijd water over hem uit. Daarna kreeg Râma toestemming van Vasishthha om Zijn eigen samengeklitte haar te ontwarren en Zijn rituele bad te nemen. De koninklijke moeders waren intussen ook Sîtâ behulpzaam geweest bij het baden. De moeders kamden behoedzaam ook haar verwarde haren. Zij kleedden haar in gele zijde en tooiden haar rijkelijk met juwelen. Sîtâ straalde als de godin Lakshmî. Zij begaf zich daarop naar Râma en nam plaats aan de linkerkant van haar Heer.

De drie moeders ervoeren de opperste gelukzaligheid bij het zien van de zij aan zij gezeten Râma en Sîtâ. 'Voor ons is dit zeker de gelukkigste dag. Vandaag zijn onze levens vervuld. Onze dierbaarste wens is werkelijkheid geworden. Deze dag is het doel verwezenlijkt dat wij voor ogen hadden', zeiden zij bij zichzelf. Zij hadden alle bewustheid van hun lichaam of omgeving verloren bij het gadeslaan van Râma en Sîtâ, die zij voor de god Nârâyana en zijn goddelijke gade, Lakshmî, hielden. Vasishthha, de grote wijze, werd ontroerd door de glorie die zich in het gelaat van Râma weerspiegelde. Zijn vreugde over de goddelijke luister van het wezen Râma kende geen grenzen. 'Vandaag heb ik het doel bereikt waarnaar ik zo lang heb uitgezien', dacht hij en overpeinsde die vreugde in stille gelukzaligheid. Hij riep enkele bedienden en gaf hun opdracht de grote troon te brengen en die in de kroningszaal te plaatsen. De troon was bezet met veelsoortige edelstenen die flonkerden in de zon, met oogverblindende schittering. Râma knielde in het stof voor Vasishthha en andere wijzen en wierp zich aan de voeten van de koninklijke moeders. Vervolgens wierp Hij zich op zijn knieën voor de gehele vergadering van bestuurders en burgers en besteeg de troon, op de voet gevolgd door Sîtâ. De enorme menigte die er getuige van was, verheugde zich over het unieke tafereel, zo vol majesteit en glorie. De rishi's (wijzen), bestuurders, vooraanstaande burgers en toegewijden die waren gekomen om hun heilwensen te brengen, werden vervuld met dankbaarheid en blijdschap. De brâhmanen reciteerden toepasselijke vedische gezangen. Het volk juichte 'Jai, Jai', zo luid en onophoudelijk dat de hemel naar beneden dreigde te komen. Het was de zevende dag van de donkere helft van de maan, in de maand Vaisakh (mei-juni). Met toestemming van de vergadering en de goedkeuring van de brâhmanen, wond Vasishthha het onderscheidingsteken van keizerlijk gezag rond Râma's voorhoofd.

Kausalya, Râma's moeder, liet af en toe haar blik op haar zoon rusten en voelde zich overgelukkig. En wat de blijdschap van de broers Lakshmana, Bharata en Shatrughna betreft, die was te groot om in woorden uit te drukken! Zij hielden vliegenwaaiers en de witte parasol vast en stonden achter de troon als dienaren van Râma. Zij hadden in feite al die jaren boetedoening gedaan voor het hoogtepunt dat zij die dag ervoeren! De goden sloegen in triomf hun trommels. De hemelse koren zongen halleluja's, de hemelse dansers dansten van vreugde. Vibhishana, Sugriva, Angada, Hanumân, Jâmbavân, Nala, Nila, Dadhimukha, Divida en Mainda, al deze helden droegen pijl en boog, kromzwaard en speer en stonden in eerbiedige nederigheid aan weerszijden van de troon. Met Sîtâ aan zijn linkerhand openbaarde Râma de schoonheid van een miljard manmatha's (manmatha = god der liefde) verenigd in een persoon. De goden werden gefascineerd door de goddelijke bekoring van de Heer van het Raghu-geslacht. Râma was gekleed in een zijden, met goud doorweven gewaad en droeg hangers in zijn oren die bezet waren met fonkelende edelstenen. Hij was getooid met sieraden rond enkels en polsen, die hun schoonheid ontleenden aan Zijn betoverende charme. De drie werelden waren opgetogen over de verhevenheid van de gebeurtenis en de persoonlijke grootsheid van Râma. Waarlijk, degenen die getuige mochten zijn van dat tafereel waren de gelukkigsten onder de levenden.

Vibhishana trad naar voren met een oogverblindend halssnoer van edelstenen, dat de Heer der Zee eens aan Râvana had geschonken. Sîtâ nam het in ontvangst. De schittering van het juweel was tot in elke hoek van de enorme zaal zichtbaar en het scheen voor eenieder een uniek snoer van kostbare stenen te zijn. Maar Sîtâ, die het in haar hand hield, wierp een vragende blik op Râma. Râma wist wat er in haar omging. Hij sprak: 'Sîtâ! Je kunt het ten geschenke geven aan wie ook onder de aanwezigen die deze gunst in jouw ogen verdient.' Sîtâ dacht even na en keek toen naar Hanumân. Toen hij die blik vol mededogen gewaar werd, kwam Hanumân met diepe nederigheid naderbij en bleef met gebogen hoofd voor Sîtâ staan. Sîtâ legde het halssnoer in Hanumâns handen. Deze draaide het vele malen rond tussen zijn vingers, waarbij de pracht van het juweel allen in die grote menigte in verrukking bracht. Hij deed zijn best om de bijzonderheid ervan te ontdekken, met onverzadigbare nieuwsgierigheid. Elke steen maakte hij los. Hij beet erin, hield hem tegen het oor en met een gelaatsuitdrukking die zijn teleurstelling verried, wierp hij de edelsteen vol afkeer weg! Alle ogen sloegen dit vreemde gedrag met stijgende verbazing gade. Men was met stomheid geslagen en keek roerloos toe. Tot Hanumân de laatste steen op dezelfde grove wijze had verworpen, waagde niemand tussenbeide te komen, of een oordeel uit te spreken. Zij konden slechts fluisterend onder elkaar protesteren! 'Wie is deze aap, die zo onbegrijpelijk omgaat met het diamanten snoer dat Sîtâ met zoveel liefde en mededogen heeft geschonken?' vroegen de meesten zich af. Zelfs Vibhishana was bedroefd dat Hanumân het kostelijke juweel dat hij had meegebracht zo schaamteloos had beledigd. 'Hij heeft het snoer stukgemaakt en de stenen weggeworpen' , zei hij bij zichzelf. Elk van de aanwezigen kon slechts gissen naar de reden van dit vreemde gedrag. Tenslotte kon een van de onderkoningen zich niet langer beheersen. Hij stond op en gaf lucht aan zijn verbolgenheid: 'Weergaloze held! Waarom heb je dat diamanten halssnoer in zoveel stukjes gebroken? Was dat juist? Zeg ons, waarom? Verklaar je nader en neem onze twijfel weg.' Hanumân hoorde hem geduldig aan en antwoordde: 'O, koning! Ik onderzocht elke steen om te ontdekken of een ervan de heilige naam van Râma in zich verborg. In geen enkele edelsteen heb ik die kunnen vinden. Zonder die naam van Râma zijn ze niets dan grind en kiezelsteen. Dus heb ik ze weggeworpen.' Deze uitleg bracht de koning niet tot zwijgen. Hij vroeg: 'Hanumân! Als je verlangt dat alle materie de naam van Râma bevat, vraag je dan niet het onmogelijke?' Hanumân antwoordde: 'Hoe nuttig of heilzaam kan iets zijn wat niet de naam van Râma in zich heeft? Daar heb ik geen behoefte aan.' Zo verwierp de onverschrokken held Hanumân de argumenten van de onderkoning. Deze bleef evenwel bezwaren maken. Hij sprak: 'Je zou nimmer iets dragen waarin niet de naam van Râma vervat is. Welnu. Je draagt je lichaam met je mee, waarheen je ook gaat. Bewijs ons dat het Râma's naam in zich heeft.' Hanumân lachte luidop. Hij sprak: 'Ik zal het je bewijzen. Ziehier!' Hij trok een enkele haar uit zijn onderarm en hield die dichtbij het oor van de vorst. Deze kon de naam 'Râma, Râma, Râma' horen, die uit die enkele haar klonk! Hierop werd hij overweldigd door een gevoel van bewondering en ontzag. Hij wierp zich aan de voeten van Hanumân en smeekte hem om vergiffenis.

Râma riep Hanumân bij zich en omhelsde hem vol warmte. Hij vroeg: 'Hanumân! Wat kan ik je bij deze gelegenheid schenken? Ik heb geen gift die jou waardig is. Ik geef Mijzelf ten geschenke aan jou.' Toen gaf Râma aan Hanumân de gelegenheid Hem in de armen te sluiten. In hun ontroering riepen de aanwezigen 'Jai, Jai', bij deze unieke daad van genade. Zij prezen Hanumân en verklaarden dat er niemand was in alle werelden die hem kon evenaren. Zij prezen de toewijding en overgave van Hanumân.

Toen verrees Râma van de troon en begaf zich naar buiten, waar grote mensenmassa's zijn komst verbeidden. Hij gaf hun de goddeIijke darshan van zijn bekoorlijke majesteitelijke gedaante. Allen waren in vervoering als nooit tevoren door de gelukzaligheid die hen beving bij het aanschouwen van Râma. Alle gasten van de hoofdstad werden feestelijk ontvangen en rijkelijk voorzien van kostelijk voedsel en een uiterst geriefelijk onderkomen. Râma zorgde ervoor dat goud en geld, huizen, vervoermiddelen, huishoudelijke benodigdheden, kleding en andere nuttige gebruiksvoorwerpen met gulle hand werden uitgedeeld. Vibhishana en de Vanara-helden werden betoverd door de pracht en praal van deze gebeurtenissen. Zij bleven zes maanden in Ayodhyâ en dienden Râma dag en nacht in grote geestvervoering. Het hele jaar vloog om als een enkele dag. Al die tijd dachten zij niet eenmaal aan hun huis, gezin of koninkrijk.

Tenslotte riep Râma alle metgezellen en strijdmakkers die met Hem waren meegekomen bij zich in de audiëntiezaal en bood hun een passende zitplaats. Toen richtte Hij zich tot hen op zachte vriendelijke toon: 'Vrienden! Ieder van jullie heeft zich voor Mij tot het uiterste ingespannen. Het zou natuurlijk niet juist zijn jullie ronduit te prijzen in jullie bijzijn. Om Mijnentwil hebben jullie allerlei moeilijkheden het hoofd moeten bieden. Jullie hebben je huis verlaten en je niet bekommerd om vrouw en kinderen, bezit of eigendommen. Ik heb geen andere vrienden dan jullie. Daarom koester ik bijzondere gevoelens van liefde en mededogen voor jullie. Jullie zijn me dierbaarder dan Mijn ouders, Mijn broers, Mijn koninkrijk, Mijn onderdanen en zelfs Mijn Sîtâ. Die verzekering geef ik jullie van ganser harte. Thans vraag ik van jullie dat je naar huis terugkeert. Laat je hart Mijn verblijfplaats zijn en dien Mij met vertrouwen en toewijding. Ik zal jullie het geluk schenken van mijn aanwezigheid naast je, achter je, voor je en in je huis. Ik zal jullie Mijn genade schenken.' Zij hoorden deze woorden aan, zo vol liefde en goedertierenheid en werden zo overweldigd door dankbaarheid en blijdschap dat zij zichzelf en hun omgeving vergaten. Zij lieten niet toe dat hun ogen afdwaalden van Râma's gelaat. Hun overweldigende vreugde deed hun tranen vloeien. Zij konden geen woorden vinden om hun gevoelens te uiten en waren met stomheid geslagen. Toen droegen de bedienden op Râma's bevel grote hoeveelheden kleding en juwelen aan. Lakshmana, Bharata en Shatrughna werd verzocht ze aan te bieden aan alle leden van het gezelschap en ze persoonlijk te helpen bij het omkleden. De Vanara's en Vibhishana straalden in hun nieuwe gewaden en zagen er buitengewoon aantrekkelijk en fleurig uit. De Vanara's bleven evenwel innerlijk onbewogen door wat er met hen gebeurde. Zij verroerden zich niet en hadden slechts oog voor de voeten van Râma, hun aanbeden Heer. Tenslotte bogen allen het hoofd en wierpen zich aan deze lieflijke lotusvoeten. Daarop hief Râma hen met zachte hand omhoog en omhelsde hen met innige genegenheid.

Râma sprak tot de vertrekkende Vanara's en andere gasten: 'Kinderen! Vrienden! Ik beloon jullie met het sarupya-stadium van bevrijding, waarbij je wordt begiftigd met vermogens en verworvenheden die de Mijne benaderen. Keer terug, voer de taken die jullie ten deel vallen met succes uit en kom je verantwoordelijkheden na. Heers over de gebieden en volken die aan je zorgen zijn toevertrouwd en leef in vrede en voorspoed.' Râma verleende hun waardevolle adviezen van allerlei aard en gaf hun toestemming tot vertrek. Bharata en Shatrughna waren vol bewondering voor de toewijding en overgave die aller harten vervulden. Zoals Râma had geboden, vergezelden Lakshmana, Bharata en Shatrughna de gasten tot aan de rand van de hoofdstad. Zelfs toen de Vanara's reeds in de wagens zaten die hun ter beschikking gesteld waren, keerden zij zich nog smachtend om en schreiden zij bij de gedachte aan het afscheid van Râma. De broers zagen de verslagenheid op hun gelaat en konden die aanblik niet verdragen. Zij wisten wat die tranenvloed en dat diepbedroefde gelaat betekenden en prezen de geest van toewijding die hun hart vervulde. Zij hielden hen gezelschap tot aan de rivieroever en zagen erop toe dat zij werden overgevaren. Toen keerden de broers terug naar Ayodhyâ, evenals Hanumân. Hij had Sugriva, zijn vorst daarom gebeden en gesmeekt en hem beloofd tien dagen later naar huis te zullen terugkeren, want zoals hij zei: 'Ik kan de kwelling van het gescheiden zijn niet verdragen.' Ofschoon Sugriva hier niet erg gelukkig mee was en ondanks zijn tegenwerpingen, keerde Hanumân met Lakshmana en de anderen terug naar Râma.

Op zekere dag begaf Râma zich naar een tuin met zijn broers en zijn dierbare Hanumân om er enige tijd in rond te wandelen. Het stond er vol met bloeiende planten en vruchtbomen. Râma zat op een verhoogde zetel, met zijn broers aan weerszijden. De broers aarzelden om vragen te stellen, hoewel zij daartoe grote behoefte gevoelden. Zij keken naar Hanumân en brachten hun wensen aan hem over. Zij wisten dat, indien Hanumân die vragen zou stellen, Râma ze gaarne zou beantwoorden. De alomtegenwoordige Râma begreep wat er gaande was. 'Hanumân! Wat is het dat je zou willen weten? Vraag het mij', sprak Hij. Hanumân antwoordde: 'O, beschermer der zwakken! Bharata wilde u een vraag voorleggen, maar hij werd door twijfel overvallen en is door vrees terneergeslagen.' Hanumân hield zijn handpalmen tegen elkaar en wierp zich aan Râma's voeten, omdat hij zo kortaf antwoord had gegeven en uit dankbaarheid dat hem het spreken in Râma's tegenwoordigheid was vergund. Daarop sprak Râma: 'Hanumân! Je kent mij zeer goed. Er is geen verschil tussen mij en Bharata, niets dat een van ons enig onderscheid doet gevoelen.' Toen Bharata deze woorden aanhoorde, wierp hij zich aan Râma's voeten en sprak: 'O, genezer van het lijden van hen die zich aan u overgeven! Hoor mij aan. Vergeef me mijn dwalingen en bescherm mij. Er is geen verholen twijfel in mijn hart. Ik ken geen droefenis of gehechtheid zelfs niet in mijn dromen. Dat heb ik natuurlijk uitsluitend aan uw barmhartigheid en mededogen te danken. U bent de schatkamer van alle deugden. Ik zou gaarne het onderscheid willen weten tussen goede en slechte mensen.' Râma gaf graag antwoord. Hij sprak:

'Broer! De eigenschappen die een goed mens kenmerken zijn oneindig in getal, zoals de veda's en de purâna's zeggen. Het verschil dat de goeden van de kwaden scheidt, is zo groot als dat tussen de sandelboom en de bijl. Onthoud dit goed: zelfs op het ogenblik dat de bijl de sandelboom omhakt, verleent de boom de bijl zijn heerlijke geur. De bijl doodt de boom, doch de boom doet zijn beul slechts goed. Vandaar dat iedereen waardering heeft voor de sandelboom. De goden houden ervan sandelpasta op hun voorhoofd te hebben. Maar zie wat er gebeurt met de bijl die haar weldoener kwaad doet. Zij wordt in het vuur gehouden en wanneer zij roodgloeiend is, gesmeed tot de juiste vorm en scherpte. De boosaardigen doen op deze wijze de goeden lijden. Maar de goeden hebben slechts het beste met de slechte mens voor, wat voor kwaad hun ook wordt aangedaan. En wat is hun loon? Zij komen stellig in de hemel. Dat wil zeggen dat zij voortdurend in gelukzaligheid verkeren. Het leven van een slecht mens daarentegen, zal een onophoudelijke worsteling zijn van verdriet en ontevredenheid. Dat betekent dat hij ten prooi zal zijn aan helse zielenpijn. Ofschoon hij gelukkig schijnt te zijn voor de buitenwereld, zal hij innerlijk worden gekweld door de afschuw en haat die hij opwekt.

Ik zal je vertellen wat de kenmerken zijn van een goed mens. Luister. Hij is niet in de ban van sensueel genot. Hij heeft alle grootste deugden en beste gedragsnormen. Hij verheugt zich in het geluk van anderen en is bedroefd als anderen dat zijn. Hij beziet alle mensen met dezelfde genegenheid. Hij heeft geen vijanden en, mochten er tegenstanders zijn, dan maakt hij zich daarover geen zorgen. Hij is begiftigd met wijsheid, kennis van de materiële wereld en een diep besef van onthechting. Hij is zachtaardig en heeft mededogen met de zwakken en de hulpelozen. Hij aanbidt mijn voeten met zuiverheid van gedachten, woorden en daden en het schenkt hem grote vreugde mij te dienen. Hij bekommert zich niet om roem of slechte naam en faam, om eer of schande. Hij beijvert zich steeds om anderen te dienen en geeft nimmer toe aan de neiging tot zelfzucht, zelfs niet in zijn dromen. In al wat hij doet, is hij eenvoudig en oprecht. In zijn hart heerst onverstoorbare rust. Hij verlangt vurig naar gelegenheden voor zelfverzaking en is immer vol vreugde. Lof en blaam zijn hem om het even. Broer! Het wezen van de gene die deze eigenschappen bezit, is als dat van mijzelf. Hij is mij en ik ben hem. Dat is de waarheid, neem dat van mij aan.

Nu zal ik vertellen wat de kenmerken zijn van een slecht mens. Luister. Je moet zijn gezelschap in ieder geval mijden. Verdriet zal je deel zijn, als je je met hem inlaat. De voorspoed van anderen is hem een gruwel. Hij schept evenveel behagen in het belasteren van anderen, als in het winnen van een fortuin. De zes vijanden van een goed mens (lust, woede, hebzucht, begeerte, hoogmoed en haat) worden door een slecht mens gekoesterd en staan altijd tot zijn beschikking. In zijn doen en laten wordt hij geleid door de bevelen van dit zestal. Mededogen en liefdadigheid ontbreken hem. Hij zoekt onenigheid met anderen, zonder reden en zonder daartoe te zijn uitgedaagd. Hij koestert zelfs haatgevoelens jegens hen die het goed met hem menen. Zijn handelingen zijn bedriegelijk en onwaarachtig, evenals zijn uitingen en ook zijn compromissen zijn onbetrouwbaar. Hij is hardvochtig in zijn gedrag en opvattingen en heeft een hart van steen. De pauw is prachtig om te zien en zijn roep is aangenaam om te horen, toch doodt hij slangen. Evenzo zijn slechte lieden eropuit anderen kwaad te doen en begeren zij andermans vrouw. Zij scheppen er behagen in de goede naam van anderen te bezoedelen. Zij zwelgen in het kwaad en zijn immer boosaardig. Zij zijn de laagste onder de mensen. Zij vrezen geen vergelding. Als zij horen of zien dat het een ander voor de wind gaat, neemt de afgunst zozeer bezit van hen, dat zij daardoor ondraaglijke hoofdpijn krijgen. Als anderen echter door rampspoed worden getroffen, juichen zij over hun lijden. Het lijden van anderen brengt hen in vervoering alsof zij tot koning gekroond zijn. Ze worden door het ego gedomineerd. Het komt niet in hen op anderen te helpen, zelfs niet in hun dromen! Hun hart is de geboorteplaats van lust, boosheid en andere hartstochten. Zij hebben geen respect voor ouders, leesmeesters of bestuurders. Alleen al het noemen van de naam van God of goede mensen vervult hun hart met afschuw. Hun intellect is afgestompt en hun gedrag afkeurenswaardig. Gedurende het Kali-tijdperk zullen zij in grote getale zijn waar te nemen.

Broer! Van alle daden van rechtschapenheid is de hulp die aan de behoeftigen verleend wordt, de grootste deugd. Van alle slechte daden is er geen grotere wandaad dan anderen kwaad doen. Weet dat dit de essentie is van de leringen uit de veda's en de purana's. Dat is het ideaal dat door goede mensen overal wordt uitgedragen. Zij die het voordeel hebben als mens geboren te zijn en zich niettemin te buiten gaan aan het schaden van anderen, worden gereduceerd tot een lager, dierlijk niveau en moeten geboren worden en sterven gelijk deze wezens. Of, indien zij wederom als mens geboren worden, dan begaan zij meer wandaden, door hun onwetendheid en de blindheid die daar het gevolg van is. Voor zulke mensen ben ik degene die de karme-gevolgen toemeet en slechts nadat een lange tijd, met vele levens, verstreken is, waarin zij zich aan de duisternis zullen moeten ontworstelen, verleen ik hun een visioen van mijzelf. Keer op keer zal ik hen in de maalstroom van het leven werpen en hun voor- en tegenspoed laten ervaren, opdat zij daarvan leren. Bharata! De goden, wijzen en nobele personen houden zich niet bezig met handelingen die dualiteit met zich meebrengen. Zij besteden met grote toewijding al hun tijd aan de aanbidding van mij. Zij verrichten hun daden zonder verlangen naar of gehechtheid aan het gevolg van die daden. Indien ascese wordt beoefend met een bepaald doel, dus als daden worden verricht met de bedoeling daar de vruchten van te plukken, dan moeten mensen in een lichaam worden geboren, opdat hun het goede en kwade kan worden toegemeten dat die daden verdienen. Als er niet naar de vruchten wordt gestreefd, als daden steeds worden verricht in alle oprechtheid en op de juiste wijze, dan binden zij niet, maar schenken zij de doener wijsheid. De toewijding en overgave van een individu zullen door deze levenswijze in hoge mate bevorderd worden. Dientengevolge zal hij steeds nader komen tot het Opperwezen en de eenheid met God. Als je onderscheid kunt maken tussen goed en kwaad op grond van deze kenmerken en je je daarnaar gedraagt bij de keuze van mensen met wie je omgaat, zul je je kunnen ontworstelen aan de draaikolken van de zee der verandering, de oceaan van samsara. Broer! Weet dat alle onderscheid tussen goed en kwaad in wezen het gevolg is van gehechtheid en ontwikkeling, doordat je de wereld als de werkelijkheid ziet, terwijl die werkelijkheid noch onwerkelijkheid is. Degenen die aan deze illusie en dualiteit ontsnapt zijn, zijn mahatma's. Zij zijn tot het besef gekomen dat hun realiteit het onveranderlijke 'atma' is. Zij weten dat er geen twee zijn en ervaren slechts de Ene. Alle anderen verkeren in onwetendheid.

Bharata en de andere aanwezigen die naar deze heldere uitleg hadden geluisterd, ervoeren volkomen gelijkmoedigheid. Hun hart verblijdde zich in de liefde die in hen opwelde. Zij toonden hun dankbaarheid voor Râma's goedgunstigheid door zich aan zijn voeten te werpen. Zij deden dit voor elke vraag die Râma voor hen had beantwoord. Hanumân ervoer de meest intense geestvervoering van allemaal. Daarna begaf Râma zich naar het paleis, vergezeld door Hanumân en zijn broers. Zo ging het iedere dag, eerst de leringen en raadgevingen en daarna het uitvoeren van bestuurlijke taken.

Op zekere dag gaf Râma de wens te kennen dat de burgers van Ayodhyâ zouden samenkomen in het paleis met de geestelijk raadsmannen en brâhmanen. Zij ontmoetten elkaar in de Durbarzaal en kregen comfortabele zitplaatsen toegewezen. Râma betrad de zaal en sprak hen aldus toe:

'Burgers, leermeesters en brâhmanen! Ik buig mij voor u. Hoor mijn woorden in vrede aan, tot ik ben uitgesproken. Ik richt mij niet tot u in deze verhandeling met hoogmoed of zelfzuchtige arrogantie, noch om te verklaren dat ik uw regerend vorst ben. Evenmin om u voor te gaan op verkeerde paden. Als mijn woorden u juist toeschijnen, volg dan het pad dat ik u heb gewezen. Ik moet daar echter iets aan toevoegen: zij die mijn woorden aanhoren en ernaar handelen, zij alleen zijn mij dierbaar. Slechts zij zijn mijn broeders. Mocht ik iets verkeerds zeggen, wijs mij daar dan meteen op, zonder enige aarzeling. Welnu. De kans om als mens geboren te worden, wordt in de veda's en de purâna's en door de wijzen in de hele wereld erkend als de zeldzaamste van alle. Men zal er niet in slagen als menselijk wezen geboren te worden, tenzij men voorafgaand aan het huidige leven in vele levens zeer veel goed karma heeft opgebouwd. Zelfs goden hunkeren naar deze kans en hebben grote moeite als mens te worden geboren. De menselijke geboorte opent de poort naar bevrijding. Zij biedt ruime gelegenheid tot spirituele oefening die tot heil kan strekken. Het menselijk lichaam dient niet gebruikt te worden voor zintuiglijk genot. Het moet niet worden beschouwd als een instrument om de hemel te bereiken en hemelse vreugden en geneugten te smaken, want die zijn louter van tijdelijke aard. Zij voeren u weer terug naar de kringloop van geboorte en dood. Daarom brengen de geneugten des levens u slechts verdriet. Alleen dwazen zullen zich laten verleiden tot het najagen van zintuiglijk genot. Het is als vergif voor de mens. Is het juist om vergif te verkiezen boven nectar? Zij die verlangen naar vergif, kunnen geen goede mensen zijn. Zij zijn als de dwazen die het wensvervullende juweel (chintamani) verruilen voor een glazen kraal. Als een individu begiftigd is met een menselijk lichaam en hij gebruikt dat niet om de oceaan van het denkbeeldig bestaan (samsara) over te steken, dan is hij inderdaad te beklagen omdat hij ongelukkig is en zijn intellect is afgestompt. Hij is werkelijk de doder van zijn eigen zelf en de vijand van zijn eigen ontwikkeling. Daarom moeten degenen die als mens geboren worden, beseffen dat God in allen zetelt als het innerlijke âtmâ, dat zij een ieder moeten dienen als goddelijk wezen en dit dienstbetoon beschouwen als de hoogste vorm van het aanbidden van God. Houdt u met uw ganse hart aan wat God u oplegt. Verricht al uw daden alsof u ze opdraagt aan God.

Burgers! Allen van u die ernaar verlangen gelukkig te zijn in het hier en nu en in het hiernamaals, hoor mijn woorden aan! Aanvaardt ze als richtlijnen die u helpen uw doel te bereiken. Volg dit pad. Van alle paden die leiden naar God en zelfverwerkelijking, is het pad van toewijding en overgave (bhakti) het eenvoudigst. Het vervult de geest met grote vreugde. Het pad van onderscheidingsvermogen en de verwijdering van begoocheling (jñâna) is vol moeilijkheden en obstakels. Het is vrijwel onmogelijk het verstand uit te schakelen. En zelfs zij die het netelige pad van jñâna bewandelen, zullen mij slechts dierbaar zijn als er liefde en toewijding in hun hart is. Er is niets dat bhakti kan evenaren. Bhakti is niet gebonden, het is vrij. Het schenkt de mens alle vreugden en genoegens. Het moet met nadruk gezegd worden dat men slechts vorderingen in bhakti kan maken, als men uitsluitend goed gezelschap zoekt (satsang).'

Zijn verhandeling vervolgend, sprak Râma tot de menigte:

'Hoor mij aan, 0 volk van mijn koninkrijk! Ik wil u een hoogst belangrijke waarheid verkondigen die vaak niet duidelijk wordt begrepen. Maak geen onderscheid tussen S'iva en Kes'ava (Krishna). Geloof dat God één is. De naam en de gedaante verschillen, doch het divyatma (de universele, Absolute Eenheid) is dezelfde. Dat divyatma is in eenieder, met gelijke kracht.'

Bij het aanhoren van deze leringen, zoet als nectar, uit de mond van Râma, bogen de inwoners het hoofd in eerbiedig huldebetoon. Een van hen kwam naar voren om namens allen zijn dankbaarheid te uiten. Hij sprak: 'Heer! Wij zijn meer aan u gehecht dan aan ons eigen leven. Onze lichamen zijn gezond en sterk dankzij u. Onze huizen zijn vol van blijdschap en geluk door u. Wij danken alles aan uw genade. U hebt ons van verdriet verlost en ons nader tot u gebracht. Maharadja! Wie anders dan u zou ons zo liefdevol kunnen onderrichten? Onze vaders en moeders eisen van ons de vervulling van hun zelfzuchtige verlangens; dat is alles. Wat voor nut hebben wij voor u? Toch leidt u ons op voor het verwerven van hemelse gelukzaligheid. Dit schenkt ons volmaakte tevredenheid. U en uw voorbeeldige volgelingen hebben de wereld de grootst denkbare dienst bewezen door het demonische ras uit te roeien. We zouden nimmer een heer, vriend of vader kunnen vinden die zo goed en zorgzaam voor ons is als u.' De mensen gaven Râma overvloedig blijk van hun vreugde en het gevoel spiritueel verlicht te zijn. Râma was zeer verheugd over hun loyaliteit en hun vurig verlangen zich te verdiepen in spirituele aangelegenheden. De stadsbewoners namen afscheid van Râma en keerden naar hun huizen terug. Zij bleven met hun gedachten bij de betekenisvolle waarheden die hun onderwezen waren.

In de stad Ayodhyâ had ieder huis een bloementuin, die door de bewoners met veel liefde en zorg werd onderhouden. Het was altijd lente in Ayodhyâ want het gehele jaar door droegen de planten en bomen een overvloed van vruchten en welriekende bloemen. Bijen zwermden om de bloemen en hun gezoem was overal te horen. Een koele bries, bezwangerd met de geur van bloesem, verwelkomde de bezoeker. De kinderen uit de hoofdstad hielden allerlei vogels als huisdier. Hun zang, getjilp en gekwetter mengde zich tot liefelijke muziek. De rijkdom en voorspoed van de inwoners onder het heilzame bewind van Râma zijn niet met woorden te beschrijven, zelfs niet door een duizendtongige s'esha (de duizendkoppige slang waarop Vishnu en ook de wereld rust). Dit was het gevolg van de rechtschapenheid (dharma) die door Râma werd gekoesterd en beschermd. Râma verrichtte vele as'vamedha-offers. Vele miljoenen brâhmanen ontvingen royale geschenken en leidden een gelukkig en tevreden leven.

Râma, de bevorderaar van vedische riten en ceremoniën en de behoeder van de wetten van dharma, (en toch verheven boven alle plichten en eigenschappen - gunatita) evenals Sîtâ, begiftigd met alle goede eigenschappen en de vaste wil allen te helpen die ernaar hunkeren hun heilzame taken te vervullen, waren er bij hun taak beiden alert op zichzelf en hun onderdanen op het pad van dharma te houden. Fysieke en psychische aandoeningen en moreel verval waren volkomen afwezig toen Râma regeerde. Mensen gevoelden diepe liefde en genegenheid jegens elkaar. Iedereen hield zich met alle genoegen aan de door de veda's goedgekeurde rechten en plichten van zijn beroep en tegenover de gemeenschap. Ascese, liefdadigheid, offers, geestelijk ritueel en studie werden onverflauwd en zelfs enthousiast voortgezet door het hele land. Zondige gedachten waagden het niet de geest van de mensen te besluipen, zelfs niet in hun dromen. Vrouwen, mannen, grijsaards en kinderen, aller gedachten waren te allen tijde volledig op Râma gericht. Nergens deden zich calamiteiten of natuurrampen voor. Gedurende het Râma-tijdperk waren er geen armen, werd niemand bezocht door verdriet of vernedering, was niemand terneergeslagen, wreed of boosaardig, lelijk of afzichtelijk. Iedereen had alle kenmerken van aantrekkelijkheid. Niemand deed een ander verdriet door zijn hoogmoed of pompeuze ijdelheid. Geen mens was afgunstig. Allen waren ervaren in atmische wijsheid en verlangden ernaar dharma in praktijk te brengen en te beschermen. Allen waren vol mededogen en streefden naar dienstbetoon aan anderen. Men deed niets liever dan de goede hoedanigheden van zijn medemens prijzen en niemand gunde zelfzucht een plaats in zijn hart.

De ganse aarde, met de zeven dvîpa's (werelddelen) begrensd door oceanen, bevond zich in de schaduw van die ene parasol van Râma's soevereiniteit. Râma was de ene, onbetwistbare Heer van de hele wereld. In dit keizerrijk heerste wederzijdse liefde en was er onderling hulpbetoon tussen de mensen. Er was geen spoor van conflict of strijd, geen enkel teken van onenigheid of afgescheidenheid. Natuurlijk was er wel onderscheid in dans en schone kunsten. De enige strijd was die van de sâdhaka's (iemand die zich bezighoudt met geestelijke discipline) tegen de zintuigen. Gehechtheid (raga, dat ook melodie betekent) was te beluisteren als raga in de muziek. Als niemand vijanden had, viel er dan te doden? De mensen maakten in plaats daarvan een eind aan de grillen en kuren van de geest en overwonnen hun eigen lagere natuur.

De hoofdstad en omstreken pronkten met onvergelijkbaar bekoorlijke meren, bronnen en waterbassins. O, dat kristalheldere water! O, die prachtige aanlegplaatsen! Hun sublieme charme oefende een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op wijzen en zieners, die zich daarover welhaast schuldig voelden. Aan de oppervlakte van de meren en waterbassins bloeiden lotusbloemen van allerlei kleur. De oevers waren dichtbegroeid met bomen, waarin de vogels in groten getale hun lied zongen. Zwermen papegaaien, pauwen en nog allerlei andere vogelsoorten zetten zich op hun takken en kwinkeleerden er lustig op los. De stad was zelfs nog luisterrijker dan de hemel en de bevolking was vol verwondering over de uitzonderlijke schoonheid ervan.

Op zekere dag betrad Vasishthha het paleis om Râma, de verlener van voorspoed op alle gebieden, op te zoeken. Râma ontving hem in waarlijk traditionele stijl. Hij waste zijn voeten en bood hem gewijd water te drinken aan. Vasishthha hield zijn handpalmen tegen elkaar en sprak: 'O, oceaan van mededogen! Ik heb een verzoek aan u. Ik heb u met grote vreugde uw menselijke rol zien spelen. Nu word ik door diepe twijfel overvallen. Uw macht kent geen grenzen. Zelfs de veda's kennen uw wezen niet ten volle. Heer! Hoe kan ik u beschrijven of duiden? De functie van spiritueel leidsman van de familie of priester is tamelijk minderwaardig. De veda's, de s'astra's en de purâna's verkondigen dat het priesterschap een inferieure status heeft, aangezien het een laag ambt is. De priester moet de riten volvoeren bij alle plechtigheden van zijn meesters huis zowel bij de heilbrengende als bij de ongunstige ceremoniën. Het is daarom een besmet ambt. Aanvankelijk wilde ik deze functie in het geheel niet aanvaarden, doch Heer Brahmâ merkte mij op en begreep mijn situatie. Hij zei tegen mij: 'Zoon! Je weet niet wat er in de toekomst verborgen ligt. Aanvaard het ambt zonder aarzelen. In de komende jaren zal je daar zeker veel profijt van hebben. Parabrahma zal incarneren in de Raghu-dynastie.' Toen ik dit hoorde, gaf ik mij gewonnen en werd ik de geestelijk leidsman van de Raghu-dynastie. Thans heb ik, als gevolg van die beslissing, dat goddelijke principe verworven dat men slechts kan gewinnen door talloze jaren van japa (mantra meditatie), tapas (versobering, boete, vrijwillig lijden ter bestrijding van onzuiverheden en het bereiken van een hoger doel), meditatie en yoga (wetenschap van de bewustzijns-vereniging; het zich verbinden met het absolute ofwel God) en het volvoeren van talloze yaga's en yajña's (vedisch offeren) zonder mij te bekommeren om de ongunstige omstandigheden die zij met zich meebrengen. Al dat goede karma heeft ten doel dat u gewonnen wordt, en ik heb u gewonnen.

Wat voor arbeid zou ik beter kunnen verrichten dan het werk dat ik heb verkozen? Heer der Heren! Japa, tapas, yajña's, yaga's, beloften, regels van riten en rituelen zijn vastgelegd in de veda's. Door het ontwikkelen van wijsheid, mededogen met levende wezens en rechtschapen gedrag, kan men uw aanwezigheid en genade verkrijgen. Heer! Ik bid u om een gunst. Verleen mij die gunst, in uw oneindige barmhartigheid. Laat vanuit uw ogen vol mededogen uw genade op mij neerdalen. Moge mijn toewijding aan u nimmer verflauwen, hoeveel levens ik hierna nog zal moeten leven. Dat is de gunst waarnaar ik zo vurig verlang.' Even later nam Vasishthha afscheid van Râma en keerde naar huis terug.

De onderdanen van het koninkrijk brachten hun tijd door met het bezingen van de drievoudig geheiligde, fascinerende geschiedenis van hun heerser Râma. Men kan succesvol zijn in yoga, of allerlei rituele geloften afIeggen, doch zonder liefde in het hart zal men Râma niet kunnen aanschouwen of ervaren. In Râma's rijk was er geen wijs man, asceet, held, dichter, geleerde of deskundige die door hebzucht werd geteisterd. Niemand dwaalde door hoogmoed of rijkdom gedreven van het juiste pad af. De roes van gezag en aanzien maakte doof noch blind. Waar was de jongeling die leed aan de onrust van de jeugd? En waar kon men de man vinden die door haatgevoelens werd aangetast? Waar was hij die leed aan verlammende smart? Wie werd door de slang gebeten die bezorgdheid heet? Zij bestonden niet. Râma zelf stond boven allen, als het grote voorbeeld ter navolging. Hij is de âtmâsvarûpa, God Zelf.

De onverschrokken legers van mâyâ zwerven overal op de wereld rond. De soldaten zijn hartstochten, begeerte, hebzucht en zo meer. De bevelvoerende officieren zijn hoogmoed, ongeloof en andere. Maar diezelfde mâyâ is de slavin van de Heer van Raghu, Râma. Zij is onwerkelijk. Toch kan men zonder de genade van Râma niet ontsnappen aan haar verovering en slavernij. Slechts de genade die uit Râma's ooghoeken straalt, kan je uit haar greep verlossen. Mâyâ bezit alles wat beweeglijk en onbeweeglijk is in het universum. Niemand kan zich aan haar invloed onttrekken. Zij imiteert de aardse glorie van de Heer en als een volleerd toneelspeelster speelt zij haar rol, met begeerte, hebzucht en nog enkele in de bijrollen. Râma echter, als de belichaming van sat-cit-ânanda, (volmaakt zijn, volmaakt bewustzijn, volkomen gelukzaligheid) als de verpersoonlijking van het diepblauw dat de zee en de hemel kenmerkt, het fenomeen dat zonder geboorte is, als het Paramâtmâ zelf (de Alziel, het allerhoogste bewustzijn), draagt geen spoor van mâyâ in zich.

In de stad Ayodhyâ was iedere dag een nieuwe feestdag en iedere feestdag bracht wel een of andere speciale attractie. Elke dag schonk Râma rijkdommen voor liefdadige doeleinden. Er werd bepaald dat niemand een ander mocht veroordelen of met minachting mocht bejegenen en er mocht geen kwaad woord worden gesproken. In elk huisgezin werd dagelijks uit de veda's en de purâna's voorgelezen. Geen enkele bevolkingsgroep beschouwde een andere groep als minderwaardig. Eenieder oefende zijn traditionele beroep uit en respecteerde de voorgeschreven normen. Daarom nam in Râma's hart het mededogen en de genegenheid jegens de onderdanen snel toe. Zelfs de goden waren afgunstig op de mannen, toen zij de toewijding opmerkten waarmee de vrouwen hun echtgenoten dienden in Râma's koninkrijk. De echtgenoten betoonden zich deze dienst waardig. Geen hunner ontlokte ook maar een enkele traan aan de ogen van hun vrouw. Man en vrouw hadden het gevoel dat zij elk het halve lichaam van de ander waren en leefden daarom als één, met de wens elkaars belangen naar beste weten te dienen en te verwezenlijken. In Râma's tijdperk nam niemand zijn toevlucht tot valse voorwendsels of verlangens, onder welke omstandigheden dan ook. Jongens en meisjes gehoorzaamden de geboden en aanwijzingen van ouders en raadsmannen. Iedereen was zo gelukkig als Indra, de koning der goden in de hemel. In elk huisgezin waren graan, geld en goed zo overvloedig als in het verblijf van Kuvera, de god der rijkdom. De chakora-vogels waren zo verheugd alsof zij sarathkala aanschouwden, de maan in de herfsttijd. De vrouwen waren opgetogen als zij Râma gadesloegen vanachter de deuren van hun binnenvertrekken. Bharata, Lakshmana en Shatrughna waren voortdurend in geestvervoering als zij hun ogen verzadigden aan de goddelijke betovering van Heer Râma.

Tijdens de heerschappij van Râma was de hele wereld vervuld van volkomen heerlijkheid en pracht. Er was geen spoor of zelfs maar sprake van zonde. Monniken en asceten konden in de wildernis onbevreesd ronddwalen. De wederzijdse genegenheid tussen de koning en zijn onderdanen groeide met de dag. De aarde baadde zich in liefde en licht. De wouden droegen alle seizoenen hun weelderig groene kleed. Vogels en wilde dieren hadden hun instinctieve vijandschap voor elkaar verloren. Nergens was ook maar een zweem van haat te bespeuren of was er ook maar iets wat wees op het bestaan ervan. Allen waren verbonden door innige banden van broederschap. Elk individu legde groot enthousiasme aan de dag bij het beschrijven van de voorbeeldige eigenschappen en de roemrijke daden van Râma.

Op zekere dag, toen Râma op zijn troon gezeten was in de audiëntiezaal waar ook zijn broers aanwezig waren, betrad een brâhmaan de zaal, die zichtbaar van streek was. Hij sprak harde woorden en eiste op kwade toon vergelding. 'Helaas', riep hij uit, 'vandaag is het gedaan met de roem van de zonnedynastie. Ik herinner mij de glorie van de grote koningen uit het verleden, zoals Sibi, Raghu, Dilipa en Sagara. Gedurende hun heerschappij waren dergelijke onrechtvaardigheden niet voorgekomen. Zou ooit een zoon gedurende het leven van zijn vader gestorven zijn? Zou een dergelijke ramp zich kunnen voordoen indien de koning een goed heerser is? Vandaag heb ik dit echter zien gebeuren!'

Râma, de Alomtegenwoordige, wist wat er was geschied. Hij werd getroffen door de woorden van de brâhmaan. Hij onderzocht bij zichzelf de reden voor het sterfgeval en overtuigde zich ervan dat die niet had plaatsgevonden ten gevolge van enige onvolkomenheid van zijn bestuur. Hij besefte dat de dood de uitwerking was van slechte gedachten en begon derhalve met het aanbevelen van beperkingen en het geven van richtlijnen die moesten voorkomen dat dergelijke gedachten zouden postvatten in de menselijke geest. Zelfs aan dergelijke kleinigheden besteedde Râma veel aandacht en Hij wees op maatregelen die zouden verhinderen dat zo'n denkwijze zich zou herhalen. Râma liet alle zorgen om zichzelf varen en streefde ernaar het doel te bereiken dat Hij zich had gesteld, namelijk het geluk van zijn volk. Hij was voor zijn onderdanen even zorgzaam als waren zij zijn eigen lichaam. De mensen hechtten grote waarde aan de genegenheid en het geluk van de koning. Râma was hun dierbaar als hun eigen hart. De vorst handelde nimmer tegen de wensen van het volk in. Zij op hun beurt weken nog geen haarbreed af van Râma's bevelen. De Râmarajya van die dagen bestond aldus vele jaren lang in volle luister. Râma was Nârâyana zelf. Zo droeg zijn heerschappij bij aan de glorie van de aarde en haar geschiedenis. Want waarheid en rechtschapenheid zijn de wezenlijke hoeders der mensheid.

Hoofdstuk 13: Sîtâ in Ballingschap

p Het was in die tijd gebruikelijk dat boodschappers van het hof rondreisden door steden en dorpen en het hele keizerrijk om daarna aan het eind van hun geheime tochten de vorst persoonlijk verslag uit te brengen van hun bevindingen. Râma hoorde deze berichten aan zoals zijn voorgangers dat gewend waren te doen. Op zekere dag kwam een boodschapper terug van een van deze verkenningstochten en benaderde Râma met ongewone schroom. Hij wierp zich voor Hem ter aarde en bleef hierna zwijgend en bevend terzijde staan. Weldra hervond hij zijn zelfvertrouwen en moed en sprak de volgende woorden tot Râma: 'Maharadja! Hoor mij aan! Vergeef mij dat ik u deze boodschap kom brengen. Een wasbaas had onenigheid met zijn vrouw en men hoorde hoe hij haar berispte: "Je moest je schamen", schreeuwde hij. "Wie denk je wel dat ik ben, Râma soms? Ga mijn huis uit. Hoe kan ik je nog tolereren? Je hebt lange tijd in het huis van een ander gewoond. Verdwijn!'' Deze woorden troffen Râma's hart als een dolkstoot. Hij kon die nacht de slaap niet vatten. Tegen middernacht zat Hij rechtop in bed en dacht bij zichzelf: 'Sinds mijn regeerperiode aanving is een volle yuga verstreken. Ik moet nog een paar jaar doorgaan.' Verzonken in droevige mijmerij dacht toen de Oceaan van Mededogen: 'Helaas! Ik zal Sîtâ moeten laten gaan. Ik moet de vedische wetten handhaven.' Râma zocht Sîtâ op en sprak tot haar op vriendelijke toon. Hij had een glimlach op zijn gelaat toen Hij tot haar zei: 'Janakî! Tot dusver heb je mij nog geen enkele gunst gevraagd en toch zal ik je een gunst verlenen. Ga naar je heilige verblijfplaats.' Op datzelfde moment wierp Sîtâ zich aan Râma's voeten en voer ten hemel (Vaikunthha) in haar onstoffelijke lichaam. Deze gebeurtenis bleef voor elk levend wezen, waar dan ook, verborgen. Op aarde was Sîtâ in haar grofstoffelijk omhulsel, dat voor Râma stond.

Râma sprak tot de aardse Sîtâ (mâyâ Sîtâ): 'Verzoek mij om een gunst', en Sîtâ antwoordde: 'Heer! Ik zou gaarne enkele gelukkige dagen in de hermitages van muni's (asceten) doorbrengen.' Râma sprak: 'Het zij zo' en voegde daaraan toe: 'Ga morgenochtend op reis.' Sîtâ verzamelde allerlei kledingstukken en gebruiksvoorwerpen voor de dochters en vrouwen van de asceten in de ashrams. Râma ontwaakte vroeg in de morgen. Dienaren en lieden die Râma's hulp en bescherming zochten, bezongen zijn deugden en uitmuntende eigenschappen. Râma's lotusgelaat straalde van schoonheid. Lakshmana, Bharata en Shatrughna wierpen zich in eerbiedig huldebetoon aan zijn voeten. Doch Râma onderhield zich niet met zijn broers. Hij zweeg en zijn gelaat verried grote emotie. Zijn lichaam vertoonde tekenen van gespannenheid en zijn ledematen beefden van opwinding. De drie broers, die de oorzaak van Râma's verdriet niet kenden, werden door vrees en bezorgdheid bevangen. Zij huiverden bij de aanblik van Râma's droefenis en konden de gevoelens die Hem beroerden niet peilen.

Tenslotte vond Râma woorden om zijn wensen kenbaar te maken. Tussen twee zuchten door sprak Hij: 'Broers! Zeg niet neen. Breng Sîtâ naar het woud, laat haar daar achter en keer terug.' De broers werden door deze opdracht met stomheid geslagen. Zij waren aan uiterste vertwijfeling ten prooi. Het was hun niet duidelijk of het Râma ernst was, of dat Hij slechts een grapje maakte. Shatrughna snikte luid. Lakshmana en Bharata stonden doodstil en de tranen stroomden over hun wangen. Zij waren sprakeloos, hun lippen trilden en hun handen beefden. Met de handpalmen tegen elkaar sprak Shatrughna tenslotte op smekende toon tot Râma: 'Uw woorden hebben ons hart doorboord. Janakî is Lokamata, de Moeder van alle schepsels. U leeft in het hart van alle levende wezens. U bent de belichaming van sat-cit-ânanda (volmaakt zijn, volmaakt bewustzijn, volkomen gelukzaligheid). Wat is de reden dat Sîtâ thans wordt weggezonden? Zij is immers eeuwig rein, in gedachte, woord en daad? O, vernietiger van het Râkshasa-ras! Sîtâ is bovendien zwanger. Is het rechtvaardig om haar juist nu, in deze toestand, aan haar lot over te laten?' Shatrughna kon geen woord meer uitbrengen. Het verdriet dat in hem opwelde, uitte zich in tranen en luide jammerklachten.

Râma sprak: 'Broers! Luister! Als je geen acht slaat op Mijn woorden, dan zal de adem dit lichaam verlaten. Is dat wat je wenst? Broers! Zoals Ik je heb opgegeven, breng Janakî nog deze ochtend naar het woud.' Râma bleef met het hoofd gebogen zitten, zwijgend, alsof Hij bedroefd was om de loop der gebeurtenissen.

Toen Bharata deze zo schokkende woorden hoorde, kon hij zijn emotie niet langer bedwingen. Hij sprak: 'Heer! Ik ben langzaam van begrip. Hoor nochtans mijn bede aan. Onze zonnedynastie heeft wereldwijd roem en eer vergaard. Onze vader, Dasharatha, Uw moeder Kausalya en Uzelf, Meester van de drie werelden, genieten grote vermaardheid. Uw glorie wordt bezongen door de Veda's en door de duizendtongige Sesha. Janakî is de bron van alles wat heilzaam is. Haar naam zal alle sporen van tegenspoed uitwissen en alle mogelijke weldaad verlenen. Zij is de ziel van heiligheid. Haar zegeningen stellen vrouwen in staat het hoogste doel te bereiken. Hoe kan deze Janakî van U gescheiden leven en gelukkig zijn in het woud? Kan zij zelfs maar een ogenblik zonder U bestaan? Hoe kan een vis buiten water? Zij is de belichaming van wijsheid en de verpersoonlijking van alle deugden. Zij kan niet in afzondering leven.'

Rustig luisterde Râma naar Bharata en antwoordde toen: 'O, Bharata! Je hebt woorden gesproken die in overeenstemming zijn met de algemene ideeën over moraliteit. Een heerser dient echter de rechtschapenheid en het welzijn te bevorderen volgens de voorschriften van de moraliteit. In de uitvoering van zijn taak, die eruit bestaat zijn volk leiding en bescherming te geven, mag hij geen enkele crisis of revolutie teweegbrengen. Hij moet met grote genegenheid over hen waken.' Toen onthulde Râma welke inlichting Hij van de boodschapper had ontvangen. Hij sprak: 'Broers! Onze dynastie is diep in haar eer aangetast. Haar reputatie is bezoedeld. Dit vorstenhuis heeft een reeks koningen en keizers gehad, waarvan de een nog vermaarder was dan de ander. Hun macht en majesteit waren wereldwijd bekend. Niemand heeft ooit groter roem verworven dan deze vorsten. Zij waren bereid hun leven te geven, maar handelden nimmer in strijd met hun eens gegeven woord. Onze dynastie is zonder smet of blaam. En bij de geringste kans op aantasting van haar goede naam, werd hij die aarzelde zijn leven te geven om die naam te redden, beslist als verachtelijk beschouwd. Begrijp dat goed.'

Hierop riep Bharata: 'Heer! Janakî is voorzeker van alle smetten vrij. Zij is immers uit het laaiende vuur tevoorschijn gekomen. Goden noch heiligen zullen haar nimmer ook maar de geringste onvolkomenheid toeschrijven, zelfs niet in hun dromen. Als iemand dit niet weet en haar een zondares noemt, dan zal hij vele miljoenen jaren de martelingen van de hel moeten ondergaan.' Bharata was alleen al bij het noemen van deze mogelijkheid zijn verbolgenheid en verontwaardiging niet langer meester. Hierop werd Râma zichtbaar vertoornd en zijn ogen schoten vuur. Lakshmana, die Râma's boosheid opmerkte en daar niet tegen bestand was, verschool zich achter Bharata.

Maar Râma richtte zich rechtstreeks tot Lakshmana. 'Lakshmana', begon Hij, 'toon begrip voor de gevolgtrekkingen die mensen maken en laat de dwaze houding van droefheid varen. Indien je Mijn bevel niet gehoorzaamt en daarover met Mij gaat redetwisten, zul je dat tot je dood berouwen. Breng Janakî in een strijdwagen naar een verlaten oord aan de oever van de Ganges, laat haar daar alleen achter en keer dan terug.' Lakshmana hoorde het bevel van de Heer aan. Hij was er zelfs op voorbereid te sterven, mocht hij de dood vinden bij het opvolgen van dat bevel. Hij laadde de wagen met proviand en kleding, liet Janakî plaatsnemen en begaf zich op weg. Râma's trouwe echtgenote was opgetogen bij het vooruitzicht enige tijd in ashrams door te brengen. Zij was vervuld van vreugde en dankbaarheid. De terneergeslagen uitdrukking op Lakshmana's gelaat deed echter haar blijdschap in droefenis verkeren. Zij werd stil en mistroostig. Als de cobra die zijn schildjuweel had verloren, leed zij onopgemerkt diep in haar hart.

Zij bereikten de oever van de Ganges. Het woud was werkelijk schrikwekkend en boezemde hun grote vrees in. Toen zij zag hoe angstig Lakshmana was, werd ook Sîtâ door paniek bevangen. Zij wist natuurlijk dat zij slechts een rol speelde en dat haar werkelijke zelf elders was. Niettemin speelde zij het spel met verve, om haar rol voor de wereld geloofwaardig te doen zijn. Zij weeklaagde: 'O, Lakshmana! Waar heb je me heengevoerd? Er is nergens een âs'ram te bekennen. Er zijn toch wilde dieren en gifslangen in dit woud? Er is hier geen enkel teken van menselijke bewoning, Lakshmana! Het maakt mij angstig.'

Lakshmana werd overstelpt door mededogen bij Sîtâ's jammerklacht. Hij dacht aan Râma en zei bij zichzelf: 'Râma! Wat heb je toch gedaan?' Hij vermande zich enigszins en keek naar Sîtâ. Op dat moment werd hij evenwel door een hevige dorst overvallen en hij was er slecht aan toe. Sîtâ werd verscheurd door zorg en vrees door zijn fysieke toestand en zijn innerlijke strijd. Toen de woudgoden beseften dat Lakshmana vastbesloten was Sîtâ daar achter te laten en zelf huiswaarts te keren, spraken zij hem vanuit de lucht toe: 'Lakshmana! Laat Janakî hier en keer terug. Sîtâ, de belichaming van geluk en voorspoed, zal blijven leven.' Deze woorden van de Onzichtbaren gaven Lakshmana nieuwe moed. Hij bracht eerbiedig de handpalmen tegen elkaar en sprak: 'Moeder! Wat moet ik doen? Ik moet het bevel van mijn broer ten uitvoer brengen, ik kan niet anders. Ik zou het niet wagen Zijn gebod ook maar ten geringste te overtreden. Ik ben een verachtelijke schurk. Mijn broer heeft mij opgedragen u in dit dichte woud achter te laten en dan huiswaarts te keren.' Hierop keerde hij de wagen en vertrok, zijn ogen gericht op het spoor dat hij achterliet. Hij kon in de verte nog de jammerklachten van Sîtâ horen. 'Lakshmana! Laat je me geheel alleen in het woud achter? Wie zal mij hier beschermen?' Zij weeklaagde als iedere gewone vrouw. Haar kreten doorboorden de ziel van Lakshmana, doch denkend aan zijn plicht om Râma's bevelen op te volgen, verhardde hij zijn hart en reed in volle vaart terug naar de hoofdstad.

Sîtâ was intussen van wanhoop flauwgevallen. Ook dit hoorde natuurlijk bij het toneelspel. Weldra kwam zij weer tot bewustzijn, ging overeind zitten en liet haar gevoelens van smart de vrije loop. 'O, Râmacandra! Vanaf mijn geboorte is mijn leven vol verdriet. Helaas! Het leven klampt zich aan mijn lichaam vast, hoezeer ik ook door zielenpijn word geteisterd.' Lange tijd bleef zij in deze trant haar lot bewenen. Op zeker ogenblik liep de wijze Vâlmîki door het woud. Hij kwam van de Ganges, waar hij naartoe was geweest voor zijn rituele bad en was op weg naar zijn âs'ram. Hij hoorde haar woorden en was verbaasd een vrouwenstem om hulp te horen roepen vanuit de verborgenheid van het woud. Hij trachtte te ontdekken waar de stem vandaan kwam en zocht de wijde omtrek af, tot hij tenslotte Sîtâ aantrof. Zij herkende de wijze Vâlmîki en vertelde hem al wat haar was geschied. 'O, vorst onder de monniken', sprak Sîtâ op smekende toon, 'ik ben de dochter van keizer Janaka en de echtgenoot van Heer Râmacandra, dat is wereldwijd bekend. Ik weet echter niet waarom Hij mij verlaten en verworpen heeft. Kan men aan de wetten van het noodlot ontsnappen? Grootste onder de wijzen! Lakshmana heeft mij hier naartoe gebracht en is vertrokken. Hij heeft mij niet verteld waarom hij zo moest handelen.'

Vâlmîki hoorde haar droevige relaas aan. Hij troostte en bemoedigde haar: 'O, dochter! Je vader, Janaka, keizer van Mithila, is mijn vriend en leerling. Hij heeft eerbied voor mij en vertrouwt mij. Lief kind! Wees niet bezorgd. Beschouw mijn kluizenaarsverblijf als je ouderlijk huis. Alles komt goed. Je zult zeker weer met Râma verenigd worden. Die wens zal in vervulling gaan.' Alsof Sîtâ zijn eigen dochter was, droeg hij haar op een bad in de Ganges te nemen en daarna bij hem terug te keren. Na de rituele wassing wierp zij zich ter aarde voor Vâlmîki, die haar daarop naar de âs'ram begeleidde, met liefdevolle en geruststellende woorden.

Daar aangekomen zette hij haar knolgewassen en vruchten voor en drong erop aan dat zij er wat van at. Zij kon dat verzoek van de grote leermeester niet weigeren. Hierna bracht Sîtâ haar dagen in de hermitage door, in voortdurende meditatie op Râma en Zijn heerlijkheid. Met de andere leerlingen en volgelingen nam zij in alle harmonie deel aan de taken behorende bij het onderhoud en de verzorging van dat spirituele huishouden. De âs'rambewoners en ook Vâlmîki zelf, onderhielden haar met interessante en wonderbare verhalen en vermaakten haar met amusante anekdoten en voorvallen.

Lakshmana bereikte de hoofdstad. Zijn ogen zwelden van de tranen en zijn hart was vol verdriet. Hij vertelde de droevige geschiedenis aan de drie moeders. Deze werden overstelpt door smart en snikten luid om het onheil dat Sîtâ had getroffen. Zij prezen Sîtâ's deugden en weeklaagden dat een vrouw met een dergelijk edel en zuiver karakter deze ramp moest overkomen. Zij verweten Râma hardvochtigheid. De stad en het paleis waren in rouw gedompeld. Niemand was vrij van droefenis. Jammerkreten waren het enige geluid dat er te horen was. Zonder uitzondering vroeg men zich bedroefd af: 'Hoe is het mogelijk dat een moeder als zij ooit zo gestraft wordt?'

Râma hoorde het geschrei en gejammer. Hij trok zich terug in de tempel met Lakshmana als zijn enige gezelschap en bracht de dag door uit het zicht van anderen. Later begaf Hij zich naar de vrouwenvertrekken en sprak troostende woorden tot de koninginnen. Hij onderrichtte hen omtrent het pad van jñâna (universele wijsheid). Hij legde tevens aan het volk uit dat de ware heerser alleen zijn onderdanen als familie beschouwt en alleen hen als zijn vrienden bejegent. 'Dat', sprak Hij, 'is de wet van Râma.' Hij zei dat de vorst zonodig zijn eigen vrienden en verwanten moest opgeven, aangezien zijn werkelijke vrienden en verwanten de onderdanen zijn boven wie hij gesteld is.

Het greep de moeders zo aan dat zij van Sîtâ gescheiden waren, dat zij met de dag verder verzwakten. Uiteindelijk had de scheiding ook hun dood tot gevolg. Door de vermogens aan te wenden die zij door yoga verworven hadden, ontstaken zij het vuur dat in hun lichaam sluimerde en lieten zij zich tot as verbranden. Aldus bereikten zij de hoogste staat van gelukzaligheid. De broers rouwden om het verlies en volvoerden de dodenrituelen volgens de vedische voorschriften. Zij schonken de bevolking de zestien voorgeschreven goederen, zoals land, runderen, goud, huizen, kleding en voedsel. Daarna hielden de vier broers, Râma, Lakshmana, Bharata en Shatrughna, zich bezig met de hun toegewezen taken en vraagstukken van het landsbestuur, overeenkomstig de wensen van het volk en tot hun volle tevredenheid.

Op zekere dag kondigde Râma aan dat Hij het as'vamedha-offer wenste te volvoeren, dat in de Veda's wordt genoemd, aangezien dit offer ervoor zou zorgen dat alle vormen van verdriet weggenomen zouden worden. Râma verwittigde Angada en anderen van Zijn voornemen. Hij begaf zich naar het verblijf van de geestelijk leidsman van het hof, vergezeld van zijn broers en ministers van het keizerrijk. Zij wierpen zich aan de voeten van de leermeester, die hen respectvol verwelkomde. Op vriendelijke, zachte toon informeerde hij naar hun gezondheid en het welzijn van het rijk. Hij gaf hun waardevolle adviezen, citeerde verhalen uit de Purâna's en voorvallen uit de heldendichten.

Toen richtte Râma zich tot hem: 'Meester! Ik heb één wens in gedachten, u moet mij helpen die te verwezenlijken.' Hij wierp zich aan de voeten van de goeroe. Vasishthha, de leermeester, vroeg Hem wat die wens inhield, waarop Râma antwoordde: 'Ik heb besloten tot het volvoeren van een yaga. Het volk van Ayodhyâ zal gelukkig en vol blijdschap zijn als de yaga plaatsvindt. Het is de as'vamedha-yaga, die ik op het oog heb. Het zal de rust doen terugkeren in de hoofdstad. Ook de onderdanen zouden gaarne zien dat die yaga wordt volvoerd. Bharata aarzelde om u hiervan op de hoogte te stellen, omdat hij bevreesd was voor uw reactie. Daarom vond ik dat ik u persoonlijk moest benaderen en u deze wens overbrengen. Wij zullen ons bij uw beslissing neerleggen en daar met genoegen naar handelen.'

Vasishthha hoorde deze woorden aan, gesproken met eerbied en nederigheid. Hij verheugde zich op het idee. 'Râma! Uw wens zal in vervulling gaan. Bharata! Sta op en ga je bezighouden met de voorbereidingen voor de yaga', sprak hij. Dit stemde de broers en de ministers zeer gelukkig. Zij verheerlijkten de geestelijk leidsman en wierpen zich aan zijn voeten. Vele brahmanen met een grondige kennis van de tradities en gebruiken van yaga's, volgden Bharata naar het paleis in de hoofdstad.

Sumanthra nodigde vooraanstaande burgers uit en riep de beambten bijeen met het verzoek zorg te dragen voor de versiering van de koninklijke wegen in de stad, alsmede de marktplaatsen en winkelstraten. Op allerlei plaatsen moesten podia (mantaps) worden opgezet. Zo gezegd, zo gedaan. De opdrachten werden met grote spoed uitgevoerd en de hoofdstad werd gereedgemaakt voor de belangrijke gebeurtenis. De stad was in grote opwinding en bezield tot vreugdevolle bedrijvigheid. De bestuurders en beambten meldden Râma dat, zoals Hij had opgedragen, de leidende figuren onder de wijzen en asceten, waren bericht en dat ook Vasishthha van de vorderingen op de hoogte was gesteld.

Vasishthha adviseerde Râma: 'Laat keizer Janaka weten dat de yaga ophanden is, dan kan hij de plechtigheid bijwonen met zijn vrouw en familieleden.' Hij formuleerde zijn advies in overredende en vriendelijke bewoordingen en voegde eraan toe: 'Zend uitnodigingen aan de voornaamste asceten, brahmanen en zieners (maharshi's)! Met instemming van de goeroe leidde Râma hem rond in Ayodhyâ, opdat hij de voorbereidingen in ogenschouw kon nemen. Beiden waren zeer ingenomen met de versieringen door heel de hoofdstad. De officiële boodschappers bezochten het ene koninkrijk na het andere en overhandigden uitnodigingen aan de vorsten van de betrokken landen. Een van de boden reisde door naar Mithila, de hoofdstad van Janaka. Jâmbavântha, Angada, Sugriva, Nala, Nila en andere Vanaraleiders arriveerden in Ayodhyâ. Asceten en monniken kwamen in groepen naar de stad. Allen werden welkom geheten en in overeenstemming met hun spirituele eminentie gehuisvest. Weldra arriveerde Vis'vâmitra. Râma bewees hem eer en bood hem respectvol gastvrijheid. Ook Agastya, de grote wijze, kwam in Ayodhyâ aan. Hij werd op gepaste wijze ontvangen en er werden voorzieningen getroffen voor een gerieflijk verblijf in de hoofdstad. Zij allen waren opgetogen bij de aanblik van de gewijde zaal waar de yaga zou worden gehouden.

Toen de burgers van Mithila de boodschapper uit Ayodhyâ herkenden, waren zij overgelukkig. Hij bracht keizer Janaka de tijding van de door Râma te volvoeren yaga. Zodra Janaka dit hoorde, verrees hij van zijn troon. Hij was buiten zinnen van vreugde bij de woorden van de afgezant. Tranen van gelukzaligheid stroomden hem langs de wangen. Hij informeerde naar het welzijn van Râma en ook naar dat van zijn broers. De boodschapper antwoordde dat de brief die hij bij zich had, hem op alle punten tevreden zou stellen en overhandigde hem de veelbelovende aankondiging. Hij kon niet verder spreken. En wie zal de gemoedstoestand van de keizer beschrijven? Zijn verwanten geraakten in vervoering van vreugde. De stad weergalmde van de kreten 'Jai, Jai'. Keer op keer herlas de keizer de aankondiging, zijn hart vervuld van blijdschap. Hij ontbood een koerier en gaf hem de opdracht het nieuws te verspreiden in steden en dorpen door het hele keizerrijk en de aankondiging te begeleiden met de tien muziekinstrumenten. Daarna riep hij de minister bij zich en overhandigde hem de uitnodiging. Deze nam de brief respectvol aan en drukte hem tegen zijn ogen, aleer hij hem las. Zozeer was hij verblijd door het bericht dat hem de glorie van Râma voor de geest bracht, dat de tranen van vreugde rijkelijk vloeiden. Voor elke woning in de stad plaatste de heer des huizes een kruik gevuld met geluk brengend, gekleurd water. De keizer schonk het volk grote hoeveelheden kostbare goederen om de ontvangst van het heuglijke nieuws te vieren. Er ging een golf van vervoering door de stad van Janaka.

Na een lange reis vanuit Mithila bereikte Janaka Ayodhyâ. Hij had de tocht onderbroken voor een bezoek aan zijn leermeester Sathananda. Deze zegende Janaka en adviseerde hem onverwijld zijn weg te vervolgen met zijn gevolg en de vier legereenheden: infanterie, cavalerie, olifanten en strijdwagens. Janaka liet een deel van het leger achter ter bescherming van de stad. Eén draagstoel bestemde hij voor zijn goeroe Sathananda en zelf nam hij plaats in een andere. Toen het gezelschap zich op weg begaf naar Ayodhyâ, beefde de aarde. Het aantal generaals, aanvoerders en helden in de gelederen van het leger was niet te tellen. Na twee dagen reizen arriveerde Janaka in Ayodhyâ. Toen Râma wist dat Janaka in aantocht was, ging Hij hem tegemoet om hem te verwelkomen. Zij begroetten elkaar met diepe wederzijdse genegenheid. Er was een prachtig buitenverblijf, omgeven door een enorme vlakte, voor hem gereserveerd. Het bekoorlijke, hemelse verblijf was gelegen aan de oever van de rivier de Sarayu. Râma had zijn broers gedelegeerd om de koninklijke gasten te verwelkomen en gastvrijheid te verlenen.

Râma wierp zich aan Janaka's voeten, stond daarna op en zette zich naast hem. Janaka voelde een onbeschrijfelijke vreugde in zich opwellen. Hij streelde Râma's hoofd en sprak tot Hem op heldere, liefdevolle wijze. Râma reageerde met enige welgekozen woorden, die uitdrukking gaven aan gelijkgestemde gevoelens. Hij stelde helpers aan, die er0p moesten toezien dat het Janaka en zijn gevolg aan niets ontbrak. Hij droeg Bharata op zich in dienst van de keizer te stellen.

Intussen was Vasishthha aangekomen met zijn schare van tienduizend discipelen en bevond zich thans in Râma's tegenwoordigheid. Hij sprak: 'Râmacandra! Hoor mij aan: de Veda's, S'âstra's (de geopenbaarde Schrift), Purâna's, zij allen verklaren unaniem dat een yaga die wordt volvoerd zonder de wettige echtgenote aan de zijde van de voorganger, geen vruchten zal afwerpen. Dit wordt door grote wijzen bevestigd. Laat Sîtâ daarom terugkeren. Zij is onmisbaar gedurende de yaga!

Râma was verbaasd over deze uitspraak van de eerste onder de wijzen. Hij zweeg en gaf geen uitleg over de waarheid of onwaarheid van deze overtuiging. Hij sprak: 'Grootste onder de wijzen! U moet Mijn wens vervullen zonder dat dit ertoe leidt dat ik Mijn gelofte breek en zonder schade te doen aan de goede naam van Mijn dynastie. Indien Janakî wordt teruggehaald, wordt die reputatie onherroepelijk aangetast. En ik zal niet huwen om een echtgenote te hebben voor de yaga.'

Hierop ging Vasishthha te rade bij vele vermaarde wijzen, om een oplossing te vinden. Allen bleven bij het standpunt dat Sîtâ moest terugkeren. Het was, zo beweerden zij, een onvermijdelijke voorwaarde. Râma echter, die zelf de Meester is van alle morele wetten, de belichaming van alle vormen van God en de essentie van alle s'âstra's, kondigde na enige overdenking aan dat van Sîtâ een gouden beeld, bezet met edelstenen, moest worden gemaakt, dat haar plaats zou innemen. Hij zei dat alle s'âstra's dit denkbeeld onderschrijven en dat er geen enkel bezwaar tegen deze handelwijze zou kunnen zijn. Geen van de asceten, wijzen of geleerden, onderlegd op elk gebied van kennis, had iets in te brengen tegen deze opvatting. Allen waren verbaasd over de redelijkheid van de oplossing die Râma had geboden. Zij waren vol bewondering voor Zijn alwetendheid en erkenden dat Râma zelf de ziel van alle morele wetten is.

De gouden Sîtâ was in één dag gereed. Juwelen en gewaden maakten het beeld nog bekoorlijker en realistischer. Eenieder die het aanschouwde zag het voor de levende Sîtâ aan, zo echt leek het. Ook Sîtâ zelf zou verbaasd gestaan hebben als zij het beeld had kunnen zien. Velen geloofden dat het Sîtâ in eigen persoon was, die teruggekeerd was en zwaaiden de makers van het beeld uitbundig lof toe. Râma was gezeten op de leeuwentroon, waarover een tijgervel was gedrapeerd. De gouden Sîtâ werd naast Hem gezet, op de rechtmatige plaats van de echtgenote. De aanwezigen werden geacht te denken dat het Sîtâ in levenden lijve was. Allen wierpen zich ter aarde uit dankbaarheid en blijdschap.

Vasishthha richtte zich tot de hovelingen en verzocht hun de daar aanwezige gasten volgens de gebruikelijke voorschriften en regels gastvrijheid te verlenen. 'Kom aan ieders wensen tegemoet en stel allen tevreden.' De hovelingen wezen de gasten de juiste rijen en passende zitplaatsen aan, met de hulp van Bharata, die erop toezag dat alles ordelijk verliep. Eenieder prees zich gelukkig met de grootsheid van de ontvangst die hem ten deel was gevallen en liet zich lovend uit over de organisatoren, voor de door hen betoonde aandacht en voorkomendheid.

De yaga-hal werd buiten door vijfhonderd krijgers bewaakt en binnen door vijfhonderd leermeesters van de Veda's. De yaga nam een aanvang op de tweede dag van de lichte periode in de maand Magha (januari-februari), nadat Râma zichzelf had ingewijd in de vereiste riten. Vasishthha gaf opdracht het paard te brengen dat voor de yaga uitgekozen was, opdat de deskundigen zouden kunnen onderzoeken of het de voorgeschreven gunstige merktekens had.

Lakshmana wierp zich voor Vasishthha ter aarde en spoedde zich daarop naar de paleisstallen om het paard te halen en op te tuigen, aleer hij het de zaal zou binnenleiden. Een met edelstenen bezet zadel werd op de rug van het vlekkeloos witte paard gelegd. De paarden van de zon zouden zich hebben geschaamd om voor hem te staan! Toen hij volledig was toegerust met het rijk versierde zadelkleed en tuig, zag hij er zo stralend uit dat de mensen dachten dat het de god van liefde en schoonheid zelf was, die had geholpen bij het tooien van het paard. Zijn pracht tartte elke beschrijving. Men zou kunnen zeggen dat het edele dier de indruk gaf dat de zonnegod Suryanarayanamurti in een paard veranderd was. Hij stapte trots rond. Op zijn voorhoofd was een pauwenveer bevestigd, waar smaragden doorheen schitterden. Als sterren die aan de hemel flonkeren, zo glinsterde de veer met de fonkelende juwelen. Zijden koorden met een vlammende gloed werden om zijn hals gelegd en door dienaren vastgehouden. Hij werd begeleid door vijfduizend dappere krijgers te paard, de onoverwinnelijke helden van menige strijd, aangevoerd door Lakshmana.

Toen de ruiterstoet de zaal binnenkwam, droeg Vis'vâmitra Râma op het heilige offerpaard te eren, dat op zijn veroveringsmissie gezonden zou worden. Hij schonk het volk de zestien voorgeschreven goederen en verrichtte de rituele wassing. Het gouden schild dat Râma vervolgens op het voorhoofd van het paard bevestigde, was gegraveerd met een boodschap aan alle heersers van het land en luidde aldus: 'In de hoofdstad Ayodhyâ bevindt zich een held. Hij is de vernietiger van vijanden. Zelfs de koning der goden beeft bij zijn aanblik. Dit paard is zijn offerdier. De sterken kunnen hem grijpen, of zij moeten hem schatting betalen. Is men tot geen van beide in staat, dan is een vlucht naar het woud de enige uitweg', zo luidde Râma's inscriptie op het gouden schild, dat Hij om het voorhoofd van het paard bond.

Bhargava en enkele andere wijzen waren intussen naar Râma toegekomen en vertelden Hem over de gewelddadigheden die de demon Lavana had begaan. Het grote gezelschap daar aanwezige wijzen werd somber gestemd door dit bericht. Râma riep Shatrughna bij zich. Hij gaf hem een pijlenkoker gevuld met de machtigste wapens. Toen zei Hij tot hem: 'Bedien je van deze wapens tegen de vijand met de bijbehorende mantra's. Ga heen, behaal de overwinning en keer in triomf terug.'

Daarna verzocht Hij Vibhishana om naderbij te komen. Deze wierp zich aan Râma's voeten. Râma vroeg hem: 'Vertel mij alles wat je weet over deze Lavana.' Vibhishana gaf Râma daarop een uitvoerige beschrijving van Lavana's karakter en macht, voorzover hij daarmee bekend was. Vibhishana had een stiefmoeder die een dochter had, genaamd Kumbhinasa. Zij werd door Râvana uitgehuwelijkt aan een Dânava (lid van een demonenstam) genaamd Madhu. Madhu nam haar tot vrouw en na verloop van tijd werd de demon Lavana geboren. Hij gaf zich over aan strenge ascese en bad tot Heer S'iva om hem met gunsten te zegenen. Zijn ascese behaagde S'iva. Hij schonk hem een drietand waarvan hij de krachten aldus omschreef: 'Lavana! Degene die deze drietand hanteert, zal niet licht te verslaan zijn, wie hij ook tegenover zich zal vinden.' Met behulp van die drietand heeft Lavana sindsdien goden en mensen, demonen en slangen angst aangejaagd en door het hele land gepraald met zijn vermogens. Hij heeft alle levende wezens achtervolgd en mishandeld. Geen sterveling die niet door hem overwonnen werd. Râma barstte in schaterlachen uit bij dit relaas van Vibhishana. Het spreekt vanzelf dat er niets was wat Râma niet wist. Aangezien Hij echter het uiterlijk had van een gewone sterveling, moest Hij doen alsof dat niet zo was. Hij was het zelf geweest die, in de gedaante van S'iva, Lavana de drietand had geschonken en Hij moest lachen om de domheid van de ontvanger en het misbruik dat hij van het wapen maakte. Hij zegende Shatrughna met een deel van Zijn goddelijke macht en zond hem heen met de opdracht de demon Lavana te doden.

Op Râma's bevel werden gelijktijdig drieduizend krijgstrommels geslagen. Het luide geroffel deed de aarde beven. Paarden hinnikten en olifanten trompetterden van vreugde. De soldaten bliezen op schelpen en marcheerden op naar de hoofdstad van Lavana. Lavana hoorde hun strijdkreten. Hij kwam uit het fort tevoorschijn met 64.000 soldaten. Hij brulde als een bloeddorstige leeuw. Hij haalde allerlei toverkunsten uit om aan een nederlaag te ontkomen en de vijand in verwarring te brengen. Zijn leger werd evenwel tot de laatste man verslagen. De zonen van Lavana, die zich in de strijd hadden begeven, werden gedood door Shatrughna's zoon, genaamd Subahu. De zoons bereikten de hemel die voorbestemd is voor helden die in de strijd gevallen zijn. Tenslotte schoot Shatrughna, onder aanroeping van Râma's naam, een pijl af die Lavana dodelijk verwondde. Hij gaf de geest en eindigde aldus zijn gewelddadige loopbaan. De goden begroetten de overwinning met een luid gejuich van 'Jai's' en lieten hun overvloedige zegeningen op Shatrughna neerdalen.

Shatrughna marcheerde voort met zijn legers en bereikte de oevers van de Yamunâ. Hij wierp zich ter aarde voor de heilige rivier, waarna allen de weg vervolgden. Terwijl zij aldus voortgingen en zich in alle windrichtingen waagden, langs onbekende wegen en plaatsen, stuitten zij bij toeval op de âs'ram van Vâlmîki. Daar verbleef Janakî met haar tweelingzonen, elk zo stralend als de zon. Zodra de twee jongens het paard zagen en de tekst op het gouden schild dat hij droeg, hadden gelezen, voerden zij hem mee om hem te laten vastbinden en in de âs'ram te houden. Daarna traden zij naar voren, verlangend om de soldaten terug te dringen die het dier beschermden, met een pijlenkoker om hun middel en pijl en boog in hun handen. Tegen die tijd hadden de krijgers, die het paard begeleid hadden, het kluizenaarsoord bereikt. Zij zagen tot hun verontwaardiging dat het dier aan een boom was vastgebonden. Toen bleek dat de jongens dat hadden gedaan, kwamen ze enigszins tot bedaren. Zij spraken: 'Kinderen! Je ouders zijn zeer gezegend met zulke bekoorlijke zonen. Welnu. Laat het paard gaan en keer naar huis terug.' Doch de knapen antwoordden: 'O, gij helden! Het dunkt ons dat u bent gekomen om te vechten en niet om te smeken. Als u ons om het paard bedelt, bezoedelt u de goede naam van de kshatriya (kaste van krijgers).' Hierop antwoordden de begeleidende soldaten: 'Dappere jongens! Inderdaad, men mag de reputatie van de kshatriya's niet aantasten. We moeten je daarom verzoeken op je woorden te letten.' De knapen konden slechts lachen om dit weerwoord. Zij spraken: 'Hoe moedig moet Hij wel niet zijn die dit paard eropuit heeft gezonden met mensen als u ter bescherming? Als u niet sterk genoeg bent om hem van ons af te nemen, kunt u beter huiswaarts keren.'

Toen de jongens Kus'a en Lava met zoveel bijtende spot reageerden, bleef de soldaten niets anders over dan hen aan te vallen, ondanks hun jonge leeftijd. Lava schoot welhaast achteloos een reeks pijlen op hen af. Hij neuriede een deuntje en gedroeg zich alsof alles slechts spel voor hem was. De lichamen van de krijgers werden doorzeefd met pijlen en velen vielen bezwijmd neer. Sommigen snelden naar het kamp van Shatrughna en riepen: 'Mahârâja! Twee knapen, kennelijk de kinderen van de kluizenaars, hebben ons paard gevangen en in de strijd die hieruit voortvloeide hebben zij een groot aantal van onze soldaten gedood.' Shatrughna ontstak in woede over deze onbeschaamdheid. Hij verzamelde de vier legeronderdelen en marcheerde op naar de plaats waar Kus'a en Lava zich bevonden. Toen hij oog in oog met hen kwam te staan en zag wat zij op het slagveld hadden aangericht, waarmee zij blijk hadden gegeven van hun ontzagwekkende moed, werd Shatrughna door schaamte overvallen. 'Hoe kan ik de strijd aanbinden met deze twee jongens?' vroeg hij zichzelf af. Hij sprak hen toe: 'O, gij kinderen van heremieten, laat het paard vrij en ga naar huis. Jullie verdienen het om vereerd te worden. Het is niet juist om strijd met jullie te voeren.'

De jongens wilden niet naar rede luisteren en spraken: 'Koning! Wat is uw naam? Uit welke stad komt u? Waarom trekt u door dit woud aan het hoofd van een leger? Wat is er de reden van dat u dit paard vrij laat rondzwerven? Waarom hebt u dit gouden schild om zijn hoofd gebonden? Wel, als u sterk en moedig genoeg bent, verwijder dan het schild, maak het paard los en neem het mee naar huis.' Toen Lava en Kus'a zonder omwegen in dergelijke scherpe bewoordingen spraken, boog Shatrughna beschaamd het hoofd en beval zijn manschappen de wapens op te nemen en voorwaarts te trekken. Hier moesten de jongens samen om lachen. 'Aha! Deze koning is aardig machtig! Denk u echter eens in: zou een leeuw ervan schrikken als u in uw handen klapt?' Zij namen hun pijl en boog ter hand en dachten aan hun goeroe, de wijze Vâlmîki. Hun pijlen schoten de strijdwagen van Shatrughna aan flarden. Ook zijn lichaam werd doorzeefd met pijlen. Zijn beproefde krijgers stortten bewusteloos ter aarde. De jongens daagden de veteranen een voor een uit en schoten pijlen op hen af die een dodelijke uitwerking hadden.

Weldra werd Râma op de hoogte gesteld van de wapenfeiten van het tweetal uit de âs'ram. Vanzelfsprekend wist Hij dat het geen kinderen uit de hermitage waren, doch Hij verzweeg deze wetenschap. Hij liet zijn informanten geloven dat hetgeen zij zeiden waarheid was. Voor een ogenblik betwijfelde Hij of er iemand zou willen vechten tegen de jonge knapen uit de kluizenaarsgemeenschap. Tenslotte sprak Hij: 'Er valt niet aan het gevecht te ontkomen. Laat Lakshmana met je meegaan en trek ten strijde.' Degenen die naar Râma waren gevlucht, moesten noodgedwongen terugkeren naar de plaats des onheils. Râma beval tevens: 'Breng die twee jongens hierheen. Aangezien zij in de âs'ram thuishoren, verdienen zij in geen geval te sterven.'

Lakshmana voerde een volledig uitgerust leger aan, dat opmarcheerde naar het oord waar eerder het treffen had plaatsgevonden. Lakshmana aanschouwde de bewusteloos gevallen heldhaftige krijgers en stond verbaasd over de vermetelheid van de ascetische knapen. Hij sprak hen aldus toe: 'Jongens, ik waarschuw jullie, breng jezelf in veiligheid. Vlucht van hier en ga naar huis. Jullie zijn brahmanen en het zou ons geen goed doen als we tegen jullie zouden vechten. Dat is tegen de geboden der heilige geschriften. Ga uit mijn ogen.' Kus'a en Lava begroetten deze woorden met uitbundig gelach. 'O, dappere aanvoerder! Zie hoe het uw broer is vergaan. Zoek zelf thuis een veilig heenkomen.' Lakshmana hoorde hen aan en met een enkele blik op de bewusteloze Shatrughna, nam hij zijn pijl en boog ter hand.

Hij twijfelde echter nog of het rechtvaardig was om tegen kinderen van kluizenaars te strijden. Hij deed nogmaals een poging de jongens te overreden. 'Jongens', sprak hij, 'jullie zijn nog te jong om logisch te kunnen nadenken. Wij hebben er niets bij te winnen als we tegen jullie zouden strijden. Ga heen en laat je door je medestanders in dit avontuur vertegenwoordigen.' Lakshmana was nog niet uitgesproken of Kus'a, die zijn voorstel geen enkele aandacht schonk, had reeds een pijl op hem afgeschoten. De aarde beefde van angst bij de krachten die daarbij ontketend werden. Die pijl strekte zich uit over het ganse hemelgewelf en was zo groots en stralend dat zelfs de zon erdoor verduisterd werd. Omdat hij niet bestand bleek tegen de heldenmoed van Kus'a en Lava, nam Lakshmana's woede toe. Hij wierp zich uit alle macht in het gevecht. Hij sneed met zijn strijdwagen de pas af en viel hen aan zonder zich om de gevolgen te bekommeren. De broers braken zijn pijlen in stukken. Zij vochten op bewonderenswaardige wijze en wendden allerlei nieuwe krijgslisten aan. Lakshmana wierp zijn strijdknots naar hen en toen Kus'a erdoor getroffen werd, deed de hevige pijn hem over de grond rollen. Lava zag dit en ontstak in hevige woede. Hij richtte een pijl op Lakshmana's borst. Ofschoon de pijl direct doel trof, bleef de held overeind, omdat hij ouder en sterker was. Lava sprong bovenop hem, waarna zij met elkaar op de vuist gingen. De strijd bleef onbeslist. Beiden bedienden zich van allerlei aanvallende en ontwijkende technieken en vochten met alle kracht die zij bezaten. Lakshmana had het zwaar te verduren van Lava's vuistslagen. Dat nam echter niet weg dat hij waardering had voor de moed en vaardigheid van die kleine man. Onder het aanroepen van Râma's naam richtte Lakshmana vervolgens een pijl op Kus'a. Kus'a die zich had opgericht, bezwijmde en viel opnieuw neer. Omdat hij aan Vâlmîki en Sîtâ dacht terwijl hij viel, kon hij spoedig weer opstaan. Hij raapte zijn pijl en boog weer op en viel Lakshmana aan. Hoewel Lakshmana terugschoot met een pijl die hij eens tegen Meghanada had gebruikt, kon die de knapen niet deren. De jongens braken de pijl in stukken, en de stukken vielen op de grond. Lakshmana zei bij zichzelf: 'Ach. Onheil als dit overkomt mij sinds Sîtâ werd verbannen. Ik zal nimmer vrede vinden tenzij ik mij van dit lichaam ontdoe. Precies op dat moment zette Kus'a de Brahma-pijl op zijn boog die Vâlmîki hem had leren gebruiken. Alleen al bij het vooruitzicht dat de pijl zou worden afgeschoten, beefden de drie werelden van angst en vrees. Kus'a richtte de pijl op Lakshmana's hart en schoot. Lakshmana werd getroffen en verloor het bewustzijn.

Boodschappers brachten het nieuws over aan Râma. Bharata was diep bedroefd. Hij ging met de handpalmen tegen elkaar voor Râma staan en sprak: 'Heer! Wij dragen thans de gevolgen van het onrecht dat wij begingen toen wij Sîtâ verbanden.' Râma sprak tot zijn broer: 'Wat! Neem je nu deze houding aan omdatje bang bent om te vechten? Welnu, als dat zo is, zal ik zelf wel de strijd aangaan. Breng mij de strijdwagen. Schort verdere riten van de yaga op. Ik zal persoonlijk de voorgeschiedenis van de jongens uitzoeken. Broer! Stel onze vroegere bondgenoten en vrienden op de hoogte en breng Hanumân naar het slagveld.' Toen Râma de plek bereikte waar het gevecht in volle gang was, was Hij verbaasd zoveel bloed te zien vloeien. Op datzelfde ogenblik betraden ook de onverslaanbare krijgers Kus'a en Lava het slagveld. De Vanara's, die Hanumân vergezelden, werden door panische schrik bevangen. Doch Hanumân richtte zich tot de broers en sprak: 'Jongens! De ouders uit wie zulke glorieuze helden als jullie worden geboren, zijn waarlijk gezegend.' Kus'a was echter niet onder de indruk en sprak: 'Aap! Als je niet sterk genoeg bent om tegen ons te vechten, trek je dan terug, maar zwets niet.' Hierop ontstak Bharata in grote woede. Hij riep zijn mannen toe: 'Waar wacht je nog op, gebruik je wapens!' Hij had nog niet gesproken of de Vanara's bestookten de knapen met bomen, rotsen en bergtoppen. Lava verpulverde die allemaal door middel van een enkele pijl. Na slechts korte tijd hadden Râma's strijdkrachten een totale nederlaag geleden. Het slagveld was doordrenkt van het bloed en alle dappere soldaten verloren het leven. Tenslotte viel zelfs Bharata bewusteloos neer.

Toen verscheen, rood van toorn, Râma op het strijdtoneel aan het hoofd van een groot leger. Hij zag de twee knapen en zonder pijlen op hen te richten, liet Hij hen naderbij komen en vroeg: 'Jongens! Wie zijn jullie ouders? Waar wonen zij? Wat is jullie geboorteland? Hoe is jullie naam?' Lava gaf ten antwoord: 'O, koning! Wat voor nut heeft deze informatie? U en uw broers hebben alle vier dezelfde hebbelijkheid, geloof ik. Komaan, neem Uw pijl en boog op en vecht. Waarom maakt U zich druk om ouders en geboorteplaats. Dit is geen inleiding tot huwelijksonderhandelingen. Neen, dit is een serieuze aangelegenheid.' Râma bleef echter aandringen en sprak: 'Jongens. Je bent nog zo jong en kwetsbaar. Ik zal niet met je strijden tot ik je naam en afkomst weet.'

'Koning. Onze moeder is de dochter van keizer Janaka. De wijze Vâlmîki heeft Janakî onder zijn hoede genomen. We weten niet wie onze vader is en evenmin iets over onze afstamming. Onze namen zijn Kus'a en Lava. Wij verblijven in het woud', vertelden zij. Râma deed alsof Hij zojuist pas ontdekt had dat zij Zijn kinderen waren en sprak tot hen: 'Jongens! Ga de strijd aan met het leger dat mij gevolgd is.' Terwijl Hij deze woorden sprak, deed Hij Angada, Jâmbavânta, Hanumân en anderen bijkomen. Tevens deed Hij Lakshmana, Bharata en Shatrughna opstaan opdat zij getuige konden zijn van de komende gebeurtenissen. Daarna richtte Hij zich tot de soldaten: 'Mannen! Vecht opdat roem en prestige beschermd en versterkt mogen worden.' Toen de strijd weer hervat werd, keek Râma met immense vreugde naar de heldhaftigheid van de knapen met hun pijl en boog, en hun superieure vaardigheid en moed. De Vanarahelden slaagden er met geen mogelijkheid in de jongens te overmeesteren. Dus zeiden zij tot elkaar dat er niemand in al de veertien werelden was die hen kon overwinnen. Er bleef hun niets anders te doen of te zeggen, dus hielden zij zich stil.

Op dat ogenblik viel Kus'a Râma aan met zulk een kracht, dat Râma bewusteloos ter aarde stortte. Kus'a trok de sierkoorden en kettingen van de strijdwagen en paarden van Râma af, waarop hij, met behulp van zijn broer, Hanumân ermee knevelde. Zij voerden hem aan het touw met zich mee naar huis. Zij namen nog enkele andere Vanara's en een paar beren met zich mee, die allen kleurig waren uitgedost en fraai versierd. Ook het offerpaard hoorde tot hun veroveringen. Zij begaven zich naar hun moeder Janakî, wierpen zich aan haar voeten en boden haar als huldeblijk hun buit aan.

Hoofdstuk 14: Het Einde van het Spel

p Janakî was verbaasd bij de aanblik van de Vanara's en de beren en over de wijze waarop zij waren getooid. Op dat ogenblik verscheen Vâlmîki, die kennelijk was overmand door bezorgdheid en vrees. Hij beschreef Sîtâ wat zich had afgespeeld. Hij maakte de koorden los van Hanumân, Jâmbavân en de anderen en jammerde: 'Jongens, wat hebben jullie toch gedaan? Jullie zijn hiernaartoe gekomen nadat jullie Râma, Lakshmana, Bharata en Shatrughna hebben geveld.' Sîtâ was geschokt en sprak: 'Ach, lieve kinderen! Door jullie is de dynastie geschaad. Talm niet langer. Maak toebereidselen voor mijn satî. Ik kan hierna niet verder leven!' Sîtâ verzocht hun snel te handelen.

De wijze Vâlmîki troostte haar en sprak haar moed in. Daarna begaf hij zich met Kus'a en Lava naar het slagveld. Hij was verbaasd over wat hij daar aantrof. Hij herkende de strijdwagen en paarden van Râma en toen hij Râma zelf ontwaarde, viel hij aan Zijn voeten. Râma kwam onmiddellijk overeind. Kus'a en Lava stonden tegenover Hem. Vâlmîki sprak tot Râma: 'Heer! Mijn leven is in vervulling gegaan. O, wat ben ik gezegend!' Toen beschreef hij hoe Lakshmana Sîtâ alleen in het woud had achtergelaten en hoe Sîtâ in zijn âs'ram was opgenomen en er Kus'a en Lava ter wereld had gebracht. Hij vervolgde: 'Heer! Kus'a en Lava zijn Uw zonen. Moge de vijf elementen mijn getuigen zijn, als ik verklaar dat Kus'a en Lava Uw zonen zijn.'

Toen Hij deze woorden hoorde, omhelsde Râma de jongens en streelde hun hoofd. Door Râma's genade kwamen de gevallen Vanara's en krijgers weer tot leven. Lakshmana, Bharata en Shatrughna liefkoosden de knapen met grote genegenheid. Lakshmana spoedde zich naar Sîtâ, want Râma had hem opgedragen om van haar te weten te komen wat zij van plan was te doen met betrekking tot haar 'belofte'. Lakshmana naderde haar en wierp zich aan haar voeten. Sîtâ verlangde ernaar zich aan haar 'belofte' te houden, indien dat ook Râma's wens was. Daarom begaf zij zich met Lakshmana naar Râma. Toen zij het hele gezelschap daar bijeen vond, legde zij deze verklaring af als waarheid: 'O, goden! O, vijf elementen! Er is nimmer iemand anders in mijn leven geweest, zelfs niet in mijn dromen, dan Râma, naar lichaam en geest, in woorden of daden. O, moeder! Godin der aarde! Neem mij in u op.' Op datzelfde ogenblik spleet de aarde zich waar zij stond en uit de geul die zo ontstond verrees met luid gerommel een goddelijke leeuwentroon met daarop gezeten de godin van de aarde. Oprijzend uit de aarde strekte zij haar hand uit en Janakî opheffend, zegende zij haar met deze woorden: 'O, J anakî. Vanaf je geboorte tot aan vandaag is er geen dag voorbijgegaan zonder smart. Immer vloeiden je tranen. Kom! Wees voortaan gelukkig in mijn huis.' Het volgende ogenblik waren zij beiden uit het zicht verdwenen. Sîtâ's glorie verspreidde zich over de drie werelden. Lakshmana was een van de getuigen van deze gebeurtenis.

De aanwezigen konden hun tranen niet bedwingen. Râma speelde zijn rol van treurende echtgenoot. Hij dacht bij zichzelf: 'Janakî's heengaan is in overeenstemming met hetgeen ik mij in gedachten gewenst heb. Zij heeft immer gehandeld naar mijn plannen en mijn wil. Thans moeten ook wij onze schreden richten naar ons hemels verblijf (Vaikunthha).' Râma kwam de anderen echter voor als bedroefd en rouwend om Sîtâ's dood.

Weldra begaf Hij zich op weg naar de hoofdstad, met zijn broers en zonen. Hij volvoerde de slotrituelen van de yaga en schonk de zestien voorgeschreven goederen in hoeveelheden die elke beschrijving tartten. Râma betoonde keizer Janaka de eer die hem op grond van zijn status toekwam en liet hem kennismaken met zijn zonen. Janaka was opgetogen bij de aanblik van zijn kleinzonen. Aangezien Janaka een zeer wijs man was en hij zich door zijn goddelijk inzicht bewust was van de goddelijkheid van Sîtâ, gaf hij geen enkel blijk van verwondering of verbazing, vrees of bezorgdheid bij het vernemen van de laatste ontwikkelingen. Zijn geest bleef onberoerd, want hij wist dat wat er geschied was geschieden moest. Evenmin werd zijn houding ook maar ten geringste beïnvloed door de recente voorvallen. Janaka begaf zich op weg naar de hoofdstad Mithila met mateloze vreugde in zijn hart.

Gevolg gevend aan de boodschap die Râma had gezonden, kwamen de goeroes en brahmanen tot Hem. Zij waren uiterst verheugd dat zij getuige hadden mogen zijn van de grote yaga. In dat besef namen zij afscheid van Hem en keerden zij volkomen tevreden naar huis terug.

Hierna riep Râma zijn zonen bij zich en gaf hun advies omtrent het besturen van het keizerrijk, waarop Hij hen formeel installeerde met de ordetekenen van het imperium. Hij gaf Bharata's zoon Thaksha het gezag over het zuidelijke koninkrijk. Zijn tweede zoon, Pushkara kreeg het koninkrijk Pushkara. De zonen doodden de daar nog overgebleven Râkshasa's en vestigden zich in het voor hen bestemde koninkrijk. De zonen van Lakshmana, genaamd Chitrakethu en Chitrangada, waren geduchte en dappere krijgers en oorlogsveteranen. Zij werden uitgezonden naar het westen en na de Râkshasa's daar te hebben gedood, heersten zij over dat gebied. Râma bekleedde de twee met koninklijk gezag over steden met verschillende namen, die hun hoofdstad werden. Hij gaf tevens alle zonen waardevolle adviezen over politieke en bestuurlijke aangelegenheden. Kus'a werd geïnstalleerd in Ayodhyâ en aan Lava werd het rijke en vruchtbare noordelijke gebied toegekend. Hiervan werd Lavapura (het huidige Lahore) zijn hoofdstad. Aan elk van hen schonk Râma een overvloed aan koeien, land, kleding en geld.

Intussen had het nieuws van Râma's voorgenomen terugkeer naar zijn eigen stad, de bevolking van Ayodhyâ bereikt. In groten getale benaderden zij Râma en smeekten Hem om hun verzoek aan te horen. Hun bede was dat ook zij door Hem naar zijn goddelijke huis geleid mochten worden. De Heer zei dat hun verzoek juist was en stemde erin toe daarvoor te zorgen. Hij was verheugd over hun genegenheid en de toewijding die zij betoonden aan hun Heer. Lakshmana ging hun allen voor.

Het koninkrijk Kishkinda werd toegewezen aan Angada, Sugriva, Jâmbavânta, Vibhishana, Nala, Nila en andere personen die goddelijkheid belichaamden. Miljoenen Vanara's, die waren gekomen om de goddelijke opdracht te vervullen, kwamen in die dagen tot Râma. Râma richtte zich tot hen en sprak: 'Vibhishana! Jij moet over Lanka regeren. Je zult uiteindelijk mijn tegenwoordigheid bereiken' en gaf hem aldus zijn zegen. Toen wendde Hij zich tot Jâmbavân, zeggend: 'Jâmbavân! Wees hier op aarde tot het einde van het Dvaparatijdperk. Als ik dan geïncarneerd zal zijn als Krishna, zal ik met jou in strijd geraken. Je zult mij dan, net als in dit leven, herkennen. Dit was de zegen die Râma over Jâmbavân uitsprak [zie hiervoor dus het tiende Canto van het S'rîmad Bhâgavatam, hoofdstuk 56].

Daarna ging Hij op weg naar de oever van de rivier de Sarayu. Bharata liep aan de rechterzijde van Râma en Shatrughna aan zijn linker. Zij werden gevolgd door de ministers en de inwoners van de hoofdstad. Terwijl zij zich in het water begaven, ging Bharata op in de Heer. Shatrughna raakte het water aan en straalde in de lotusbloem. Ook hij werd één met zijn Heer.

De Heer sprak een zegen uit die beloofde dat allen die naar het heilige land Ayodhyâ komen en allen die baden in de heilige Sarayu Hem kunnen bereiken.

 

 

EINDE

 

Terug naar Bababooks - Vahinis